HET KASTEEL WESTHOVEN IN ZEELAND.


I.

»Les Rois s’en vont” luidt eene profetie, die hare vervulling vooreerst nog niet nabij is in Europa.

Frankrijk is, naar ik meen, vooralsnog de eenige staat door het caesarisme tot de republiek gevoerd en — eene republiek, die men een lang leven en gezondheid mag toewenschen, al hunkeren er pretendenten te over naar de gelegenheid om daar den troon te herstellen tot eigen bate… Niet vaster staan de krijtrotsen op Engelands kust, dan het constitutioneel koningschap, waarvoor onze stadhouder, hun dutch William, de grondslagen heeft gelegd. Zoowel in het noorden als in het zuiden hechten de volken nog aan hunne monarchale traditiën. Ik kan mij Spanje niet voorstellen als eene republiek en Italië… ondanks Garibaldi en zijne ijveraars zoekt het zijne eenheid zoowel als zijne vastheid nog het liefst in den band, die het aan het Huis van Savoye bindt en waar het beginsel van Il Re Galantuomo wordt vastgehouden. In België in Nederland… Maar het is noch mijn lust, noch mijne roeping, hier alle staten en volkeren van ons werelddeel op de rij af naar hunne wenschen en verwachtingen te vragen, om daardoor in de uitgesproken meening versterkt te worden, dat de eeuw nog wel ten einde zal loopen eer het laatste uurtje der koningen zal geslagen zijn. En toch komt de profetie reeds tot vervulling, als zij beweert dat zij slechts de despotieke monarchen heeft bedoeld en vaststelt, dat dezen welhaast hun laatste woord zullen gesproken hebben; — dat koningen als Lodewijk XIV en Frederik I en II van Pruisen, keizers als Peter de Groote en Napoleon I niet meer mogelijk zijn; dat de uitspraak l’ État c’est moi niet meer geldt en het beginsel: de volken on de vorsten, nu is omgekeerd, en dat dezulken onder hen, die hun koningschap slechts begrijpen als souvereine macht, zich reeds zoo goed als onttroond kunnen beschouwen, als geantiqueerd, als onbruikbaar en verlaten, zooals de ruïnes en de oude kasteelen.

De oude kasteelen!

Helaas! als het nog twijfelachtig kan zijn of de koningen uit den tijd raken, het is maar al te zeker, dat de oude burchten en sloten in ons Nederland verdwijnen. Wel niet in het buitenland. (*)

Van hoe menig hunner, dat historische vermaardheid bezat of oud-adellijke geslachten tot verblijf placht te strekken, moest de nieuwsmare door het land klinken: dat zij overgeleverd waren aan de mokerslagen van den slooper nòg voor ze door den tand des tijds waren doorknaagd en in puin gevallen!

Dat hun eeuwenoude bosschen geveld waren om er bouwgrond van te maken; dat de boomgaarden en luchtpriëelen met wortel en tak waren uitgeroeid en tot moesgrond verpast; dat er moderne hoeven werden gezet op de plaats waar hunne zware muren zich verhieven, nadat de oude grondvesten tot op den laatsten steen waren uitgegraven!

Ik waag mij niet aan de optelling van die allen in Gelderland. in Overijsel, in Noord- en Zuidholland, in de Brabandsche kwartieren, in Friesland, in Zeeland! dat rijke, vruchtbare Zeeland, waarvan men denken zou dat de naneven der aloude geslachten zich toch wel de weelde konden gunnen om die verblijven der voorvaderen in eere te houden, al zouden ze als woonsteden niet meer gewenscht zijn in onzen tijd!… Maar schokt het onzen historischen zin waar dit niet gebeurt, men zou in de meeste gevallen onbillijk zijn, met de schuld te werpen op personen waar allereerst de geest des tijds, laat ik liever zeggen met Da Costa »de vrucht der tijden”. de oorzaak is van ’t geen wij in dezen moeten betreuren.

Waartoe de kasteelen in eere te houden, als de rang, de rechten, de invloed, die ze hunnen bezitters plachten aan te brengen, volkomen nul zijn geworden? De landman, die onder het rieten dak huist, maar zijn eigen grond bebouwt, is voor de wet de gelijke van den edelman die de burcht bewoont met de hooge torens, en zoo de laatste door den eerste wil gekozen zijn voor de Tweede Kamer, of voor de Provinciale Staten, moet hij zorgen hem niet te ontstemmen, moet hij niet spaarzaam zijn met minzame groeten, en niet zien op een gemeenzamen handdruk! Waartoe nog kasteelen te bewonen die meestal kil en hol zijn somber, onhuiselijk, kostbaar van onderhoud — waar men vroolijke, comfortable huizen vindt in de groote steden, of prachtige aanlokkelijke villa’s in dier dichte nabijheid?

Voorheen ja, toen was het een ander geval, toen woonde de heer van de heerlijkheid op zijn stamgoed, te midden zijner onderhoorigen, als een patriarch in zijn gezin, door allen geëerbiedigd en gehoorzaamd, zoo niet uit liefde dan toch uit vrees. Zij, hem dienend, hij, hen beschermend. Nevens zijne rechten, had hij zijne plichten, van wier vervulling de onderlinge welvaart afhing. Een band, die onverbrekelijk was, hechtte den heer en zijne vazallen aan elkaar, en uit willekeur, uit luim of vermaak, verliet men niet licht den grond waar men dus was geworteld.

Daarbij, destijds voelde men er zich niet eenzaam, niet afgelegen, al was het ook ver van den heerweg, die naar de steden voerde. Rondom zijns gelijken als buren, ook nestelend op hunne sloten en burchten. Krijgs- en jachtgezellen bij drommen, die zich beurtelings in de ruime ridderzaal kwamen vereenigen, om uit te trekken tot een krijgstocht — tot een tournooi; of die zich samentrokken op een aangewezen plek (het rendez-vous de chasse) om in de bosschen of op de uitgestrekte jachtgronden het nobele weispel te spelen.

Maar nu! om jachtrechten te verkrijgen behoeft men geen kasteel te bezitten, noch te bewonen, en — als iedereen heengaat wordt het eenzaam in de buurt — de lasten van het afgelegen zijn beginnen te drukken — waarom zou er nog iemand blijven, die kan heengaan?

Het is niet meer van onzen tijd om van ’t eene seizoen tot het andere op een zelfde plek te vertoeven, als men anders kan. De rijke lieden, en wie anders dan deze kunnen kasteelen bewonen, worden voortdurend door reislust geprikkeld; alles werkt mee om dien prikkel te versterken en er aan toe te geven. Het reizen is geen last meer maar een lust. Stoombooten en spoortreinen voeren snel en gemakkelijk naar elke landstreek, naar elke beroemde badplaats, naar elke merkwaardige hoofd- of handelsstad, die de bevoorrechten der aarde aantrekt. Men heeft niet eens meer noodig zich tot Europa te beperken. Het Suez-kanaal lokt naar Egypte. In Algerië — maar een uitstapje als men eens in het Zuiden is — vindt men Fransche comfort bij zuivere en zuidelijke lucht, Waarom zou men zich tot Parijs en Londen bepalen, waarom de reuzensteden, die Amerika te zien geeft, niet met eigen oogen gaan bewonderen, nadat men er toe uitgelokt is door photographische afbeeldingen en beschrijvingen? Een toertje naar het verre Westen is waarlijk zoo’n zaak niet. Indiën — hoe is het reeds nader gebracht door stoomschepen en mailbooten — ja zelfs een reis rondom de wereld kan als een pleiziertocht worden ondernomen, al behoeft het juist niet te gaan in tachtig dagen. Waarom toch zou men, nu de middelen er toe voorhanden zijn, niet voldoen aan die zucht tot verplaatsing op grooter of kleiner schaal? Waarom zou men verroesten en verachteren, als men met de arendswieken der stoomkracht kan uitvliegen naar ruimer sferen, naar milder luchtstreek? En waarom dan nog bezwaard te blijven met het oude uilennest, dat men niet meer bewoont, dat steeds onbewoonbaarder wordt, waar men niet meer naar omkijkt, en dat alleen maar bestaat als lastpost op het budget? Reizen, hoe gemakkelijk ook, is kostbaar , die hindernis moet uit den weg geruimd, een kooper, die plan heeft het te bewonen, wordt niet licht gevonden, men kan er niet op wachten als men zelf weg wil — de publieke verkoop is het eenig doeltreffend middel; — daarop heeft de slooper gewacht, die met roofvogel-instinct te vinden is waar het aas hem aanlokt en… zoo vallen de kasteelen, als zij niet blijven staan om roemloos in puin te storten.

Maar de schuld ligt niet alleen, niet het meest aan den hedendaagschen reislust — zij ligt bovenal in den drang der omstandigheden die naar de groote steden heenvoeren — aan de versnippering der fortuinen. Sinds er onder welken vorm ook, geen majoraten meer bestaan, moeten de kostbare kasteelen der verlatenheid ter prooi worden; (*) en Op deze volgt — vroeger of later, maar gewis de ruïne, de slooping.

»Nog niet voor allen, dat is waar, al is er reeds menigeen bedreigd en lang niet veilig.

Er zijn lofwaardige uitzonderingen.

Er zijn dezulken wier historische vermaardheid hen zelfs als bouwval nog in eere doet houden en voor verdere vergruizing beveiligt op ’s lands kosten.

Er zijn er, die door de piëteit van naneven en achterkleinzonen voor het afdalen tot ruïne worden behoed, die opgebouwd worden en hersteld, bewoonbaar gemaakt en — bewoond zelfs ondanks als de bezwaren die het bewonen van een vernieuwd oud kasteel met zich brengt. Maar het zijn toch altijd slechts uitzonderingen en — hoe lang zullen zij het blijven? (*)

De kasteelen zijn niet meer van onzen tijd, die volkspaleizen sticht, museums bouwt, ziekenhuizen opricht, spoorwegen en stoomtrams aanlegt, die alles omverhalen wat hun in den weg staat; zij moeten vallen, medegevoerd door den alles overweldigenden stroom van den tijdgeest, die verzwelgt wat niet met hem medegaat, wat zich niet door hem laat dragen.

Onder de uitzonderingen op dien algemeenen regel mag men gelukkig nog meetellen het kasteel Westhoven in Zeeland. Op het bloeiende eiland Walcheren gelegen, tusschen eeuwenoud geboomte, omringd van een breede slotgracht, met zijn feodale torenspitsen en vaantjes, ziet het er in de verte uit of de abten van Middelburg er nog hun lusthof hadden; doch naderbij gekomen, over de steenen slotbrug getreden, maakt men alras de opmerking, ondanks voorburcht en voorplaats, dat er is toegegeven aan de eischen van onzen tijd, en dat het oud adellijk woonhuis, zonder zijne grootschheid en zijne hechtheid op te offeren, zich wijzigingen heeft moeten getroosten, die het voor bewoners van de negentiende eeuw tot een even comfortabel als ruim verblijf hebben omgeschapen.

En wie zal het wraken, als men verneemt dat juist zulke wijzigingen den dreigenden mokerslag van het geheel hebben afgeweerd?

Toch heeft het zijn voorburcht met de steenen bruggen, het wachthuis, de sterke poorten, zijne breede corridors, zijne ruime zalen en zijne gezellige torenkamertjes behouden; alleen de kleine, in lood gevatte, met wapens en figuren beschilderde ruiten zijn vervangen door helder spiegelglas, dat een vrij en vroolijk uitzicht geeft op prachtige bloemperken, door fluweelig groen omlijst, op vischrijke vijvers, waar baars en voren spartelen en dartelen; op zwaar geboomte, waarom zich geurige witte rozenstruiken heen strengelen als klimop, en — men moge ijveren voor de gedenkstukken der oudheid zooveel men wil — als men er huizen moet is een vroolijke logeerkamer met openslaande ramen wel zoo aangenaam om frissche lucht en zonlicht te genieten als die schilderachtige kleine ruitjes rammelend in hun lood, die eene slaapkamer op een middeleeuwsch bidvertrek doen gelijken. (*)

Ondanks alles wat ze gedaan hadden om het huis der Tempeliers, het oude lustslot der abten van Middelburg, tot eene comfortable hedendaagsche woonstede om te scheppen, moesten zelfs deze bewoners buigen voor de macht der omstandigheden, voor den geest van den tijd, die door allerlei oorzaak naar de groote steden heenwijst. Zij besloten zich te verplaatsen. Het kasteel was geen voorvaderlijk erfgoed, het had geen familie-herinneringen, die er bijzonder aan deden hechten, het werd verlaten, het werd te koop gesteld!

Maar wie koopt er nog een oud kasteel in Zeeland, dat niet aan een spoorlijn ligt, en in zekeren zin van alle openbare middelen van communicatie was afgesloten. Hoezeer ook ingericht naar de eischen van onzen tijd, hoe aanlokkelijk ook gelegen tusschen oud geboomte, omringd van rijk bevolkte vijvers, van moestuinen en vruchtboomen die den mildsten oogst beloofden, door prachtige lanen heenvoerend naar duin en strand, om aan de zuivere zeelucht tevens rust en gezondheid te vlagen, met bosschen en jachtgronden, die de liefhebbers van het weispel moesten doen watertanden, — wie waagt het nog in onzen tijd, waarin de geldspeculatie zulke proporties heeft aangenomen, er zulk een artikel van weelde op na te houden? Wie zou nog weer moed hebben het te koopen om het te bewonen, nadat de aanzienlijke oud-zeeuwsche familie zelve het opgegeven had? Een schatrijk Engelschman, een Indisch millionair, een onttroond vorst of vorstin? Maar die allen zoeken wat anders dan het rustig natuurgenot en de afzondering van de wereld, die Westhoven te bieden had. De Phenix daagde vooreerst niet op. Reeds stond de sloop er op den uitkijk, hunkerende naar den publieken verkoop, die hem de kostbare buit in handen zou leveren, maar een waardig lid der familie trad tusschenbeide en verijdelde dat vernielingsplan.

Zij bezat liefde genoeg voor de oude Zeeuwsche herinneringen, om den slag, die dreigde, af te weren, en haar fortuin veroorloofde haar de ingeving harer edelmoedigheid te volgen.

Mevrouw de Bruijn-Boddaert kocht het landgoed, dat zij niet kon en niet wenschte te bewonen. Haar eenig kind was gehuwd en bewoonde reeds een prachtig kasteel in de nabijheid van Vlissingen. Wat doet de meest gefortuneerde met twee kasteelen op een zelfde eiland gelegen? Maar de edele vrouw, hoewel zelve in allen eenvoud levende en vrij van alle pronkzucht als van ostentatie, belastte zich liever met dit artikel van weelde, dan te gedoogen dat Westhoven verbrijzeld zou worden onder de mokerslagen van den slooper; zij wenschte het zoolang mogelijk in de familie te houden; en zoo staat het dan nog in volle hechtheid, in volle fierheid de torenspitsen opheffend ten hemel als ten getuige van hare piëteit. Zoo staat het dan nog onbewoond, dat is waar, maar niet onbeheerd. Er is nog leven rondom, zoo niet in het kasteel; de bloemperken, de moestuin, de vruchtboomen, alles wordt verzorgd, alles levert nog de gewone schatting.

Aan trouwe handen is de zorg voor dit alles opgedragen; de jachtliefhebbers in de familie komen jaarlijks hun vermaak nemen in de bosschen en vinden er huisvesting; het staat daar niet verlaten, niet verweerd, niet als een huis dat in puin dreigt te vallen. Het blijft voorshands wat het is.

En Westhoven verdient die onderscheiding ten volle. Het verdient die om zijne oudheid, om zijne bekoorlijke ligging, allermeest om zijne historische herinneringen, om zijne merkwaardige lotwisselingen, en bovenal om de vele beroemde personen, die hier korter of langer tijd vertoefden. — Het is om enkelen dezer te gedenken, dat wij de pen opnemen.

Eene uitvoerige beschrijving van het kasteel is weloverbodig. Naar het uitwendige geeft onze titelplaat er een goede voorstelling van; naar het inwendige is het te zeer van onzen tijd geworden om tot eene opzettelijke schildering uit te lokken. Om van de uitgestrektheid een denkbeeld te geven, die het voormaals in zijn vollen bloei en grootheid besloeg, hebben wij maar alleen te herinneren, dat het nu nog bestaande gedeelte slechts een achtervleugel is geweest van het ontzagwekkend geheel.

Of het nu juist zijne stichting dankt aan de Noormannen, die het opwierpen om een versterkt punt te hebben, waar zij zich konden vestigen en verschansen tegen de aanvallen der eilanders, wordt door de oudheidkenner betwijfeld, maar zeker is het, dat de Tempelridders hier eenmaal zetelden en dat zij de ruw opgeworpen sterkte hunner voorgangers (wie het dan ook waren) naar hunne behoeften en naar hun smaak hebben uitgebreid en herschapen, zoodat men hen als de ware stichters en bouwheeren van het kasteel zou mogen aanwijzen.

Zij zullen het er zich »bequem” hebben gemaakt om een germanisme te gebruiken. De Tempelridders waren kosmopolieten. Zij hadden het grootsche in het leven, het forsche zoowel als het bekoorlijke lief in de natuur en in de kunst, en bezaten schatten genoeg om van beide te kunnen genieten en natuur als kunst dienstbaar te stellen aan hun smaak.

Al hadden zij armoede, al hadden zij matigheid zoowel als kuischheid gezworen, zij hadden zich verdienstelijk gemaakt bij de christenheid; zij mochten zich des levens lusten wel gunnen, als zij niet voor de belangen der christenkerk hadden te strijden. Wat vroolijke feesten mogen ze hier hebben gevierd; welke heldenfeiten hebben herdacht, als zij aanzaten in de ruime ridderzaal, de beker van kostbaar metaal met den edelsten wijn gevuld, broederlijk van hand tot hand rondgaande, elkander heilbrengend en toejuichend op luiden toon, nu ernstig, dan weer luchtig gestemd, — zij waren in ’t eind maar halfgeestelijken, maar zeer zeker ten volle krijgsliên.

Vraagt gij waar mijn Ridders zijn,
Waar mijn Ridders zijn gebleven!
Zoo moedig op ’t veld en zoo blij op ’t festijn…
Vraagt gij waar mijn Ridders zijn!
In de Slotkapel hierneven
Klonk nog straks hun vrome beê:
Miserer Domine.

’t Is Van Lennep die hun grootmeester deze klacht in den mond legt, als een andere Priamus hunne wreede verdelging betreurend.

Wie weet hoe vaak hun gepantserde en gespoorde voet over de hechte slotbruggen heeft gedreund, als ze de koelte en de zuivere lucht gingen zoeken onder het hoog geboomte van die breede, grootsche lanen, die wij nog kunnen bewonderen. In verbeelding zie ik hun witte mantels met de zilveren kruisen door ’t gebladerte heen schemeren, als zij, door ’t luiden van de vesperklok van hunne namiddag-verlustiging opgeroepen, zich haastten om ter slotkapel op te gaan, en hunne devotie te wijden aan de Heilige Maagd en aan hun Patroon.

Met den val hunner orde kwam ook een einde aan hun bezit van Westhoven, en het viel den vorstelijken abten van Middelburg ten deel, wel niet als onmiddellijke opvolgers. Het geslacht der Van Borselens van Brigdamme ging hen voor in dit bezit, vandaar dat het een vrije ridderhofstad werd, niet als leen, maar door aankoop verkregen.

Om een doodslag te verzoenen, aan een abt van Middelburg begaan door een lid van dat geslacht, kwam Westhoven aan die geestelijke Heeren.

Zij, die reeds de prachtige abdij te Middelburg als hoofdzetel hadden, gebruikten Westhoven als lustverblijf in het schoone jaargetijde en het jachtseizoen. Zij leidden er geen kluizenaarsleven, voorwaar! Alles wat het oog kon verlustigen en de zinnen kon streelen, was er te hunnen dienste, en meer heeren dan herders in den waren christelijken zin, zochten ze hier vrijheid van den dwang der etiquette en der strenge kerkplichten hun te Middelburg onder het oog hunner geestelijken en leeken opgelegd.

Zij gingen er mijmeren langs duin en strand, jagen in de bosschen, en feestvieren in de zalen met tal van vrienden en aanhangers.

Als er prinsen en hooge heeren Zeeland bezochten, en op Walcheren toefden, waren het de abten van Middelburg die het voorrecht hadden hen te begroeten en te onthalen, en niet zelden was het op Westhoven dat zij hun gastvrijheid boden of hen ten feestmaal noodigden.

Deze voorkomendheden waren niet altijd zonder bijbedoeling. De abten van Middelburg hadden nevens hunne geestelijke belangen, ook die hunner wereldsche eer- en heerschzucht in het oog te houden. Zij waren, zoomin als andere kerkvoogden, hoogeren en lageren, den bisschoppen van de eerste eeuwen der Kerk gelijk — evenmin als men onder de leeken de christenen der katacomben terug vond. De wereld was ter Kerke ingedrongen, en de wereld had de Kerk overwonnen. Het had andersom moeten zijn, maar nu het eenmaal zoo was, bleek het de roeping niet der Middelburgsche prelaten om als hervormers op te treden. Wie weet in welke eerzuchtige berekeningen verdiept, door welke overleggingen en beschouwingen geprikkeld, sommigen hunner zich hebben neergezet onder dienzelfden lindeboom, die nu alle zijne vrome bezitters en hunne opvolgers overleeft, om nog ten huidig en dage door zijn oudheid en zijn omvang de bewondering te wekken van onze tijdgenooten. Mij dunkt ik zie er Floris van Schoonhoven neerzitten, om zich te beraden met welke eerbewijzen hij zekere hooge gasten, wier bezoek hem aangekondigd was, zou ontvangen, en welke voldoening voor zich zelven hij daarvan zou hebben.

En er was oorzaak toe voor hem, om zich geëerd en gevleid te achten, en hooge verwachtingen te bouwen op dat bezoek, als hij er in slaagde zijnen gasten welgevallig te zijn. Reeds de wet en de leenplicht schreven het hem voor, want het betrof geen mindere dan Philips van Oostenrijk — de Schoone bijgenaam — den zoon van keizer Maximiliaan en Maria van Bourgondiën den kleinzoon van Karel den Stouten, die als wettige heer van Brabant, Vlaanderen, Holland en Zeeland, met zijne jeugdige gade door zijn graafschap reisde, om zich te Vlissingen in te schepen naar zijn Spaansch koninkrijk, en op Walcheren een kort verblijf wilde houden.

Zijn leenheer op Westhoven te ontvangen met gemalin en gevolg, was geene lichte zaak te dien tijde, maar Westhoven bood rijke hulpmiddelen aan. Er was ruimte voor menigte van gasten, er was proviand voor de uitgezochtste tafelweelde. Bosch en duin leverden grof en fijn wild in overvloed. Faizanten en patrijzen, ree- en hertevleesch, stond den gastheer ter beschikking. De vijvers leverden de keurigste zoetwatervisschen; van den zeekant werd de eêlste buit uit de zoute kolken aangebracht; het hoornvee in de weiden leverde kostbare room en melk; de moestuin en de boomgaard waren niet verwaarloosd, en brachten groenten en vruchten voort, die zorge waardig; in de ruime keldergewelven lagen vaten oud en stevig bier, en de fijnste wijnen voor zulke hooge feesten werden uit de diepte te voorschijn gebracht. Koks en keldermeesters waren geen vreemdelingen in hun vak, en tafelgereedschap van allerlei vorm en soort — in tin, in koper, in zilver — ja kunstig uit goud gesmeed, soms met emaïl of edelgesteenten versierd, stond in rijken voorraad te pronk op de kredentz, in de eetzaal.

Met welke eerbewijzen zal de abt het vorstelijk echtpaar hebben ingehaald reeds aan de voorste grenzen van zijn gebied op Westhoven, met welk eene vervoering zal de Spaansche prinses, dochter van Ferdinand en Isabella, toen nog niet Johanna de Waanzinnige genaamd, aan den arm van haar hartstochtelijk beminden gemaal zich tegoed hebben gedaan aan die frissche opwekkende Zeeuwsche lucht, de hooge en breede lanen doorwandelend met lichten tred, vrij evenzeer van de Spaansche etiquette als van de haar stuitende zeden en gewoonten van ’t Bourgondische Hof, waar verfijnde weelde en grove wellust samengingen, als innig aan elkaar verwant. Wie weet of zij niet, door haar gastheer voorgegaan, den weg zal genomen hebben, die door kreupelhout heen over het duin naar het strand voerde, om er de zon in de zee te zien wegzinken, die, volgens de trotsche uitspraak der Spanjaarden, nooit onderging in hun meesters gebied, sinds Columbus Amerika had ontdekt en Vespuci het voor Kastilië’s vorsten had veroverd.

Arme Johanna, zij droomde toen nog van eene toekomst, waarin al die grootheid de hare zou zijn, en zij geloofde mogelijk nog aan de liefde van den aangebeden gemaal, al was dat geloof reeds geschokt. Gelukkig voor haar, dat de sluier nog niet was opgeheven van die andere toekomst die haar wachtte; de smart, de vertwijfeling, de minnenijd, die tot woeste daden van wreedheid, die tot waanzin vervoerde; de gevangencel aan het eind van dien lijdensweg, waar de hardheid en dweepzucht van een onnatuurlijken zoon haar prijsgaf aan vernederingen en mishandelingen op haar toegepast onder het voorwendsel van godsdienstijver!

Arme Johanna!… maar op Westhoven mocht ze nog zorgeloos genieten van het vorstelijk onthaal dat haar gewerd.

Hoeveel omslag van edelen en volgelingen zulk een vorstenbezoek ook medebracht, Westhoven was, zooals gezegd is, ruim genoeg om allen naar rang en staat te huisvesten, en toch vond Matthias van Heeswijk, die Floris van Schoonhoven opvolgde, nog lust en gelegenheid om het kasteel te vergrooten en te verfraaien, zoo zelfs, dat Nicolaas de Castro na hem tot de waardigheid van Middelburg’s abt verheven, er weinig of niets meer te doen vond op dit punt, en toch ook hij rustte niet voor hij het zijne had gedaan, om het uit- of inwendig te verrijken en te versieren. Hij noemde Westhoven zijne lustwarande, en had de voldoening er in 1515 den jeugdigen Karel van Oostenrijk (de Gentenaar bijgenaamd, naar de Vlaamsche hoofdstad, waar hij geboren werd) met zijn gouverneur en talrijk gevolg van Vlaamsche en Bourgondische heeren te ontvangen. Aan feest. en jachtpartijen te zijner eer, zal het wel niet ontbroken hebben, en het onthaal, dat er hem gewerd, was den prachtlievenden en tafelweelde minnenden vorst zoo goed in ’t geheugen gebleven, dat hij zijn bezoek nogmaals kwam herhalen, toen hij reeds Karel V was geworden, koning van Spanje en keizer van het heilige Roomsche rijk. Hier kwam hij even uitrusten van zijn zware krijgstochten en het niet minder zware rijksbestuur, en het was zeker door zijne gunst, dat Nicolaas de Castro zich tot bisschop zag verheven. Deze eerste bisschop was tevens de laatste abt van Middelburg; de laatste prelaat die Westhoven bewoonde. Hoe lief hem ook dit lustverblijf was, niet als zijne voorgangers van vroegere eeuwen kon hij er leven in rustig genot. De tweede helft der 16de eeuw was voor priestervorsten en bezitters van kerkgoederen geen gunstige. De nieuwigheden in de religie, de Hervorming en hare eischen, waren zoo niet in ieders mond, dan toch reeds als in de lucht. In Zeeland was men gansch niet vreemd aan de beroeringen, die zij teweegbrachten. »Zoo zij eens veld wonnen. zoo zij eens triomfeerden,” waren vragen, twijfelingen, die wel bij de Castro moesten opkomen, als hij uit zijn bidvertrek op den hoogen toren van Middelburg’s abdij ziende, het oog wendde naar de in nevelen gehulde stad en in sombere mijmeringen verviel, en zijn voorhoofd zich rimpelde onder bijgedachten, het mochten voorgevoelens heeten van het naderend onheil!

Zoo deze rebellische zin, deze goddelooze opstand tegen kerk en koning ook eens zijn vorstelijk priesterambt bedreigde, zijne rechten aantastte? Zoo die stormen kwamen opsteken tegen de abdij te Middelburg, tegen Westhoven, zijn oogenlust; wat zou daaruit worden; wat kon er uitgedacht, wat gedaan worden om dit te weren? Als zulke vragen bij hem opkwamen, kon hij geen rust vinden op den purperfluweelen zetel, begonnen de gewelfde bogen van het hooge vertrek hem te drukken en schenen de tapijtbehangsels hem als te versmoren; dan mocht hij lucht zoeken in de vrije natuur onder den helderen hemel, en aan ’t strand de blauwe zee gadeslaan, of hare golven hulp en redding konden aanvoeren voor de angst en zielesmart waaronder hij leed!

Het onweer ratelde nog in de verte eer de bliksemstraal uitschoot, maar ook toen zij trof, was het ter verplettering!

Berthold Entens van Mentheda, een der stoutste, maar tegelijk een der wreedste aanvoerders, die in den bloedigen religiekrijg voorop traden, de edelman-geus, viel in 1572 op Westhoven aan, waar vermoedelijk ten believe van den bisschop Spaansch krijgsvolk was ingenomen. Met zijne wilde geuzen werd hij er meester; ondanks kloeken weerstand nestelde hij zich er een tijdlang, om op Walcheren een vast punt te hebben, maar eer hij het verliet gaf hij zijnen lieden vrijheid om te plunderen en te vernielen naar hartelust, en toen zij aftrokken, werd het prachtig kasteel in brand gestoken, een reusachtige fakkel die hun aftocht bijlichtte en het eiland in gloed zette. Aan blusschen was niet te denkeli, en er werd ook niet aan gedacht. Het brandde, het brandde voort, tot slechts de zware muren bleven staan, zwart geblakerd, en toch niet vermorzeld!

Van dezen verwoestenden doortocht herstelde Westhoven zich in vele jaren niet. Toen het in 1579 ten behoeve der gemeene zaak werd verkocht, werd het aangeduid als »eene vervallen huysinge met zijne grachten, boomgaarden en bosschen daaraan volgende”; en viel het ten deel aan Jonkheer Hendrik Balfour, een Schot, kolonel in dienst der Staten, vermoedelijk ter vergoeding van onbetaalde soldij en wapengelden. Deze krijgsoverste heeft er echter niet veel aan gehad, daar hij reeds in 1581 overleden was, toen zijne weduwe, die zich naar Schotland had begeven, van uit Edinburg procuratie zond aan haar broeder Wouter Kant, en aan haar schoonbroeder Bartholomeus Balfour, als voogden van haar minderjarigen zoon Guille of Guillaume Balfour, om Westhoven te verkoopen met zijn »ap- en dependencies en diverse partijen lands in den block daar het inne staet.”

De kolonel Balfour, door zijn beroep te midden van den oorlog her en der gedreven, zal wel niet in de berooide huizinge vertoefd hebben, en zijne familie schijnt lust noch gelegenheid gehad te hebben om de ontredderde woonstede te herstellen en uit het verval op te richten, zoodat de persoon die er na deze familie eigenaar werd, heel wat te doen zal gehad hebben om het in bewoonbaren staat te brengen.

Maar hier moeten wij even een halt maken bij onze optelling van bezitters en bewoners van het aloude vermaarde lustslot.

Tijdens mijn kort verblijf op Westhoven zag men, bij het opklimmen van de groote trap die naar de eerste verdieping voerde, tegen den muur in het front, een zwart borderel, dat terstond in het oog valt en waarop in gulden letters de voorname bewoners of bezoekers waren vermeld, die langer of korter op het kasteel hadden vertoefd.

Van de Tempelheeren af tot op koning Willem III toe, waren ze daar ter gedachtenis neergeschreven. Zelfs zag men er het schild met het Alziend oog, dat eenmaal boven den katheder had gehangen in de zaal waar Van der Palm de beroemde en beminnelijke geleerde, de godsdienstoefenigen leidde voor de familie Van de Perre; maar toch werd er de naam niet gevonden van een man, die het eenmaal als eigenaar heeft bewoond en die een goed recht heeft om niet vergeten te worden. Die man, die tot den eersten en grootsten Oranjevorst in nauwe betrekking heeft gestaan, die hem met onwankelbare trouw ter zijde is gebleven tot aan zijn dood, die zelfs zijn zoon en weduwe met raad en daad heeft gediend en wien het nageslacht zooveel het nog aan het gedenkwaardig tijdperk van den worstelstrijd tegen Spanje hecht, oorzaak heeft met belangstelling, met eerbied te gedenken.

Die man is Pierre l’ Oyseleur , heer van Villiers, van 1582 tot 1590 heer en bezitter van Westhoven, en het is juist deze wien wij in herinnering wenschen te brengen, nu wij de pen hebben opgenomen om over het oude lustslot der Middelburgsche prelaten te spreken.

Pierre l’ Oyseleur (of Lozeleur), heer van Villiers, was een hugenoot van echt gehalte, die voor de rechten zijner religie, voor de vrijheid van geweten geleden en gestreden heeft, zoo niet met het zwaard, dan toch met het woord, met de pen — in zijn tijd reeds een geducht wapen, als het met evenveel goed beleid als geestdrift werd gehanteerd.

Hij had reeds een zwaren lijdensweg afgelegd eer hij door Willem van Oranje, den grooten leidsman van den opstand der Nederlanders tegen Filips II, tot hofprediker en geheimraad werd uitverkoren. Men mag de afgesleten uitdrukking, dat hier de rechte man op de rechte plaats was, ditmaal in alle vrijmoedigheid gebruiken, want zoo iemand, hij was het die in de hofkapel den juisten, waardigen toon wist aan te slaan en die in het kabinet als raadsman zich onderscheidde door zijn helderen blik en milden, echt christelijken geest.

De Prins kende hem reeds lang vóór hij hem met dat gewichtige ambt bekleedde.

Niet als Egmond had Oranje zich laten verstrikken in het net door Alba den Nederlandschen adel gespreid. Hij onttrok zich aan een nutteloos martelaarschap en koos Dillenburg tot wijkplaats, om van daar uit, zoodra de gelegenheid gunstig was, voor de zaak der vrijheid op te komen, maar allereerst om zich rustig en in betrekkelijke afzondering te beraden over de keuze, die hij wilde doen naar het godsdienstige. Zoomin als het grootste deel der Vlaamsche edelen, waarmede hij had verkeerd, placht hij een devoot katholiek te zijn; maar hij was reeds geruim en tijd in aanraking geweest met Hervormingsgezinden van allerlei kleur en richting, eer hij er aan dacht de godsdienstvrijheid, die hij voor anderen trachtte te verkrijgen, die hij in zijn eigen prinsdom trots Paus en Koning had toegestaan, voor zich zelven te gebruiken.

Zijne ure was nog niet gekomen. Juist de strijd der partijen deed hem weifelen. Aan welke zijde zou hij zich voegen, als het eens tot den beslissenden stap moest komen om openlijk met de Roomsche kerk te breken, waarin hij sinds lang naar hart en zin niet meer tehuis hoorde, Hij wilde zich laten voorlichten door vrome, degelijke godgeleerden en kerkdienaren van verschillende gezindheid, eer hij de gewichtige keuze deed; en onder hen die daartoe naar Dillenburg werden opgeroepen, was ook Pierre l’ Oyseleur de Villiers, door Beza zelf daartoe aangewezen en reeds geen vreemdeling meer voor Oranje, al kende deze hem niet persoonlijk, daar hij behoorde tot die groep Fransche Calvinistische predikers, die deden wat hunne hand vond te doen, om de Hervormingsgezinden in de Zuid-Nederlandsche provinciën op te wekken, te steunen en te sterken. Aan dezen Villiers nu, schonk de Prins het liefste gehoor, en het is niet meer twijfelachtig, wiens invloed zich het krachtigst heeft doen gelden bij zijne latere beslissing. Dat moest zoo zijn. De Villiers was juist de man om den Prins te begrijpen en door den Prins begrepen te worden. Geheel zijn vroeger leven had er toe geleid hem te vormen voor hetgeen hij zijn moest voor een Willem de Zwijger. Te Rijssel geboren, dat destijds nog aan Vlaanderen behoorde en onder het gebied was van Karel V, kon hij zich in zekeren zin een Vlaming noemen en had hij daar vermoedelijk nog zijne betrekkingen, hoewel Frankrijk zijn aangenomen vaderland werd, daar de scherpe plakkaten van den keizer tegen de Protestanten, zijne ouders dwongen daar eene wijkplaats te zoeken. Zijn familie schijnt behoord te hebben tot hetgeen men destijds noemde la noblesse de robe, dien lageren adel waaruit magistraatspersonen en leden der rechterlijke macht voortkwamen, en die ambten bekleedden, welke niet zelden als erfelijk van vader op zoon overgingen. Daar de I’Oyseleurs uit het toen nog Vlaamsche Rijssel naar Frankrijk trokken, konden zij dáár geene aanspraakmaken op ambten of privilegiën, maar zij schijnen ondanks hunne ballingschap niet onvermogend te zijn geweest; althans hun zoon studeerde in de rechtsgeleerdheid en werd advocaat bij het Parlement te Parijs. Maar toen de partij der Guises aan het hof de heerschende werd, ving ook daar eene vervolging tegen de Hugenooten aan, die den jongen l’Oyseleur dwong ook Frankrijk te verlaten en naar Genève de wijk te nemen. Vermoedelijk waren zijne ouders toen reeds overleden, althans men vindt niet dat zij hem vergezelden, en in zijne geschiedenis is verder geen sprake meer van deze. Maar toch vond hij te Genève een vader in geestelijken zin. Hij kwam er in nauwe betrekking tot Beza, die hem terstond onderscheidde en groote verwachtingen van hem koesterde, zoo hij zich aan den dienst der Hervormde kerk, aan de prediking van het Evangelie wilde wijden. Ongetwijfeld heeft de scherpzinnige blik van den beroemden Zwitserschen Hervormer hoedanigheden van geest en karakter opgemerkt in den jeugdigen rechtsgeleerde, die van groote waarde moesten zijn als dienaar van de zaak der religie. De rechtskennis, de welsprekendheid, de veelzijdige beschaving die hem als pleitbezorger hadden onderscheiden, konden hem eenmaal ten goede komen als voorspreker der nieuwe leer, waarvoor hij zijn ijver reeds had getoond, waarvoor hij eene schitterende positie had verlaten, waarvoor hij balling was geworden uit zijn tweede vaderland. Beza had alleen maar dien wenk te geven die met blijdschap werd opgevolgd. Onder diens leiding studeerde de Villiers theologie en de daaraan verwante wetenschappen en vormde zich voor den predikdienst en voor het leeraarsambt dat hij welhaast aanvaardde. Op aanbeveling van Beza werd hij tijdelijk ter leen gegeven, zooals de term van het tijdperk was, als hofprediker bij de koningin van Navarre, Jeanne d’Albret. Bij afwisseling werd hij geroepen dienst te doen voor den admiraal de Coligny, diens gezin en talrijke volgelingen, zoodat hij met de voornaamste uitstekendste leiders en voorvechters van de partij der Hugenooten in aanraking kwam en betrekkingen met hen aanknoopte. Zijne afkomst, zijne antecedenten, zijne veelzijdige ontwikkeling, zijne menschenkennis, en niet het minst zijne beschaafde vormen, zijne fijne manieren maakten hem tot den geschiktsten persoon om aan een hof en voor aanzienlijken de evangelische waarheid te verkondigen en het herdersambt waar te nemen.

Toch had hij behoefte aan eene vaste standplaats, aan eene gemeente. Hij was gehuwd en had reeds verscheiden kinderen. Hij had te Genève kennis gemaakt met eene jonkvrouw, als hij zelf om des geloofs wille uitgeweken. Overeenstemming van godsdienstige overtuiging legde den grondslag tot nauwer band. Hij huwde Johanna de Brichanteau, dochter van den chevalier Charles de Brichanteau, heer van St. Martin en Nizerat. Of dit huwelijk hem eenig fortuin heeft verzekerd, dan wel alleen zijn huiselijk geluk, is ons niet gebleken, ook niet of zij hem de heerlijkheid de Villiers heeft aangebracht, waarnaar hij zich meestal liet noemen, dan wel of dit een erfgoed, of mogelijk alleen een ledige titel mocht zijn, die hem is toegevallen. Genoeg dat hij ridder en edelman was, en de hovelingen dier vorsten en heeren waarvoor hij optrad, niet op hem konden neerzien als op een roturier, hetgeen gansch geen gering te schatten voorrecht was te dier tijde, ondanks de gelijkheid die gemeenschap van godsdienstige gevoelens had moeten daarstellen. Zoo vereenigde hij alles in zich, wat er noodig was om hem de eervolle oproeping naar Dillenburg waardig te maken. Wij hebben reeds doen uitkomen hoe hij zich daarvan kweet, en hoe hij op den Prins een indruk maakte, die niet verloren ging, al werkte die vooreerst nog in ’t verborgene, en al bleef de uitkomst van zijn pogen nog voor velen twijfelachtig. Zijn verblijf te Dillenburg kon maar tijdelijk zijn en de gemeente van Rouaan riep hem op als haar leeraar en herder. Zijn gezin was er reeds gevestigd, en hij zelf sleet daar rustige jaren. Er was eene overeenkomst getroffen tusschen de regentes Catharina de Medicis en de hoofden der Hugenooten. Er was godsdienstvrede beloofd. Zelfs Coligny was er toe gekomen zijn gerechtigd wantrouwen af te leggen, en de Villiers meende zich ongestoord aan zijne geestelijke roeping te kunnen wijden, en nam dien tijd van kalmte waar, om aan ’t verlangen van zijn vriend en beschermer Beza te voldoen, en eene overzetting van het Nieuwe Testament in de Fransche taal te ondernemen. Maar hij had het manuscript nog niet ter perse kunnen leggen, toen reeds de geweldige storm over de partij der Hugenooten losbrak, die voor goed een eind maakte aan de illusiën, waaraan zij zich hadden over,gegeven bij den Sirenen-zang van Catharina de Medicis: »Vrede, vrede, geen gevaar!” Het huwelijksverbond van Hendrik van Navarre met Margaretha de Valois, ’s konings zuster, dat als een zekere waarborg voor de verbroedering tusschen Roomschen en Protestanten in de verte was aangewezen, werd juist gebruikt om het sein te geven tot den bloedigsten vredebreuk. De Bartholomeus-nacht opende de oogen der verblinden, voor zooveel die niet door den gewelddadigen dood werden gesloten. Als bekend is, bepaalde zich de aanslag niet tot Parijs, maar sloeg over tot elke provincie, tot elke stad, waar de beide gezindheden in schijn eendrachtiglijk hadden samengewoond. Het fanatisme woedde voort, zelfs al had de trouwelooze staatkunde het perken willen stellen.

Ook te Rouaan was het ergste te voorzien, en de Villiers meende zijn gezin veiligheid te verzekeren, door het over te brengen naar zeker kasteel op twee mijlen afstands van de stad gelegen, waarvan wij niet weten of het hem zelftoebehoorde, dat wel gastvrij door vrienden was afgestaan.

Doch in zijne hoop hier eene schuilplaats te vinden voor zich en de zijnen, werd hij bitter teleurgesteld.

De woeste bende, die te Rouaan gemoord en geplunderd had, zocht nog hare offers daar buiten; had men de kudde verslagen, de herder mocht het niet ontkomen; de begaafde, invloedrijke leeraar, die zoo velen had aangetrokken, mogelijk wel afvallig had gemaakt van de Kerk, was tevergeefs in de stad gezocht, de vervolgers schenen nu te weten waar hem te vinden.

Onder aanvoering van zekeren hoedenmaker uit Rouaan, een geestdrijver, wiens vreedzaam beroep hem betere manieren had moeten leeren, holde de bloeddorstige troep, van allerlei wapentuig voorzien, den weg op naar het gastvrije slot, waar nog voorshands rust en vrede heerschten. Daar gekomen, drong de woeste bende met geweld ter poorte in, onder afgrijselijke kreten en bedreigingen eischende, dat men hun den ketter, den Hugenoot zou uitleveren. De Villiers zelf trad de wilde horde te gemoet, wendde zich tot den aanvoerder, en sprak hem toe — kalm, met vastheid, en met iets in houding en blik, dat den ruwen gast, op gewelddadigen tegenstand bedacht, geheel van zijn stuk bracht. Verlegen, ontdaan, en als onder den slag eener betoovering, week hij voor den tieren, deftigen edelman ter zijde, die rustig en waardig zijns weegs ging, en aan ’t gevaar ontkwam, daar de bende hem niet nazette. Zij vermoedde zeker niet dat de man, die daar zoo zonder vrees, als zonder haast, het kasteel verliet, nadat hij met hun aanvoerder gesproken had, juist de persoon was dien zij zochten, en deze aanvoerder zelf wist niet te zeggen welke verbijstering hem had aangegrepen, dat hij als roerloos aan den grond genageld, door wenk noch gebaar den moordenaars hun slachtoffer had aangewezen, dat hij hem had laten ontkomen. Hij had niet kunnen zeggen hoe en waarom; nu het gebeurd was zal hij zich wel gewacht hebben van zijne onhandigheid, zijne achteloosheid bekentenis te doen, maar met des te meer ijver en verbittering zich met de zijnen hebben gewroken op hetgeen zich verder in het slot liet vinden. De geheele huizinge werd geplunderd, en al wat niet prijs werd gemaakt, moest worden vernield. Ongelukkig had de Villiers vrouwen kinderen moeten achterlaten. Zoo hij hoopte dat men dezen het leven zou sparen, had hij zich niet misrekend, maar men liet hen ook niets dan dat. Zij werden onbarmhartig geplunderd; men liet hun zelfs geen voegzaam kleedingstuk. Vrouwen zeven kinderen werden tot op het hemd toe uitgeschud, als weerloos vee ter poorte uitgejaagd, en toen een dier kleinen nog een brood gegrepen en verborgen had onder het hemdje, werd ook dat losgescheurd en vaneengereten, om hun zelfs die bete broods te ontnemen. Er bestaat een vermoeden dat die Le Vasseur — alleen vervolger in schijn, vriend in der daad — dus heeft moeten handelen, om zijne bloeddorstige metgezellen ten minste eenige voldoening te gunnen. Maar zou een vriendenhart zich niet over de kinderen hebben erbarmd, en hen naakt uitgeschud, zonder voedsel en zonder dak, hebben weggedreven? Veeleer kan men aannemen, dat hij wel degelijk met kwade intentie gekomen, door den indruk van de Villiers’ persoonlijkheid overheerscht, zelf niet heeft geweten wat hij in dien oogenblik wilde, door iets, sterker dan hij, van zijn moordplan heeft afgezien, maar vrouwen kinderen van den vluchteling sparende, dezen toch niet tegen slechte bejegeningen heeft kunnen of willen beveiligen.

Wat daarvan ook zij, de Villiers schreef zijne wonderbare redding toe aan de hulpe Gods, en op dien steun en leiding gerust, sloeg hij opnieuw met de zijnen den weg der ballingschap in. Een balling als deze kon zoomin verlaten worden als vergeten door zijne partij, Waar hij schut- en schuilplaats vond, is ons niet bekend, maar zeer zeker heeft men hem niet uit het oog verloren, en is hij een der draden geworden, waardoor Fransche Hugenooten zich in verbinding stelden met de Vlaamsche opstandelingen om des geloofs, om der vrijheid wille.

In Frankrijk had de hofpartij den Calvinisten wel bloedige slagen, wel onheelbare wonden toegebracht, maar voorgoed terneergeworpen waren ze niet. Uitgemoord was het Hervormd Frankrijk niet geheel, al waren er ook duizende slachtoffers gevallen, en wie er overgebleven waren tot wrake gezind en gerechtigd. De burgerkrijg verhief zich feller dan ooit; en had men Coligny niet meer, men had toch Turenne, men had Condé en welhaast den Bearnees, den zoon van Jeanne d’Albret, wien het gegeven zou worden de slang der tweedracht den kop te vertreden. Maar zoover was het toen nog lang niet. Er werd rondgezien naar hulp uit den vreemde, en de Villiers werd door den prins de Condé met eene zending naar Engeland belast, die hem aan het hof van koningin Elisabeth voerde, waar hij echter niet naar wensch slaagde door de lauwheid en onverschilligheid der koningin, wier zelfzuchtige staatkunde haar hart sloot voor het lijden der Protestanten, terwijl zij toch zelve niet de hand wilde reiken aan de Katholieken. De geloofsijver heeft er bij Elisabeth altijd maar dunnetjes opgezeten; dit ondervonden destijds evenzeer de Vlaamsche afgevaardigden, wien zij wilde diets maken dat het verschil niet zoo groot was om er hun koning de gehoorzaamheid voor op te zeggen! Maar de Villiers won zich toch vrienden en beschermers onder de Engelsche staatslieden en grooten, die over de zaak der Protestanten en hunne gemoedsbezwaren niet zoo luchtig heenliepen als hunne koningin voorwendde te doen (want zij wist wel beter, maar zij vreesde niets zoozeer als een oorlog met Spanje). Onder deze was lord Hendrik Hastings, derde graaf van Huntingdon, een der voornaamsten en edelmoedigsten. Hij was aan de koningin verwant door hare afkomst uit Anna Boleyn, en ofschoon niet haar gunsteling, altijd en in alles haar trouwe vriend en raadsman. Deze toonde zich steeds een edelmoedig en invloedrijk beschermer van de Fransche en Nederlandsche ballingen om des geloofswille, en de Villiers trok al spoedig zijne opmerkzaamheid, won zijne belangstelling, zijne vriendschap en werd door hem aangesteld als hoogleeraar bij een godgeleerd collegie in Londen, een ambt, dat hem niet slechts eer aanbracht, maar ook meerdere inkomsten , zoodat hij er met zijn gezin onbekrompen van kon leven. Zijne werkzaamheid bepaalde zich niet bij het geven van lessen aan leerlingen; hij hervatte zijne uitgave van het Nieuwe Testament, vroeger door de stormen van den St. Bartelsnacht gestoord, en droeg die op aan zijn edelen begunstiger, lord Huntingdon. Dit schijnt een werk geweest te zijn van groote verdienste, wel geschikt om de aandacht der geleerde wereld op hem te vestigen, en het was niet het eenige wat hij destijds ondernam en volbracht. Toch zou hij niet aan de rustige werkzaamheid worden gelaten van het studeervertrek. Bekend als hij was onder de aanvoerders der Hervorming in Frankrijk, en reeds in betrekking staande tot de leiders van den Nederlandschen opstand tegen Filips II, kon hij niet blijven buiten de bemoeiing der staatszaken, en werd ook zijn raad ingeroepen, toen het vraagstuk zich voordeed, of men zich Engeland dan wel Frankrijk tot bondgenoot moest kiezen. De Prins van Oranje, met Charlotte de Bourbon getrouwd, en reeds, al, was het nog zonder bepaalden titel, feitelijk aan het hoofd der Nederlandsche zaken, reeds meester in het vrij geworden deel van Holland, Zeeland en Vlaanderen, al was het nog te midden van den vrijheidsoorlog tegen Spanje, had behoefte aan een hofprediker, die tegelijk zijn raadsman kon zijn in de teere, met de toenmalige staatkunde zoo nauw vereenigde religiezaken; en tot dat ambt was het dat Pierre l’ Oyseleur, heer van Villiers, werd opgeroepen.

Wij hebben reeds aangetoond hoezeer hij alles in zich vereenigde om hem voor die belangrijke taak geschikt te maken, en hoe zijn geheele levensloop tot hiertoe had medegewerkt om hem er voor op te leiden .

Niet vreemd, dat de Prins hem zijn volle vertrouwen schonk, en hem zijne innigste gedachten openbaarde, en dat hij op dezen zekeren invloed oefende, welks omvang en beteekenis wellicht niet het best is begrepen door zijne tijdgenooten, hoewel zij de werking daarvan hebben ondervonden. De oorzaak bleef verborgen voor hen die niet mede in ’s Prinsen vertrouwen deelden. In het buitenland, onder staatslieden, geleerden en aanhangers van Oranje, wist men wat de Villiers bij dezen gold, maar aan diens hof en in diens naaste omgeving speelde hij niet de hachelijke rol van een erkenden gunsteling. Hij was te schrander om niet zeer bescheiden te zijn, en te voorzichtig om het aandeel, dat hij had in ’s Prinsen besluiten en gevoelens, niet veeleer te verbergen dan er mede te pronken. Hij stond Oranje ter zijde, waar deze hem opriep, maar hij plaatste zich niet naast hem op den voorgrond. Hij drong zijn raad, zijne voorlichting niet op; hij wachtte in zedige houding tot die gevraagd werd. Maar dan ook was hij geen weifelende raadsman, noch de vriend van halve maatregelen, en werd de gloed van zijn ijver alleen getemperd door zijn beleid. Willem de Zwijger was juist de man, om zulk een geheimraad in waarde te houden en met zijne vriendschap te loonen. Ander gunstbetoon, dat sprekend uitkwam, schitterende eerbewijzen, die hem van de omringenden onderscheidden en zijne verdienste aan aller opmerkzaamheid, aan aller benijding aanwezen, ontving hij niet, noch verlangde die. Het was hem genoeg als de groote man, op wien alles rustte, somtijds zijne hulp inriep voor eene hachelijke taak; als de man wiens oogen over alles moesten gaan, en die toch wist niet alziende te zijn, somtijds zijn voorlichting verlangde, of zich op zijn, blik vertrouwde, waar zijn oog niet kon reiken, of waar hij vreesde mis te zien. En dan was de Villiers, met zijne kennis van rechtszaken als van hofintriges, met zijne veelzijdige geleerdheid en ervaring van menschen, in waarheid een betrouwbare vraagbaak.

Voorzeker, het ontbrak den Prins gansch niet aan goede, getrouwe, ervaren raadslieden, waar het de kerkelijke belangen gold. Kerkdienaren van allerlei kleur en kracht omringden hem, of door hem zelf ter raadpleging opgeroepen, of zich aan hem opdringende in den naam en ten bate der »ware religie”. Alleen de Prins was het niet zoo volkomen met hen eens, om zoo maar op eens als met een pauselijk machtwoord uit te maken, waarin alleen de ware religie bestond, Hij achtte dat er wijzigingen, schakeeringen, opvattingen waren, die men kon aannemen, kon overzien, kon laten gelden voor ’t geen zij waren, zonder daarmee de kern van de zuivere Godsvereering te raken of te kwetsen; maar den meesten hunner rijk in vromen ijver, maar arm aan tact en beschaving, uit het volk opgekomen, door het volk als orakels vereerd, nauwelijks ontbolsterd, en hunne theologie als het eenig noodige, het eenig ware beschouwende, waarnaar alles zich moest richten, was het bovenal te doen om hun haan te hooren koning kraaien, om zich zelf (althans hunne gevoelens) te doen gelden en voorop te zetten. Zoo toonden zij ijver zonder verstand, op een tijdpunt waarop de uiterste omzichtigheid noodig was, om tusschen de partijen door naar het doel te streven dat men zich voorgesteld had te bereiken. Met onstuimig drijven en jagen meenden zij er te komen!

De Prins had veeloverlast van zulke drijvers; toch moest hij ze ontzien, wetende dat zij bereid waren degelijke diensten te bewijzen, en dat ook van dezulken partij te trekken was voor de goede zaak, maar instemmen met de Datheens, de Modets en huns gelijken, dát kon hij niet zelfs Marnix, zijn lieve getrouwe, zijn boezemvriend, brandde wel eens van een gloed, dien Oranje noodig had te bekoelen, maar de Villiers, schoon hij martelaarsmoed had betoond bij meer dan eene gelegenheid, was er de man niet naar om met onbesuisde geestdrift het martelaarschap te zoeken voor zich zelf en anderen, De nog zwakke staat moest bevestigd, de jeugdige Kerk opgebouwd worden, meende hij, door andere middelen dan juist geweldige. Tegen den stroom in te zeilen, gedoogden nog beider wankele krachten niet. Men moest rekening houden met de omstandigheden. acht geven op het getij, en het juiste oogenblik te baat nemen om te handelen, des noodig achteruit wijken, om te meer zeker te zijn van zijn sprong. Dat was zijne tactiek, en juist die waarmee de Prins zelf het meest was ingenomen. Als deze zich dus tegenover hem over zijne geheimste wenschen en bedoelingen uitliet, behoefde hij niet te vreezen miskend te worden of verkeerd begrepen. Junius of Taffinus, gelijkgezinden, hadden hunne roeping elders, Marnix was veelal verre, om de groote belangen der vrijheid voor te staan, de Villiers als hofprediker en geheimraad, bleef Oranje steeds nabij, en zoo werd ook zijn dienst het meest ingeroepen, zijn raad het liefst gevolgd, als er van belangrijke of hachelijke zaken sprake was, zonder dat het geheim uitlekte van zulke, meest mondelinge, raadpleging.

Maar één dienst toch werd van hem gevergd, dien hij verleende op uitdrukkelijk verlangen des Prinsen, die niet geheim kon blijven, en die de algemeene aandacht op hem vestigde op zulke wijze, dat vriend en vijand, onbewust van ’t geen er in het kabinet tusschen Oranje en zijn geheimraad omging, juist dezen als den voornaamste, zoo niet als den eenige aanduiden waardoor hij relief heeft gekregen, misschien als de eenige belangrijke waartoe hij geroepen werd!

Wij lezen bij Brandt, als deze hem noemt: »meest bekend als de steller der verantwoording.” Anderen zeggen kortweg: »de Verantwoording werd geschreven door een François predikant, hofprediker bij den Prins”, en laten zelfs den naam weg als niet ter zake dienende, alsof iedere Françoische predikant evengoed dat werk had kunnen doen; en toch was het eene taak van zooveel gewicht, die zooveel scherpzinnigheid en te gelijk zooveel tact vereischte, zooveel rechtskennis en behendigheid, zooveel staatswetenschap en bekendheid met de gebeurtenissen van den dag als met de geheimen van vorsten en hofintriges, dat het werkelijk voldoende zou zijn geweest voor zijne vermaardheid, zoo hij niets dan dit alleen voor Oranje had verricht.

Er zijn misschien onder de lezers enkelen, voor wie de herinnering aan de aanleiding dier verantwoording niet geheel overbodig is. Wij bedoelen het antwoord van den prins van Oranje op de beschuldigingen door Filips II tegen hem ingebracht, toen hij den ban over hem uitsprak en hem vervallen verklaarde van alle zijne waardigheden en rechten.

De Spaansche monarch, de worsteling met zijne Nederlanden moede, die hem reeds zooveel gouds had gekost en zooveel bloeds, zonder dat hij ze naar zijn wil had gekneed zooals Alba hem had beloofd, had ten laatste een anderen toon aangeslagen dan dien van den despoot. Hij had openlijk de handelingen van zijn ouden Toledo afgekeurd, had den ridderlijken Don Juan, zijn natuurlijken broeder, aan de half verloren zaak gewaagd, had den listigen, krijgskundigen Parma het opperbevel in handen gegeven, had zelfs de landvoogdes Margaretha naar Brussel doen terugkeeren, maar alles zonder merkelijk goed gevolg. Als de vogelaar floot hij tevergeefs: vrede! vrede! De lokstem trof geen doel, zij wekte slechts argwaan en verdeeldheid.

Intusschen werd er door zijne rebellische onderdanen druk onderhandeld met Frankrijk, om met dit land in bondgenootschap te treden en een prins van den bloede als Eminent Hoofd te verkrijgen, daar Oranje, hoewel de ziel van den tegenstand, nog vooreerst niet kon besluiten als openlijk erkend hoofd op te treden… Zoo dit bondgenootschap gelukte, zoo de hertog van Anjou onder heimelijke begunstiging van Engeland’s koningin het bestuur aanvaardde over de afvallige provinciën, terwijl Oranje naast hem zou staan om zijne schreden te leiden, dan bestond er werkelijk gevaar voor het algeheele verlies van Filips’ zaak, en het werd dus hoog tijd, dit te voorkomen door list of door ander geweld dan dat van den oorlog. Filips II besloot toe te geven aan de influisteringen van Granvelle, die al herhaaldelijk had geraden om er met den Prins van Oranje een eind aan te maken. Morte la bestia, morte il veleno was het devies van den Italiaan, als het een vijand gold.

De Koning moest er eenige duizende gouden kronen voor over hebben; tot zulk en prijs zouden er zich moordenaars genoeg opdoen, om den Prins van kant te maken. »Als Oranje eens is opgeruimd,” siste die slang zijn vorst in de ooren, »is de kracht van den opstand gebroken, en gij zult gemakkelijk werk hebben met de ontmoedigde en afgetobde schare.” De Koning geloofde en volgde dien raad. Hij sprak den ban uit over den Prins, verklaarde hem vogelvrij, vervallen van alle zijne waardigheden en rechten, zette vijf-en-twintig duizend gouden kronen op zijn hoofd, beloofde die aan den uitvoerder van zijn moordbevel uit te betalen, in specie of in onroerend goed, aan hem zelven of aan zijne erfgenamen, zoo hij bij het plegen van de daad het leven inboette, bood aan hem in den adelstand op te nemen zoo hij geen edelman was, en zeide hem vergiffenis toe voor begane misdaden, van welken aard die ook zijn mochten, zoo hij een boosdoener was; zeide desgelijks zijnen medehelpers belooningen toe en verzuimde niet op de martelaarskroon te wijzen voor den ijveraar weggelegd die dezen aartsketter wist te verslaan. Het banvonnis hield mede bedreigingen in tegen allen, die den gebannene zouden blijven ontvangen, hem trouwe hielden of dienst bewezen, hem schuilplaats boden, huisvesting verleenden, spijze of drank reikten, vuur en licht verstrekten. Daarentegen beloften en belooningen aan wie hem afvielen, hunne zaak van de zijne scheidden, hem scholden of bespotten, hem benadeel. den in zijn goed of in zijn naam; in één woord, Oranje werd aangewezen als een verpeste, als een schadelijk dier, waarvan het elks plicht was de aarde te verlossen.

Daar zulk een schrikwekkend vonnis niet wel kon geslagen worden, zonder dat de redenen werden opgegeven, waarom het werd uitgesproken, ontbrak het niet aan tal van beschuldigingen, van de hatelijkste aantijgingen tegen den persoon en de handelingen des Prinsen; hij werd getroffen, niet slechts in zijn openbaar leven als ketter en oproerling tegen den Koning, maar ook in zijn karakter als mensch, als echtgenoot, in zijne bijzondere familieomstandigheden.

Oranje had dien banvloek, als uitgaande van een vorst met wien hij in openbaren oorlog was, zeer goed onbeantwoord kunnen laten, en was aanvankelijk ook gezind daarop te zwijgen, maar de Staten van Holland en Zeeland, die hem voor hun stadhouder hadden gekozen, en die niemand liever dan hem zelf aan het hoofd van de Geuniëerde Provinciën wenschten gesteld, achtten er des Prinsen eere mede gemoeid, zoo hij er op zweeg; meenden zelfs dat de hunne er door gekwetst was, als met de zijne vereenzelvigd, en stonden er op dat Oranje zich in een openbaar geschrift verdedigen zoude tegen des Konings aantijgingen. Het stellen dier verantwoording nu, werd aan de Villiers opgedragen, die er zich van kweet op eene wijze, waaruit zijn afkeer voor halve maatregelen duidelijk bleek. Het was geen schot in de lucht, geen degenstoot in het water, maar een pleidooi, waarbij de beschuldigde niet slechts de beschuldiging verre van zich afwierp, maar tegelijk met veel tact en behendigheid de aanklacht omkeerde en op den klager overbracht.

Had Filips getracht een vlek te werpen op het bijzonder leven van Willem, in de verantwoording werd de chronique scandaleuse van des Konings handel en wandel als echtgenoot en vader blootgelegd; het was waarlijk oog om oog, en tand om tand. Had Filips Oranje aangewezen aan de gansche christenheid als aartsketter, ondankbare hypocriet, oproerling, vredeschenner, hem de schuld gevende van al de jammeren en ellenden, al de gruwelen en verwoestingen in den heeten vrijheidskrijg gepleegd; de verantwoording stelde den Koning ten toon voor diezelfde christenheid, als de hoofdoorzaak van al dit kwaad, als de despoot die den eed had gebroken, waarop het volk hem ter goeder trouwe als Hertog en Heer had erkend, die zijne plichten had geschonden, het vertrouwen en de gehoorzaamheid der onderdanen had verbeurd, en die zijne ongerechtigheden als vorst kroonde door zijn wangedrag als echtgenoot, als vader, als bloedverwant. In één woord, waar Filips voorgaf het zwaard der gerechtigheid te zwaaien, werd het behendiglijk afgekeerd door de scherpe stalen kling die hem zelf wonde bij wonde toebracht.

Op dit tegenschrift is door Filips niet geantwoord, dan door de pistool van Balthasar Gerards!

Sommige geschiedschrijvers beweren dat Marnix, na het lezen der verantwoording, zou hebben uitgeroepen: »Nu is de Prins een lijk”!

Meenen zij dan dat de schrijver van de Bijenkorf het zachter en voorzichtiger zou hebben opgenomen tegen den »appistischen despoot”?

Zoo de boezemvriend van Oranje zich werkelijk deze hartstochtelijke uitdrukking heeft laten ontvallen, getroffen door de scherpte en de juistheid van den terugslag, overtuigd dat niets zoo diep krenkt als de waarheid, dan kan het toch nooit zijne bedoeling zijn geweest, de Villiers verantwoordelijk te stellen voor de gevolgen die hij van het tegenschrift voorzag.

En al had die opvatting een oogenblik bij Marnix kunnen opkomen, bij nader inzicht had zij moeten wijken voor de overweging, dat immers reeds de ban den Prins aan de dolken en moordtuigen van geestdrijvers en hebzuchtigen aanwees, door den prijs op zijn voorhoofd gesteld, en dat er geen verweerschrift hoe scherp ook meer noodig was om den haat van des Konings vrienden tegen Oranje aan te vuren. Daarbij, zoo ’t wezen kon dat niet de ban, maar de verantwoording het gevaar voor des Prinsen leven daarstelde, dan kan men toch de Villiers met weinig moeite vrijpleiten van dat te hebben veroorzaakt. Zeker aan niemand beter dan aan hem, die geacht werd de vertrouwde te zijn van ’s Prinsen innigste gedachten, die als één geest met hem was, kon de taak worden toevertrouwd om in klare en krachtige taal uit te drukken wat Oranje noodig achtte te antwoorden op de aantijgingen des Konings, en het bleek dat de groote Zwijger, als hij eens het woord nam, heel wat tegen Filips op het hart had, maar het is ook zeker dat hij zijn woordvoerder niet zou hebben toegelaten iets meer of iets anders neer te schrijven, dan hij zelf na rijp beraad oordeelde dat gezegd moest zijn. Ongetwijfeld is ieder punt der repliek tusschen beiden overwogen en vastgesteld, toen de geheimraad er den vorm aan gaf; en zoo de Prins, anders zoo bedachtzaam, in dezen achteloos met zijn leven heeft gespeeld, dan is het feit dat het stuk eerst den Algemeenen Staten is voorgelegd en door dezen werd goedgekeurd, toch het bewijs dat ook dezen de noodzakelijkheid van zóó en niet anders te spreken hebben ingezien, en dezen er zeker geen erger gevolgen voor Oranje in hebben gezien, dan die er toch reeds van den ban waren te wachten. En wat den Prins zelf betreft, al zag hij vooruit dat het hem geen goed kon doen. zoo hij Filips de waarheid zeide ten aanhoore der gansche christenwereld, hij wist ook dat hij zijn eer had te handhaven, al bracht dit lijf en goed in gevaar; hij had beide sinds lang als ten offer gegeven. »Ik ben in de hand van God, mijn wereldsch goed en mijn leven beide zijn sinds lang opgedragen aan Hem en Zijn dienst. Hij zal er over beschikken als meest strekken kan tot Zijne glorie en mijn zielsbehoud”, had hij met diepen ernst en met christelijke gelatenheid gesproken, toen hij van het banvonnis kennis had genomen.

Daarbij, ’s lands belang eischte het, dat de breuk met Filips ruchtbaar evenzeer als onheelbaar werd ten aanschouwe van heel de christenheid, opdat het verbond dat men hoopte te sluiten met Frankrijk er te vaster en zekerder door tot stand zou komen. De hertog van Alençon, wien men tot Eminent Hoofd had verkozen (al was het niet met algemeene stemmen), moest weten waarop hij rekenen kon als hij het bewind over de Nederlanden aanvaardde. De Villiers zag heil in het Fransche bondgenootschap en de Prins deelde zijne inzichten geheel. Het is dus niet onwaarschijnlijk, dat ook om die reden de repliek tegen Filips den bondgenoot van de Ligue, zoo snijdend scherp is uitgevallen, en dat de fijne ironie die er in spreekt tegenover Granvelle, van den Franschen geest des stellers getuigt, die zoozeer werd gewaardeerd door Willem zelf. Het stuk, hoewel in de Fransche taal gesteld, werd overgebracht in het Latijn en in het Nederduitsch, en voorts in ieders eigen taal toegezonden aan de verschillende mogendheden die stem hadden in het kapittel der Europeesche staatszaken.

Elisabeth zal er maar matig mede ingenomen zijn geweest en zich gewacht hebben er openlijk hare goedkeuring aan te hechten; zij zag veel te veel op tegen een oorlog met Spanje, om zoo ondubbelzinnig partij te kiezen; in hare buitenlandsche politiek hield zij van halve maatregelen, en zij nam het Willem van Oranje in haar for interieur kwalijk, dat hij zoo zijne schepen had verbrand om den terugkeer tot den koning van Spanje onmogelijk te maken. Daarenboven bleef het voor haar geen geheim wie de steller was van het vermaarde stuk, en de Villiers was gansch niet haar gunsteling, om redenen waarop wij later zullen wijzen. Maar al wat in Frankrijk tegen den Spaanschen despoot en zijne heimelijke yerbintenis met de Fransche Ligueurs was gekeerd, bleek er mee ingenomen, en Alençon gaf de verzekering van zijne spoedige overkomst. De Staten kenden Willem van Oranje eene versterking zijner lijfwacht toe, alsof dat baten kon tegen sluipmoord! Maar zij van hun kant deden in dezen wat zij konden. De Villiers werd alom bekend en vermaard als de steller van het belangrijke stuk dat de breuk tusschen Filips en Oranje onheelbaar maakte, en het volk dat mee begrepen was in den ban, in zoover ’s Konings hoogste toorn en straffe bedreigd werd tegen elk die binnen eene maand zich niet afkeerde van den Prins van Oranje — het volk zette het zegel op de verantwoording en gaf antwoord op den ban, door in 1581 den Koning af te zweren, die door het verweerschrift was aangewezen als den eedschendigen overtreder van macht en gezag, als den onzedelijke in handel en wandel, wiens drukkende hand het loodzwaar had gevoeld, wiens keten het zich nu gerechtigd achtte af te schudden.

Zoomin als voorheen de komst van aartshertog Matthias, bracht de aanwezigheid van Anjou (*) goede vruchten voor het Nederlandsche volk. De lichtzinnige, onbehaaglijke, heerschzuchtige Fransche prins getroostte zich niet, als de zoon van Oostenrijk, den naam te dragen van Eminent Hoofd, zonder in werkelijkheid iets meer te zijn dan het cheval de bataille, dat Oranje voorop zette, en de ledepop, waarvan de Algemeene Staten verwachtten dat zij zelven de faits et gestes zouden regelen. Hoe men ook het gebrek aan werkelijk gezag voor hem trachtte te vermommen onder den schijn van groote woorden en eerbiedige hulde, d e jeugdige hertog van Alençon was slim genoeg om zijn waren toestand te beseffen, heerschzuchtig genoeg om dien onverdragelijk te vinden, en roekeloos genoeg om er door list, met geweld gepaard, een eind aan te willen maken. Zijn aanslag op Antwerpen, dien hij beraamde en uitvoerde, maar die toch mislukte, bewijst zijn ongeduld om meester te zijn waar hij opperhoofd heette, maar verwekte bij het Vlaamsche en Nederlandsche volk een ongeneeslijken afkeer tegen hem zelven, en een grenzenloos wantrouwen tegen vreemde, bovenal tegen Fransche hulp.

Toch bleef Oranje met Marnix en de Villiers hechten aan het Fransche bondgenootschap, en vast gelooven dat hier de eenige weg was van behoud, zoo men zich niet met den koning van Spanje wilde verzoenen, wat niemand wilde, hoe ook Parma lokte en loofde. Oranje stelde zich bemiddelaar tusschen Alençon en de Staten, trachtte delen over te halen zijne daad als eene jeugdige onbezonnenheid op te vatten, zijn berouw, zijne verontschuldigingen aan te nemen en opnieuw de proef te wagen met den zoon van Catharina de Médicis! terwijl hij de herhaaldelijk aangeboden stelling van Eminent Hoofd voor zich zel ven met vastheid bleef afwijzen. Dit wekte verslagenheid en teleurstelling bij de Staten, dit ontzette en verbijsterde het volk, door de toespraken der heftige Calvinistische predikers opgehitst, die openlijk verkondigden, dat Oranje, die tot het Fransche bondgenootschap had geraden, die nog aan Anjou bleef vasthouden ondanks diens verraderlijken aanslag, zelf niet meer te vertrouwen was, zelf het land aan Frankrijk wilde verkonkelen; dat hij niet zuiver was in de religie; dat hij niet achtte op de belangen der ware Gereformeerde Kerk, en meer aantijgingen van gelijk gehalte, die de wijze en voorzichtige Prins, zich bewust dat hij geen van die verwijten had verdiend, en niets wenschte noch beoogde dan de redding van den jongen Staat uit de allerhachelijkste stelling, met een schouderophalen van minachting kon beantwoorden. Maar daarmee was de laster niet gestild, noch het vertrouwen herwonnen.

Marnix en vooral de Villiers moesten deelen in de verdenking, in het wantrouwen dat er tegen den Prins was gerezen. Men duidde hen van den kansel aan als de verkeerde raadgevers des Prinsen, die het land ten verderve brachten.

En toen nu Oranje, die zich in ’t eerst niet had willen uitspreken over het hernieuwen of afbreken van het verbond met Frankrijk, door de magistraat van Antwerpen, waar hij destijds verblijf hield, geprest werd zich te verklaren, en zijn advies te geven, en het weer de pen was van de Villiers, die hij gebruikte om zijn vertoog te stellen, dat gunstig luidde voor het hervatten van de onderhandelingen met den zoon van Frankrijk, die te Cambray met alle geduld op de beslissing der Staten bleef wachten toen dat advies in de magistraat als in de vergadering der Algemeene Staten verdeeldheid wekte, verbittering en tegenstand ter eener, toejuiching en instemming ter andere zijde, bleef het ook niet geheim wie hier de pen had gevoerd. De argwaan ging zelfs verder, en wees den geheimraad aan als den man, die den verderfelijken raad had ingegeven; alsof Oranje de man was om tegen eigen opinie in, zich het gevoelen van anderen, ook van den meest vertrouwden raadsman, te laten opdringen! Maar de partijhaat weet niet te zien, al blinkt de waarheid zonneklaar. De Villiers werd openlijk beschuldigd, als te staan in de soldij van Anjou, hoewel hij een sprekend bewijs had geleverd van zijne onafhankelijkheid, daar hij het geweest was, die iets van des Hertogs roekelooze plannen had doorzien, die er op gewezen had, en dus tot de mislukking er van had medegewerkt! Maar niets hielp tegen het blinde vooroordeel, nog aangezet door onvoorzichtige partijgangers, die voor de religie meenden te strijden door de hartstochten van het volk aan te vuren.

Met eene zinspeling op zijn naam (l’Oyseleur) werd hij de vogelaar genoemd die door mooi fluiten de menigte dacht te verlokken en in den strik te krijgen, en Oranje zelf uitgekreten als zijn medeplichtige.

«Zet ze niet in eene kooi die beiden!” waarschuwden ruwe stemmen uit de volksklasse, op de straten van Antwerpen, door geestdrijvende en woelzieke predikers tot waanzin opgezweept, »zet ze niet in eene kooi die vogelaars, want ze zouden het met mooi fluiten winnen, maar plakt ze achter vier muren, waar niemand hunne verlokkende tonen kan hooren!”

Dus ter prooi aan bespotting en beschimping, nauwelijks veilig tegen aanranding van zijn persoon, na zulke uitingen van de volkswoede verliet Oranje Antwerpen, en trok naar Zeeland, de Villiers met zich voerende en Marnix achterlatende, die zich opofferde om onder deze hachelijke omstandigheden als burgemeester van Antwerpen op te treden.

Het is bekend hoe zwaar hem die taak werd gemaakt, hoe weinig voldoening hij er van had; hoe hij er bijkans zijne eer bij inschoot toen Parma het beleg om de stad sloeg, toen hij. noch door tijdige hulp, noch door hoop op ontzet gesteund, gansch ontmoedigd onder het verpletterend bericht van Oranje’s plotselingen dood, toch eerst na de uiterste krachtsinspanning, met den belegeraar tot een verdrag kwam, maar de belangrijke Vlaamsche handelsstad in Parma’s handen moest overleveren, daar alle kans op behoud voor hem was afgesneden…

Wij schrijven niet de geschiedenis van het toenmalige tijdperk, wij schetsen slechts de Villiers in zijn belangrijken werkkring bij den Prins. Hij was het die dezen in 1582 met troost en geestelijken raad had bijgestaan, toen de aanslag van Jaureguy bijkans den wensch van Filips II had vervuld, en Oranje, zwaar gewond, doodelijk zwak, en in levensgevaar verkeerend, op het krankenleger lag uitgestrekt, met volle bewustheid echter den terugblik richtend op het verledene, met gelijke helderheid op de toekomst, en hij zijn vriend en hofprediker den vertrouwde maakte van zijne smart en rouw over zooveel vergoten bloed als de vrijheidsoorlog reeds had gekost, waarvan hij als hoofd en leider rekenschap zou moeten geven. De Villiers moest hem voorhouden hoe een rechtvaardige weerstand uit noodzakelijkheid, aangegrepen om rechtvaardige en Godewaardige oorzaak, te onderscheiden was van oorlog voeren uit heersch- of veroveringszucht, en hoezeer de lijder blijk had gegeven van die laatste verre en vreemd te zijn; maar de vorstelijke boeteling was er verre af deze verzachtende voorstelling aan te nemen. »Ik neem mijn toevlucht tot de barmhartigheid Gods; alleen in Gods ontferming zoek ik mijn heil!” voegde hij hem toe, en de ernstige raadsman, zelf een ootmoedig christen, zal hem wel in dat zuiver christelijk beginsel versterkt hebben. Hij zal ook niet vreemd zijn geweest aan die ruime vergevensgezindheid jegens zijne aanranders, die Willem I steeds liet blijken. Voor den moordenaar smeekte hij, zoo ras hij besefte wat hem geschied was: »doodt hem niet, doodt hem niet, ik vergeef hem mijn dood!” Maar reeds hadden verwoede hellebaardiers van de lijfwacht in overijling wraak geoefend over den schuldige, en het bevel kwam te laat.

Welhaast vernemende dat er medeplichtigen waren ontdekt en gevat, wendde hij zich door tusschenkomst van Marnix tot den magistraat van Antwerpen, met de bede om gratie, of zoo die niet kon geschonken worden ter wille van ’t exempel, dat men dan te zijner liefde zich bepalen wilde tot een snellen en korten dood, niet verzwaard door pijnigingen, zooals in den regel bij zulke aanleiding geschiedde. Die voorspraak was beslissend; Anastro en Timmermans werden geworgd eer de vreeselijke strafoefening aan hen voltrokken werd, die over hen was uitgesproken.

Charlotte de Bourbon, tijdens den moordaanslag Willem’s levensgezellin en, om de zes dochters die zij hem slag op slag had geschonken, »l’abbesse féconde” genoemd, week in die moeielijke dagen niet van zijn ziekbed en de Villiers, haar landgenoot, haar religieverwant, stond haar trouwen krachtig ter zijde. Zij bleef zich staande houden tot haar gemaal geheel hersteld, reeds ter kerke was opgegaan om, ten overstaan der gemeente, den Heer te danken voor zijne redding, zijne herstelling. Doch weinige dagen daarna lag zij zelve op het krankbed, dat haar sterfbed zou zijn. Zeker had zij, die een zoo bemind echtgenoot en zes jeugdige dochters moest achterlaten, al den troost van den godsdienst noodig, om met onderwerping aan ’s Heeren wil die scheiding voor oog en te zien. De Villiers was het, die haar niet minder als vriend dan als evangeliedienaar in dezen zwaren kamp bijstond en die getracht heeft de smart des Prinsen te verlichten door deelneming. Aanvankelijk slaagde hij daarin niet. De Prins was zoo diep getroffen over het verlies van zijne geliefde Charlotte, dat men eene instorting vreesde voor den pas herstelde; maar zijn krachtig gestel, zijn tot berusting en gelatenheid gestemd gemoed, zegevierde ook ditmaal over zijne hartstochtelijke droefheid, en welhaast, toen die wond tot een litteeken was geworden, zag hij uit naar eene, die de ledige plaats in zijn hart, in zijn huis kon aanvullen. Willem van Oranje kon niet zonder vrouw; huiselijk geluk, een gezellige disch, waarbij eene lieftallige gade voorzat, die lief en leed met hem wilde deelen, was hem eene behoefte, ook al gaf het velen ergernis, dat de man, die zich op zoo menig punt wist te verloochenen, in dagen vol zorg en beroering als die van de jaren 1582 en. ’83, aan zich zelven dacht, en nog eene vierde vrouw aan zijn lot wilde verbinden. In 1583 werden er onderhandelingen aangeknoopt in Frankrijk, die slaagden en tot uitkomst hadden zijn huwelijk met Louise de Coligny, de aanminnige, nog jeugdige weduwe van Téigny, de dochter van Caspar de Coligny.

Dat de Prins op dit tijdstip eene gemalin zocht aan Fransche zijde, juist eene, verwant aan de hoofden der Hugenooten, werd hem door heethoofdige predikanten, die reeds Engelschgezind bleken en door het volk, dat Anjou haatte en wantrouwde en ’t Fransche bondgenootschap verwenschte zeer euvel geduid, en scheen geene daad van goede staatkunde. Bilderdijk zegt dat de huwelijken van den overigens zoo schranderen en welwikkenden Prins zijne onverstandigste handelingen zijn geweest. Het pleit ten minste voor zijn hart, dat hij zich bij den innigsten band van zijn bijzonder leven niet liet beheerschen door eer- of staatszucht. Maar was het dan zoo onpolitiek, uit zijn oogpunt gezien — hij, die veel meer heil wachtte van het Fransche dan van het Engelsche bondgenootschap — om zich nauw te vereenigen met de Fransche Hugenooten, die met Spanje en de Ligueurs in openbaren oorlog waren, en op een oogenblik, waarin men opnieuw onderhandelde over den terugkeer van Anjou, zich te sterken door de verwantschap met de Condés, met de Chatillons, de Turennes, met die van Hendrik van Navarre zelf, op wien men alle recht had voor de toekomst groote verwachtingen te bouwen?

Wie de onderhandelingen leidde, waarvan het huwelijk met mevrouw de Téigny de uitkomst was, is onzeker; maar niet twijfelachtig is het, dat de Villiers er mede de band in had; het is zelfs niet onmogelijk dat hij, die zoo innig met ’s Prinsen geheimste wenschen en gedachten vertrouwd was, zijn verlangen om te hertrouwen doorziende en wetende hoezeer Anna van Saxen Oranje van een Duitsche huwelijksverbintenis afkeerig had gemaakt, op de dochter van Coligny zijne aandacht heeft gevestigd, hij die voortdurend tot de Fransche alliantie bleef raden, die de beminnenswaardige weduwe als meisje in het huis haars vaders had gekend, haar zeker door al hare treurige lotwisselingen heen in het oog had gehouden; hare ballingschap, hare omzwervingen in Zwitserland; en die wist van welk een vromen, zachtmoedigen geest zij was, en hoe zij eene waardige gemalin zou kunnen zijn voor een Oranje, die niet slechts vrouwelijke deugd, maar ook vrouwelijk vernuft en gracie wist te waardeeren, ja behoefte had aan levendigheid en gezelligheid in den huiselijken omgang. Juist deze had hem in de stuursche en onhandelbare Anna van Saxen ontbroken. Maar Charlotte de Bourbon had ze hem gegeven en de Villiers wist dat hij ook in Louise de Coligny zou vinden wat hij zocht.

Al hebben wij hier geen vasten historischen grond onder de voeten, toch zijn wij gerechtigd tot de onderstelling, dat Louise de Coligny van hare zijde ook een goed geheugen heeft gehouden van de Villiers, daar ook du PIessis de Mornay, haar vaderlijke vriend, dezen hoog waardeerde, en dat zij de overtuiging had in hem niet slechts een bonden geloofsgenoot, maar een vriend en een steun te vinden aan het hof van haar nieuwen gemaal. Dat die haar noodig was, is bijkans overbodig te zeggen. Haar huwelijk, hare komst te Antwerpen, gaf als den laatsten stoot aan de wankelende volksgunst van haar echtgenoot. Dat zij deelde in de vijandschap, die zich sinds het verraad van Anjou op al wat Fransch was had gevestigd, behoeft nauwelijks vermelding. De heftige Calvinistische predikanten schimpten tegen haar en hitsten het volk tegen haar op, nog eer zij een voet in Holland had gezet. Hoe liefelijk hare verschijning ook ware, hoezeer zij haar best deed zich door innemende vriendelijkheid aangenaam te maken — het vooroordeel des volks en van den Vlaamschen adel was sterker dan alles; zij was de vreemdelInge, de Fransche vrouw. In later tijd zou zij zelfs de Arminiaansche hoere worden gescholden. Ook bij de Duitsche en Vlaamsche omgeving des Prinsen, die òf geen huwelijk òf eene Duitsche prinses hadden gewild, verwierf zij vooreerst geene sympathie; zij van hare zijde .kon zich niet goed gewennen aan hun toon en manieren. De hofprediker en geheimraad daarentegen vereenigde juist alles in zich, wat hem kon aanbevelen, en welgevallig maken in de oogen der jonge vrouw. Zijn tact, zijne beschaving, zijne fijne vormen, zijn echt Fransche geest, die vroomheid zonder stroeven ernst, die mildheid die geen vastheid buitensloot, dit alles droeg voor haar de kleur van haar vaderland, en als een geur van liefelijke herinneringen verkwikte haar bij het vertrouwelijk onderhoud met den man, dien zij als kind in het huis haars vaders had gekend en had leeren achten. Zij had hem het Evangelie hooren verkondigen aan het hof der koningin van Navarre, zij wist hoe hij gestreden en geleden had voor de goede zaak, en als de woelige drinkgelagen van de Duitsche verwanten en hofbeambten des Prinsen haar afkeer imboezemden, dan wist zij tot wien zich te wenden om haren geest te verfrisschen aan reiner bron. Ook toen Oranje zich verplicht zag Antwerpen te verlaten, omdat hij de onwaardige bejegeningen hemzelven en zijne gemalin aangedaan, niet langer kon, niet langer mocht verdragen, vernam zij met stille blijdschap dat de Villiers behoorde tot de uitverkorenen die haar gemaal naar Zeeland zouden vergezellen.

De Prins had steeds kennelijke voorliefde getoond voor Zeeland en de Zeeuwen, en dezen van hunne zijde waren hem zeer genegen. Houw en trouw, in volle waarheid. Met hem wilden zij worstelen en het hoofd boven houden. Het had aan hen niet gelegen dat Willem van Oranje niet reeds lang tot Eminent Hoofd van de Unie was benoemd. Dat er een Matthias, een Anjou in naam en rang boven hem moest verheven worden, had hun ergernis gegeven. Al hadden zij zich ook mee in die noodwendigheid geschikt, zij zagen reikhalzend uit naar de gewenschte stonde, waarop hij onder grafelijken of anderen titel het souverein gezag zou voeren over al de provinciën van de Unie. Men weet dat het daartoe niet gekomen is, dat de dood verhinderend tusschenbeide trad, toen er bijkans niets meer haperde aan de vervulling van dien wensch. Intusschen was de Prins Heer van Vlissingen geworden en Markgraaf van Veere door aankoop, daar de goederen van Maximiliaan van Bourgondië met diens heerlijke rechten voor schuld werden geveild en door Oranje met geldelijken bijstand der Staten werden gekocht. Daar beide toenmaals belangrijke havenplaatsen tegelijk stemgerechtigde steden waren, vermeerderde Willem’s invloed in de provincie; ook werd hij Eerste Edele van Zeeland, een titel die erfelijk bleef in zijn geslacht.

De heerlijkheid van Domburg was ook reeds in zijn bezit gekomen, en waarlijk deze vergoeding mocht men hem wel gunnen voor het verlies der goederen van Breda en in Brabant. van Bourgondië en van zijn prinsdom Oranje, die allen in de macht der Spanjaarden waren geraakt en vooreerst voor hem en de zijnen verloren schenen.

Te Vlissingen bewoonde de Prins met zijn hofgezin het huis, dat van oudsher den Heeren der stad had toebehoord, doch in 1582 besloot hij deze woning te laten vernieuwen of verbouwen, met het oog op zijne gemalin Charlotte, die hij in Zeeland eene vaste wijkplaats wenschte te bereiden. Hij gebruikte voor deze stichting de steenen door Alba bijeengebracht om Vlissingen van vestingwallen te voorzien. De eerste steen er van werd gelegd op 24 Maart 1582 door Alexander de Hautain, toen gouverneur van Vlissingen. Het stond aan de zuidoostzijde der stad, was een ruim en gemakkelijk gebouw, van groote zalen, statige vertrekken en gewelfde kelders voorzien, aan de voorzijde met een overdekt bordes, waarvan de kap op twee steenen kolommen rustte; een koetshuis en paardenstal ontbraken er niet, zoomin als een tuin of park. (*) Het werd het Prinsenhuis genoemd, ofschoon de Pr;ns zelf er wel niet toe gekomen zal zijn het te bewonen, daar hij naar Delft vertrok eer het voltooid was, maar naar zijne bedoeling heeft zijne weduwe er haar genot van gehad. Het kan geen toeval zijn dat, terwijl de Prins zijn invloed en zijne bezittingen in Zeeland trachtte te vermeerderen, ook zijne beide trouwe vrienden en raadslieden zich daar rechten en woonsteden verzekerden. Marnix van St. Aldegonde kocht West-Souburg en de Villiers we’rd eigenaar van Westhoven, in hetzelfde jaar dat de Prins Heer werd van de Zeeuwsche heerlijkheden. Beiden kenden zeker de intentiën van hun vriend en meester om er heen te wijken, als, uit welke oorzaak ook, het langer oponthoud in Vlaanderen voor hem minder wenschelijk bleek.

Beiden hoopten hier ook de rust te vinden, die ze zoo zuur hadden verdiend. Voor Marnix brak die vo::Jreerst nog niet aan. daar hem reeds in ’83 zijn post in Antwerpen werd aangewezen. Ook voor de Villiers kon er geen sprake zijn het kasteel terstond na den aankoop te bewonen: al had zijn ambt hem niet bij den Prins te Delft gehouden, het oude lustslot was vooreerst niet bewoonbaar. Na den brand en de verwoesting er door de bende van Berthold Entes aangericht, was het in zoodanigen ontredderden staat, dat er vrij wat te herstellen en op te knappen viel, eer een talrijk en deftig gezin er huisvesting kon vinden, en de Fransche edelman, als banneling buitenslands levende, zal wel geene inkomsten hebben getrokken van zijne bezittingen rn Frankrijk. Het kan zelfs bevreemding wekken dat hij zooveel geld te zijner beschikking had om het omvangrijke kasteel te kunnen koopen; zijn meester zelf, na de groote verliezen door hem geleden, worstelde nog steeds met geldgebrek; hij zal dus geen schitterend inkomen genoten hebben. Als hofprediker te Antwerpen zal hij bezoldiging hebben genoten — al was het geene ruime, — maar zijn ambt als geheimraad bij den Prins zal hij zeker het meest als eerepost hebben bediend. Daarom kan het zijn dat de Prins te zijnen behoeve tusschenbeide is gekomen, toen Westhoven zou worden aangekocht. Bij den verkoop van aan den Staat geraakte goederen gebeurde het niet zelden dat krijgsoversten of landsambtenaren met dezen werden betaald voor achterstallige jaargelden. Iets dergelijks kan hier ook hebben plaats gevonden.

De Prins, toen hij zelf vasten voet in Zeeland verkreeg, wilde voorzeker dat ook zijn vriend en raadsman er een geschikt verblijf zoude vinden met de zijnen, en op dit punt liet Westhoven niets te wenschen over; hoe ontredderd ook, het was ruim, al te ruim, voor wie er geene hofhouding op nahield.

In den staat waartoe het gebracht was, toen de Villiers er eigenaar van werd, zal het ook geene groote geldelijke waarde gehad hebben. Bosschen, landerijen, en wat verder tot het landgoed behoorde, wat konden ze gelden te dier tijde, op het eiland Walcheren, zoo dicht bij het tooneel des oorlogs gelegen en van alle zijden blootstaande aan een inval van den vijand! Het is zelfs wel mogelijk dat de Villiers niet eens de hulp van den Prins of van de Staten heeft behoeven in te roepen om de koopsom bijeen te krijgen. Hij had zijn vrijen tijd altijd vlijtig gebruikt, en op eene wijze die gansch niet onvruchtbaar was voor zich en de zijnen. Het schrijven van theologische en andere geleerde werken werd destijds goed beloond, en de zijne, hetzij in ’t Latijn, hetzij in het Fransch uitgegeven, gingen verder dan de enge grenzen van de Geuniëerde Provinciën waar hij ze schreef. In Zwitserland, waar hij er den naam van Beza aan verbond; in Engeland, waar hij ze aan lord Huntingdon opdroeg; in Frankrijk waar er de aan. dacht op gevestigd werd door al wat onder de Hugenooten aan predikers, geleerden, en voorstanders van theologie en bijbelkennis mocht gevonden worden. Zelfs de tegenstanders moesten kennis nemen van zijne geschriften, ware het alleen om er tegen te schrijven. Want had de persoon van de Villiers zijne beteekenis in zijne betrekking tot den Prins van Oranje, geen mindere had zijne pen zich veroverd in de geletterde wereld op rechtskundig en godgeleerd gebied.

Vermoedelijk was, in ’t begin van Mei ’83, toen de Villiers met den Prins naar Zeeland kwam, een deel van Westhoven reeds weer bewoonbaar gemaakt, en kon het gezin van den eigenaar er voor goed huisvesting vinden, al moest welhaast de heer des huizes met zijn vorstelijken meester afreizen, die nu Delft tot zijne residentie koos, hoewel hij die stad niet zelden verliet, om Amsterdam, Utrecht en andere voorname steden van de Unie te bezoeken, als ’s lands belangen het vorderden. Op zulke tochten vergezelde zijne gemalin hem niet; zij was nu eenmaal niet populair, zij voelde zich weinig aangetrokken door een volk, dat tegen haar gestemd was op den naam af. Daarbij, zij leefde in de zoete moederlijke verwachting, en de meeste rust, al was het ook in de sombere Delftsche kloosterwoning, scheen haar wenschelijk. Dat de Villiers in zulke tijden haar nabij bleef, en geen gezelschap haar zoo waard kon zijn als juist het zijne, spreekt wel vanzelf. Niet slechts voor het Hemelsche, maar ook voor het aardsche vaderland hadden zij één geloof, ééne hoop, één troost met elkaar gemeen. Dit gold niet slechts van de geloofshelden en voorstanders, die reeds gesneuveld waren, of nog streden voor de groote zaak, maar bovenal van den eenen, op wien beider oog steeds gevestigd was, als op den uitverkoren held, bestemd om eenmaal te zegevieren over al het kwaad door de Médicis en hare zonen in Frankrijk gesticht, en geroepen om orde, vrede en vrijheid van godsdienst te doen heerschen: den Bearnees, den jongen koning van Navarre, die goede kansen had om eenmaal koning van Frankrijk te worden. Deze vorst kende en waardeerde zijnerzijds de Villiers, en had dezen, toen hij nog in Engeland verblijf hield, voorgesteld in zijn dienst te treden, maar ondanks zijne vurige liefde voor Frankrijk had de Villiers dit voorstel afgewezen, omdat eene roepstem tot hem gekomen was waaraan hij liever gehoor gaf.

Willem van Oranje ging bij den schranderen en ernstigen man vóór, en diens zaak tot zijne zaak te maken scheen hem het hoogste. Maar dat belette hem niet om ook in den zoon van Jeanne d’Albret de hoop te zien van de Hugenootsche partij in Frankrijk en de beste verwachtingen van hem te koesteren, die de dochter van den admiraal de Coligny ten volle met hem deelde. Eer zij de gemalin werd van de Téigny, was Hendrik haar speelmakker geweest, en nu zij de gade was van Willem van Oranje, was haar hoop voor de toekomst van het land waarin zij ter liefde van haar gemaal belang stelde, ook op dien jongen held gevestigd. Boven alles trokken hare wenschen en verwachtingen steeds naar deze zijde heen. Zonder zich met de staatkunde te bemoeien, behoorde een nauw bondgenootschap met Frankrijk en haar echtgenoot in vereeniging met Hendrik van Navarre zegevierend over de Ligue en de Spaansche geweldenarij, tot hare liefste illusiën, die de Villiers zich wel wachtte te verstoren, al achtte hij hare verwezenlijking nog niet nabij. Hendrik van Navarre zelf stelde zich van de verbintenis zijner beminnelijke landgenoote met den prins van Oranje veel goeds voor: hij noemde die eene heugelijke gebeurtenis, welke voor de zaak der religie en de verbroedering der Fransche en Nederlandsche protestanten voordeel beloofde; maar zoowel de uitzichten in de toekomst als de zoete herinneringen van het verleden moesten welhaast wijken voor de werkelijkheid, eene verblijdende werkelijkheid: de geboorte van een kind, den afgebeden zoon, naar Hendrik van Navarre en den koning van Denemarken Frederik II, Frederik Hendrik genaamd. Zoo Willem van Oranje zich had voorgesteld dat deze gebeurtenis de jeugdige moeder in de volksgunst zou doen rijzen, waar deze hem zelven dubbel dierbaar was geworden, had hij zich vergist. De doop van het kind gaf helaas stof tot ergernissen, die niet waren te voorzien geweest en, zelfs zoo die voorzien waren, moeielijk te voorkomen.

Fredtrik Hendrik werd den 12den Juni 1584 gedoopt te Delft in de Oude kerk, zooals bij de Hervormden gebruikelijk was, ten overstaan van de gemeente en na een kort sermoen, dat later gedrukt verscheen (vermoedelijk door dominus Arnoldus Cornelisz, Delvenaar van geboorte, uitgesproken). De Delftsche magistraat had zich aangeboden als doopgetuige over dat prinselijk kind, en de beide peters, de koningen van Denemarken en Navarre, hadden gezanten afgevaardigd om zich te doen vertegenwoordigen. Was het wonder dat deze doopsbediening met buitengewone statelijkheid gepaard ging, dat edellieden, kamerheeren het doopbekken hielden, dat lieden van rang de vaas met het water aanbrachten, dat er een stoet van heeren en vrouwen, zoowel verwanten van het vorstelijk gezin als uit hun hofkring, mee ten tempel opgingen in hun sierlijksten dos van zijde en fluweel, van pluimen en goud-kant, van borduursel en gesteenten kwistig voorzien? Was het wonder dat daarna een plechtig en prachtig doopmaal den hoogen genoodigden, den peters, den getuigen werd aangeboden, en dat het daarbij gul en ruim, tot verkwistens toe, toeging; dat er suikergebak en marsepain als ten vensters werd uitgestrooid; dat er stroomen zoeten Spaanschen wijn, Rijnschen bleeker en kostelijken Franschen werden uitgegoten, en dat er niet slechts vroolijkheid, maar zelfs uitbundigheid en zwelgerij uit volgde? De blijdschap der ouders had zich mogelijk liever op andere wijze uitgedrukt, maar de zeden van het land en van het tijdperk eischten deze praal en deze overdaad. De Prins, zijne verwanten en geheel zijn hofkring, zoomin als de Delftsche magistraat, hadden er afkeer van; de moeder alleen en Willem’s Fransche hofprediker waren met zulke feestmalen zeer weinig ingenomen. Toch werd door de strenge Calvinisten en hunne woordvoerders, toch werd door het anti-Franschgezinde volk juist aan dezen die somptueuse feestviering toegeschreven en dientengevolge veroordeeld; vooreerst niet met name of persoonlijk, maar met toespelingen van den kansel, op vreemde weelde en verkwistende zeden en gewoonten in een tijd dat het volk doodarm was, de adel diep in schulden zat en nering en hanteering kwijnden door den oorlog; en dit alles kwam door de Française, alsof juist niet in Holland of Duitschland, meer dan in ’t Hugenootschgezinde Frankrijk woeste en ruwe zwelgpartijen bij feestelijke gelegenheden aan de orde waren. Maar bekamp eens de macht van het vooroordeel, als het willens blind is en voor alle redeneering doof? De doop van Frederik Hendrik was de steen des aanstoots waarop men zijne wapenen sleep, als men de moeder wilde treffen

De vreugde over het bezit van een zoon was voor Louise de Coligny van korten duur; reeds genoot zij die niet onvermengd, want de angsten en zorgen, die het hart eener gade en moeder beroeren, waar zij een prijs op het hoofd van haar gemaal ziet gesteld, een prijs groot genoeg om de hebzucht te verlokken, bezielde in dubbele mate haar, die reeds een vader en een echtgenoot door moordenaarshand had zien vallen en die wist wat partijdrift te beteekenen had. Filips had die nog verscherpt door den gouddorst op te wekken en zijne schatten te doen flikkeren

Hoe moest zij niet beven voor dat dierbaar hoofd, haar nog kostelijker om haars zoons wille. Vijfmalen reeds waren aanslagen op zijn leven beproefd doch mislukt, en de Prins bleef moedig, zorgeloos bijkans, zich overal begeven waar de plicht hem riep, midden onder ’t volk, tusschen vreemden en vrienden in, zich toegankelijk stellende voor iedereen, die gehoor verlangde of een smeekschrift had aan te bieden. Zelfs het bloedige verraad van een Jaureguy had hem van die gewoonte, om zoo licht toegankelijk te zijn, niet genezen. Wie waarborgde haar dat niet een tweede booswicht of geestdrijver zijn geluk zou beproeven en slagen? Oranje had zijn leven gesteld in de hand van God. Was het zeker dat zijn Abrahams-offer niet zou worden aangenomen?

Kan men zich eene vrouw denken, die het leven vroolijk en onbekommerd zou genieten, met zulk een vraag in het harte? En zoo zij bestaanbaar is, Louise de Coligny was zeker die vrouw niet. Haar had het leven reeds vroeg te veel smart, te veel beproevingen opgelegd, om niet den ernst des levens gevat te hebben, schoon nog op jeugdigen leeftijd. Zij — zij had al de kracht van haar geloof, al de overgave van het oprecht Godsvertrouwen noodig, om met dien angel in de borst haar echtgenoot rustig zijns weegs te zien gaan, waar hij zich van haar verwijderen moest om andere steden, andere provinciën te gaan bezoeken, en kalm en opgewekt aan zijne zijde te staan, waar hij tot haar weerkeerde.

Wat een vriend als de Villiers in zulke dagen voor haar moet geweest zijn, kan men zich denken, al vindt men zijn naam niet aangeteekend op dit tijd punt als haar raadsman en trooster. De diensten in de stille binnenkamer verleend aan eene bekommerde vorstin in haar strijd tegen de angsten en de zorgen van den dag, behooren niet tot het gebied der historie; toch kan men zijn invloed waarnemen, als men lust en zin heeft voor zulk onderzoek, en de man tot wien zich zelfs eens Johan van Nassau wendde, als het teere geloofs- of gewetensquaestiën betrof, zal de vrouw, die zich eenzaam en verlaten voelde te midden van een woelig en bont hofgezin, door zijne krachtige toespraak en zijn vast geloof, opgewekt en gesterkt hebben, zoo vaak de worsteling in haar binnenste tegen namelooze zielsangsten haar te sterkt werd, zoo vaak zij behoefte had om zich voor een vertrouwden vriend uit te spreken. Hij wist dan hare bezorgdheid te matigen, schoon hij die deelde; maar reeds het uitspreken er van gaf haar verlichting.

Ten laatste viel de slag, die zoo lang reeds had gedreigd Balthasar Gerards meende geloofsheld te zijn, toen hij gruwelijken vorstenmoord pleegde.

Men had kunnen volstaan met justitie over hem te oefenen. Het geplengde bloed eischte te dier tijde bloed, maar de woede over zijn misdrijf, maar de smart en de verbittering over het leed en de onherstelbare schade, die hij had aangericht, moest zich lucht geven in daden, moest zich uitdrukken in de straffe zelve, die men hem deed ondergaan. Helaas! de Prins was niet meer dáár, om voor zijn moordenaar tusschenbeide te komen. Men hief hem op tot het martelaarschap, door de uitgezochte folteringen, die men hem aandeed, en die hij met bovenmenschelijke standvastigheid doorstond. Godsdienstige geestdrift, zelfs waar zij dwaalt, stelt tot het bovennatuurlijke in staat.

En Louise, de levendige, diepvoelende vrouw, barstte zij uit in hartstochtelijke klachten en verwenschingen tegen den moorder en zijne zenders? Werden Filips II en zijn aanhang, werd Balthasar Gerards door haar onder uitingen van toorn en afschuw, onder weegeroep verwenscht en als ten gerichte gedaagd! Zeker neen! Die namen werden zelfs niet door haar genoemd te midden der bitters te smart die haar overstelpte. Er was maar één naam die over hare lippen kwam, door hare pen werd neergeschreven, »die van den ondoorgrondelijken God, wien het behaagd had, haar zoo groote droefenis aan te doen, aan zulke beproevingen te onderwerpen.”

Zij bleef vastelijk gelooven, dat de Heer der legerscharen, die zoo lang reeds de beschermende hand over Oranje’s hoofd had uitgestrekt, zich ditmaal had onthouden de wandaad te verhinderen, omdat het zóó zijn moest, omdat de ure van haar echtvriend dáár was, en zijne taak voor dit volk dat hij zoo lief had, bijkans volbracht — niet geheel voltooid mocht worden. Zij geloofde in dien God, die zijn eigen Zoon had overgegeven ter verlossing der geheele wereld, en die zijn uitverkoren strijder ter bevrijding van het Nederlandsche volk had opgeroepen al Mozes, vóórdat hij zijn werk had kunnen voleinden, en dat aan Willem van Oranje geschied was wat, zooals deze met volkomen overgave des harten had betuigd, »dat hij zijn leven als zijn goed in Gods hand had gesteld, om daarmee te handelen zooals best ware voor ’t volk en voor zijne eigene zaligheid.”

Onder dezen verpletterenden slag boog Louise het hoofd diep — diep terneder, doch niet met de verstomping of de versuftheid der wanhoop, maar met de gelatenheid der christin die nu vervuld ziende wat zij in verbeelding reeds zoo lang zich boven ’t hoofd zag hangen, wat haar te midden van de korte dagen geluks soms op eens eene siddering aanjoeg, der Almachtige eert in Zijne onbegrijpelijke daden, en zich eerbiedig buigt voor Zijn wil, al ziet zij ook hare laatste hoop op aardsch geluk en ruste vernietigd. Het zijn beproevingen die zij doorstaan moet. Zij weet reeds van voor lang dat de wereld eene oefen school, een worstelperk is, en geen lusthof, geen paradijs, geene plaats der ruste. Had niet Marnix, de boezemvriend van haar geliefde doode, tot devies: le repos ailleurs? Zij voerde als zinspreuk op haar levensweg de verhevene bede: Uw rijk kome. Nu dan, het zou komen! zelfs al was haar held, de groote arbeider in den wijngaard des Heeren, tot de ruste opgeroepen nog eer de zon ter kim me ging, nog eer de avond daalde. Het scheen wel of de Heer der heirscharen der wereld wilde doen zien dat geen menschenkind, zelfs niet het edelste, het getrouwste, zich onmisbaar mocht noemen. Willem’s laatste bede zou toch verhoord worden: God zou medelijden hebben met dat arme, hulpelooze volk, maar als Israël moest het nog vele jaren in de woestijn rondzwerven, eer het rijp was voor het beloofde land; toch zou het dat eenmaal innemen, en, wees getroost! waardige weduwe van Oranje — door zijn, door uw zoon — door zijn Maurits, door uw Frederik Hendrik, door dat kleine wichtje, dat gij als treurende moeder met bevende lippen en bittere tranen, maar met vast geloof aan de toekomst, bij de lijkbaar van den vader in de armen drukt, door dat wichtje, dat eens de stedendwinger zou genoemd worden, die, gelukkiger dan zijn vader in de kansen des oorlogs, nooit een krijgstocht ondernam die niet in een zegetocht eindigde, en die toch de kunsten, die slechts in den vrede kunnen bloeien, liefhad, in eere hield en wist te beschermen op zulk eene wijze, dat de gouden eeuw der kunsten en letteren naar zijn naam zou worden genoemd! Machtiger zou hij zijn op zijn stadhouderlijken zetel dan menig vorst op zijn troon.

Beleven zult gij het niet, treurende weduwe! maar toch, het geloof leeft in hope en niet in aanschouwen.

Zoo had de hofprediker tot haar kunnen spreken, ware hem de gave der profetie verleend, of het vermogen om deze grootsche toekomst te voorzien. Maar daar hij dit vermogen niet had, stond hij nevens haar, tusschen de lijkbaar van Oranje en de wieg van Frederik Hendrik, in de diepste verslagenheid met geheel het volk dat jammerend kreet: »Wij hebben een vader verloren”, en dat in den zuigeling nog geen redder kon zien. Neen! de Villiers kon geene schitterende toekomst voorspellen, en daarom moest hij zijne troostredenen wijzigen naar de eischen van het oogenblik, en die waren, wat de aardsche verwachtingen aanging, zoo duister, dat de Evangelieprediker slechts kon troosten door er den blik af te wenden en dien op te heffen tot de verwachtingen van het Hemelsch koninkrijk, die onbedriegelijk zijn; en voorts haar de hand bieden om zich staande te houden bij het drukkende heden, waarbij alles zoo dreigend, zoo benauwend op haar aanliep. Niet slechts verpletterende smart, maar ook eene radelooze verlegenheid en verlatenheid volgde er voor Oranje’s weduwe uit diens plotselingen dood.

Er heerschte eene schromelijke verwarring en verachtering in de geldzaken van den Prins, die evenveel verbazing als deernis wekt.

De prinselijke weduwe bleef achter met een talrijk huisgezin, eene omslachtige huishouding naar de eischen van dien tijd, een zoontje van eenige maanden, en vier onverzorgde stiefdochters, waarvan de jongste slechts drie jaren telde, en — er werd in het sterfhuis geen honderd gulden aan contanten gevonden! De inboedel moest worden verkocht om in de eerste behoeften te voorzien! De meeste onroerende goederen, in zoover ze niet in des vijands macht lagen, waren door Oranje met hypotheek bezwaard om den oorlog tegen Spanje te kunnen volhouden! Zijn testament zelfs was nog onvoltooid gebleven, en dus zonder wettelijke kracht, terwijl de verdeeling zijner bezittingen moest plaats hebben tusschen elf kinderen, uit vier verschillende huwelijken. (Philips Willem als gevangen zijnde in Spanje, en door zijne geboorte tot het prinsdom van Oranje gerechtigd, was door de beschikking zijns vaders voorshands van de erfopvolging uitgesloten).

Het verzuim om zijn uitersten wil geldig te maken, terwijl Oranje zich toch bewust was te leven met het zwaard boven het hoofd, is wel een bewijs hoezeer hij vrij was van alle eigenbaat, en bovenal, hoezeer de schrandere en verziende Prins geheel was opgegaan in het behartigen der publieke zaken, dat hij zijne particuliere belangen en die van zijne kinderen, van zijne geliefde laatste vrouw dus — men mag haast zeggen onverschoonlijk — liet achterstaan. Dat hij toch een goed vader was, die met zorgvolle teederheid dacht aan de waarschijnlijkheid dat hij zijne dochters onverzorgd zou moeten achterlaten, bewijzen zijne brieven; die onder anderen aan Elisabeth van Engeland — welke er na zijn dood nog aan herinnert, en zijne correspondentie met den hertog van Montpensier, zijn schoonvader, die eene zijner dochters bij zich wenschte. Misschien is het woord nalatigheid te hard, en wordt het verzacht door de bijomstandigheid dat Oranje zelf nog in ’t onzekere verkeerde omtrent zijne positie, en de geldelijke hulpmiddelen waarover hij zou te beschikken hebben, daar de onderhandelingen met de Algemeene Staten over den titel dien hij zou voeren, de macht die hij bezitten zou, hoewel der voltooiing nabij, toch niet ten eind waren gebracht, en dat hij dit eind, de gesloten en bezegelde overeenkomst, afwachtte om ook voor de toekomst het lot der zijnen te regelen. Hoe dit ook zij, de droeve weduwe had niet eens tijd en rust om zich geheel aan hare smart te wijden. Zij moest strijden met de werkelijkheid, de wankelende knieën oprichten, de handen uitsteken, om zooveel in hare macht was orde te stellen op hare zaken, de huishouding te vereenvoudigen, bij de curatoren over de nalatenschap van haar echtgenoot aan te dringen op spoedige afdoening der zaken, (zooals vanzelve spreekt zonder goed gevolg); aan de broeders en verwanten van den overledene schrijven, om door hun invloed en medewerking licht in de duisternis te brengen, en orde te stichten ondanks de treurige wanorde. Dat de Villiers, als rechtsgeleerde, en met zijne kennis van de wetten en usantiën des lands, haar in dezen werkzaam en waakzaam ter zijde stond, is niet twijfelachtig. De zeventienjarige Maurits, na den dood zijns vader uit Leiden te Delft gekomen, wien het, hoe jong ook, noch aan scherpzinnigheid, noch aan een goed oog op menschen ontbrak, was zoozeer overtuigd van de Villiers’ verdiensten en trouw, dat hij hem verzocht het ambt van geheimraad, vroeger bij zijn vader bekleed, van nu aan bij hem zelven te blijven vervullen. Aan een hofprediker had de jeugdige vorstenzoon vooreerst geen behoefte, daar hij nog te Leiden studeerde, en de heeren Staten hem verzocht hadden, nog vooreerst aan de Academie te blijven om zijne studiën te voltooien. Toch hadden de Hoogmogende Heeren, die met ’s Prinsen dood het heft in handen hadden, reeds aan Maurits getoond dat zij de schuld der dankbaarheid aan zijn vader volgaarne en in alle ruimte aan hem wilden betalen. Reeds hadden zij hem tot stadhouder benoemd in de gewesten waar de Prins dit ambt had bekleed, en zijne minderjarigheid alleen was oorzaak dat zij hem niet terstond aandeel in ’t gezag gaven en met hem de overeenkomst sloten, die reeds met den Prins was aangegaan, hoewel nog niet wettelijk tot stand gekomen. Maar zij hadden de beste intentiën; zij benoemden hem tot hoofd van den Raad van State, zooveel als eere-voorzitter met een werkelijken president naast zich, en zij verzekerden zijne positie voor het tegenwoordige, door hem een voegzaam jaargeld toe te kennen, terwijl er nog voor zijne stiefmoeder en zusters vooreerst niets werd gedaan! De Villiers schikte zich naar den wensch van Maurits, om als raadsman aan zijne zijde te blijven, maar het was volstrekt niet foute de mieux. Integendeel, er was hem een voorstel gedaan, dat groote aantrekkelijkheid voor hem moest hebben.

Hendrik van Navarre, wiens uitzichten op den Franschen troon helderder werden met iederen zoon die aan Catharina de Medicis ontviel (Anjou was nog even voor Willem’s dood overleden), Hendrik van Navarre had opnieuw zijn verlangen uitgesproken dat de Villiers tot hem zou komen, om in zijn dienst over te gaan. Maar de trouwe aanhanger van Oranje gaf ook nu geen gehoor aan die noodiging, hoe warm ook zijn hart klopte voor den Bearnees en diens zaak. Hij kon den zoon van Willem, hij kon diens weduwe niet verlaten, waar hij wist hun noodig te zijn, en hoopte goede diensten te kunnen bewijzen. Belanglooze trouw voorwaar; want van een jongeling, die nog over geene andere middelen te beschikken had dan die hem door de heeren Staten werden toegekend; van een minderjarige, wiens inkomsten en uitgaven nog door Hunne Hoogmogenden, als zijne voogden, werden geregeld; van eene Vorstin die reeds terstond met bittere geldverlegenheid had te kampen, en wier douairie haar niet eens verzekerd was; bij de schromelijk verwarde en verwikkelde zaken der nalatenschap, was het vooruit te berekenen dat eene betrekking als die de Villiers aanvaardde, slechts eerepost, slechts lastpost zou zijn, die hem niets kon aanbrengen dan moeite en bezwaren, behalve de overtuiging zijn plicht te doen, belooning genoeg evenwel voor een edelmoedig hart. Maar toch, als men zelf vrouwen kinderen heeft die recht hebben op verzorging!…” Het blijkt dus hieruit dat Pierre l’Oyseleur van zich zelven eenige middelen had, en vermoedelijk bewoonde zijn gezin te dier dagen reeds Westhoven.

Delft begon Louise de Coligny tegen te staan, en het sombere kloostergebouw, waar zij haar geliefden gemaal als onder hare oogen had zien vermoorden, stemde haar tot diepe melancolie. Eindelijk kon zij het niet langer uithouden, zij moest weg van daar, waarheen ook, het was haar bijkans onverschillig, mits het ergens elders ware, ergens waar zij niet bij iedere schrede op iedere plek aan haar ontzettend verlies werd herinnerd. In De cember van ’t jaar 1584, toen zij geloofde dat het met voegzaamheid geschieden kon, gaf zij uitvoering aan een vroeger opgevat besluit en begaf zich met ter woon naar Leiden, die vier dochtertjes van Willem, (*) die aan hare leiding toevertrouwd bleven, en haar eigen zoontje met zich voerende. Zij had Leiden gekozen als de stad waar haar gemaal eens zoo geëerd en bemind was, de stad die hij uit de handen der Spanjaarden had helpen verlossen, waaraan hij eene hoogeschool had geschonken, welke haren bloei bevorderen moest, hare vermaardheid kon verzekeren, aan wien zij dus zooveel verplicht was dat Louise de Coligny hoopte er welkom te zijn en er heul en troost te vinden in zoo ver menschen die konden aanbrengen; in de meening dat zij er althans iets zou terugvinden van die liefde en hoogachting, welke er Oranje waren tendeelgevallen; dat zij daar niet als de »vreemde vrouw” zou worden aangezien, met blikken vol argwaan, maar als de waardige weduwe van den Prins, als de moeder van het jongske, waarop ook reeds veler hope was gevestigd. Maar al spoedig trof haar hier teleurstelling. Te Leiden was men gansch niet franschgezind. Het aanbod der souvereiniteit aan den koning van Frankrijk, vermoedelijk niet met volkomen oprechtheid gedaan en tegen den wil eener groote meerderheid onder volk en aristocratie doorgedreven, was door Hendrik III afgewezen, en nu was het bondgenootschap met Frankrijk en de partij die het wenschte, geheel op den achtergrond geraakt en zegevierden de engelschgezinden, die heftig en dringend den steun van Elisabeth begeerden. Voor deze partij nu, die te Leiden sterk vertegenwoordigd was en niet het minst door ijverende Calvinistische predikers, was Louise de Coligny, de »Fransche vrouw”, er onder verdenking van franschgezindheid, in haar eene niet al te onvergefelijke neiging voorwaar! Toch vond zij er uit die oorzaak weinig symphatie; men vergat de Hugenoote, dochter van Caspar de Coligny, den grooten voorstander der protestanten in Frankrijk; men zag de teerheid en trouwe voorbij, waarmee zij Oranje had aangehangen!

Oranje zelf was immers niet ontkomen aan veler afkeuring, omdat hij de »Fransche vrouw” had ingehaald; de heethoofdige predikanten, de volksleiders, durfden welhaast openlijk van den kansel verkondigen dat de schielijke en wreedaardige dood des Prinsen eene straffe des Hemels was over zijn huwelijk en bovenal over de weelde en de verkwisting, die er bij den doop van zijn zoon had plaats gevonden. Deze en diergelijke uitingen, zoo al niet ten aanhoore van de Prinses uitgesproken, werden toch door hare vrienden en de leden van haar gezin opgevangen en zij konden haar niet onbekend blijven. Dit was te veel. Had dominus Arnoldus Cornelisz in zijne lijkrede gezegd, dat de schielijke dood en het smartelijk verlies des Prinsen was eene straffe over de zonden des volks om het tot boetvaardigheid te stemmen, hij had ten minste over den doode met waardigheid en waardeering gesproken; zijn tekst reeds: Openbaring 14, vs. 13: »Zalig zijn de dooden die in den Heere rusten en hunne werken volgen hen na, ja! zegt de Geest van nu aan”, bewees dat hij gevoelde wat men den Vader des Vaderlands schuldig was; maar dat onbescheiden boetpredikers (een Hakkius onder anderen) haar in ’t aangezicht durfden zeggen, dat haar gemaal zich den toorn Gods en diens straffe op den hals had gehaald, dat was meer dan de treurende weduwe kon verdragen. Zij wist nu waar zij schuilen zou. Ondanks het verlangen der Staten van Holland, dat zij in hunne provincie zou blijven, nam zij de wijk naar Zeeland, naar Vlissingen, naar dat huis dat de Prins te haren behoeve had laten inrichten en verfraaien en waarvan zij nog liefelijke herinneringen behield.

Ook gevoelde zij zich daar veel meer thuis dan ergens in Holland; zij vond er eene Fransche gemeente, bediend door een landgenoot, den predikant Ferret.

Op West-Souburg zocht Marnix van St. Aldegonde de ruste, die de haat en de laster hem nauwelijks gunden. Die boezemvriend van haar gemaal, ook haar vriend en dienaar, kon daar tot haar komen en haar leed helpen verlichten door deelneming, en niet verre uit de buurt lag Westhoven, waar reeds het gezin van de Villiers was gevestigd, waar hij zelf zijn verblijf nam, zoo vaak de dienst van graaf Maurits niet noodzakelijk zijne persoonlijke tegenwoordigheid vorderde. En dat oogenblik scheen juist gekomen; toen Louise de Coligny te Vlissingen kwam, had de Villiers redenen om zich naar Zeeland te begeven.

Hunne Hoogmogenden hadden Maurits naar Delft geroepen, zijne hofhouding geregeld, aangenomen de schulden, die hij te Leiden had gemaakt, voor hem af te doen, mits hij zich verbond met het door hen vastgestelde jaargeld toe te komen, terwijl zijn hofmeester, de heer van Sonsveld, door de heeren werd vermaand, nauwkeurig acht te geven dat er geen nuttelooze posten op het budget werden gebracht. Voor een geheimraad was er onder deze omstandigheden in die nieuwe vorstelijke huishouding geene plaats; maar dat zou de Villiers toch niet belet hebben te Delft in de nabijheid van Maurits te blijven, indien hij niet wichtiger redenen had gehad om zich tijdelijk te verwijderen. Hij wist het maar al te goed — hij was impopulair.

Voorts, sinds men aanving opnieuw met Elisabeth te onderhandelen, werd hij verdacht van tegenwerking; men vreesde dat hij den invloed, dien hij blijkbaar op Maurits had verkregen, zou misbruiken om dezen tegen het Engelsch bondgenootschap op te zetten. De Villiers doorzag deze bezorgdheid met zijne gewone scherpzinnigheid, en liever dan aanleiding te geven tot wantrouwen en onmin tusschen den jongen Vorst en de hooge machtige heeren, van wie deze nog zoo geheel afhankelijk was, trok hij zich vrijwillig terug. Al stond hij dezen niet juist ter zijde als geheimraad, niets belette hem Maurits dienst te doen door geheime raadgeving en zedelijk bestier door brieven of tusschenpersonen. En zulk een getrouwe kende hij, dien men niet van Maurits had willen scheiden. ’t Was Malderé de getrouwe voormalige stalmeester van Willem I, die wetende wat de Villiers steeds voor zijn overleden meester was geweest, zich met oprechte vereering aan dezen had gehecht, en die zijne aanwijzingen wist te vatten en te volgen waar het de belangen van den jongen Stadhouder gold. Gerust van die zijde en verlangende zijne vijanden en tegenstanders de geruststelling te geven, dat hij zich niet meer met de publieke zaken zoude bemoeien, trok hij naar Walcheren, naar Westhoven, waar hij zich aan de wetenschap en de letteren bleef wijden, zonder daarom het doel uit het oog te verliezen, waaraan hij zijn leven had gewijd: de zaak der godsdienstvrijheid in Frankrijk, in Nederland — de bevrijding der Geuniëerde Gewesten van de Spaansche overheersching — en de zaak der Oranje’s, welke laatste hij met die eersten vereenzelvigd achtte en waarvoor geene zelfverloochening hem te zwaar viel.

Naar deel II.