HET KASTEEL WESTHOVEN IN ZEELAND.


II.

Wij hebben wel een langen omweg gemaakt eer wij tot Westhoven terugkeeren, maar nu ook weten wij wie wij er vinden zullen, als wij Pierre l’ayseleur, heer van Villiers en van Westhoven, op zijn kasteel een bezoek brengen in 1587. Maar men stelle zich niet voor, het Westhoven te zien van onze eeuw, van onze dagen, gerestaureerd en gemoderniseerd, bijkans ten spijt van de oude herkomst, maar des te meer comfortabel te bewonen voor ons negentiende-eeuwers, die wel het grootsche aanzien van een oud kasteel willen bewonderen, maar toch liefst ons gemak en genoegen niet willen opgeofferd zien aan het unheimische dat er ons treft, tenzij er door eene ruime en smaakvolle hand orde op gesteld is.

Het Westhoven van heden, dat men nadert hetzij door de schilderachtige manteling, hetzij van de Middelburgsche zijde door eene grootsche oprijlaan, waar men zich aan geen oneffen steentje zou stooten — liggende als in ’t midden van heldere vijvers, in wier zuiver water men de vischjes kan zien spartelen — door keurig onderhouden bruggen te bereiken zonder verdere hindernissen; waar u de geuren van de heerlijkste bloemperken verwelkomen en de aantrekkelijkste uitzichten zijn vergund tusschen heesters en zwaar geboomte in, waar gij niet binnentreedt zonder u prettig te gevoelen en van waar gij niet scheidt dan met den wensch, het weer te zien… Helaas neen! het Westhoven, zooals het zich in 1587 vertoonde, was voor twee derde eene ruïne, en slechts de achtervleugel, die behouden was gebleven, was bewoonbaar gemaakt zooveel de toenmalige eigenaar het in zijne macht had gehad, met de minst mogelijke kosten. De veiligheid had genoodzaakt eene oude ophaalbrug te herstellen en een der zware poorten zooveel doenlijk te vernieuwen.

Geen kleuren of geuren treffen behagelijk uw oog of reuk; zware boomen grimmen u aan, nu — wij treden er binnen in November — bijkans geheel van bladeren beroofd, die de paden bedekken met een geelbruin tapijt, verraderlijk genoeg bij den drassigen grond! De ringgracht ziet er uit als een stilstaand water, waaraan weinig zorg wordt besteed, en als men binnentreedt klinken de voetstappen luid in het holle portaal, daar geen mollig gangkleed hun geruisch breekt. Het wordt ons vergund eene ruime benedenzaal in te treden, die de heer des huizes tot studeerkamer heeft laten inrichten en waar hij zijne boekerij heeft zijn grootsten schat.

Het eikenhouten beschot, evenals de hooge gewelfde zoldering draagt sporen van beeldhouwwerk, dat echter vermoedelijk, wijl het heiligenbeelden voorstelde, door de ruwaarts van Entes’ bende met woeste vernielzucht is beschadigd. De Villiers heeft niet noodig geacht, deze schennis te herstellen. Zijne middelen lieten hem nauwlijks toe, dat gedeelte van het kasteel, ’t welk hij met de zijnen in gebruik nam, wat op te knappen en van de onmisbare meubelen te voorzien.

Aan een zwervend leven gewoon, van jongs af gewend zich van overtolligheden te spenen als het zijn moest, was hij er slechts op bedacht geweest, zich eene rustige woonstede in te richten, terwijl er van weelde en streeling der zinnen door kunstgenot geen spraak had kunnen zijn. De geschilderde, in lood gevatte ruitjes die verbrijzeld waren, had men door groenachtig witte vervangen, hetgeen de somberheid in de vertrekken vermeerderde. De breede en gemakkelijke zit te aan de eene zijde der zaal was ongeschonden gelaten. Zeker hadden er voormaals fluweelen of zijden laken kussens op gelegen, ten gebruike der weelderige abten en hunne vrienden; nu waren ze eenvoudig belegd met groen karsaai. Deze weinig kostbare stof was in Zeeland licht te krijgen.

Op den haard, onder den hoogen vooruitstekenden, door kolommen van gekleurd marmer gedragen schoorsteen flikkert een helder brandend vuur, dat het vertrek verlicht en verwarmt, althans voor hem die er niet al te ver af zit, zooals het geval is met den heer des huizes dien wij opzoeken.

Hij zit voor een zware eikenhouten schrijftafel, die met papieren, perkamenten en folianten van allerlei soort is bedekt, in zijn ronden met leer bekleeden armstoel, zonder rugleuning, beter geschikt om er in te werken dan te luieren, maar zoo dicht mogelijk bij den haard geschoven. Studie en werkzaamheid schijnt hier het wachtwoord. Toch zit de man, dien wij voor ons zien, op dit oogenblik ledig en als in diep gepeins verzonken, de eene hand slap neerhangende langs de zijde, de andere tegen ’t voorhoofd gedrukt, als om het denkvermogen te hulp te komen. De oogen staren strak op het vuur, alsof hij de flikkerende vlammen en de uitspattende vonken wilde tellen. Vermoedelijk houdt hij zich bezig met een dier diepzinnige theologische of wijsgeerige vraagstukken, waarmede hij zich de dagen zijner ruste wist te korten, of wel geldt het hier eene politieke aangelegenheid of een wijsgeerig vraagstuk, waarover hij geroepen werd zijne opinie te geven; want al is met den dood des Prinsen zijne openbare politieke loopbaan gesloten, officieus werd hij, vooral in de betrekkingen tusschen Frankrijk en de Nederlanden, nog druk geraadpleegd, was als geacht raadsman in de Synoden erkend en gewenscht, en hield zich voortdurend bezig met geschriften uit te geven, die betrekking hadden op kerkelijke zaken of theologische kwestiën.

Hoe dat ook zij, stoornis zou hem in dezen zeer zeker onwelkom zijn. Ook storen wij hem niet en gebruiken deze gelegenheid om zijn persoon op te nemen. Hij is die opmerkzaamheid wel waard. Zijn leeftijd is moeielijk te bepalen, daar zijn geboortejaar niet bekend is; maar daar wij weten hoe lang hij reeds zwervende is in het land der vreemdelingschap, dat hij tot zijn vaderland heeft gekozen, hoe hij reeds in 1572 met echtgenoot en zeven kinderen gezegend was, overwegen, dat hij advocaat placht te zijn bij het parlement te Parijs, eer hij naar Zwitserland uitweek, waar hij van de rechtsgeleerdheid tot het beoefenen de theologie overging en waar hij zijne gade leerde kennen, dan kan men hem gerust stellen aan de kwade zijde van de vijftig en de zestig al vrij nabij, zoo niet ingetreden; maar als die gissing juist is, draagt hij zijne jaren met eere, zooals men gewoon is te zeggen van iemand, die er jonger uitziet dan zijn leeftijd. Zijn zwart haar, eerder sterk en zwaar dan glad en zijdeachtig, schijnt niet vatbaar om spoedig te grijzen, want er is nog geen zilver tusschen te bespeuren; het is kort afgesneden, slechts een weinig gekuifd boven ’t voorhoofd, dat niet hoog gewelfd is, maar kort en breed en sterk, en doet denken aan ongemeene vastheid en wilskracht. Slechts enkele fijne rimpels zijn er te bespeuren, en ’t is van eene donkere tint evenals zijn gelaat, dat aan zijne zuidelijke herkomst herinnert. De oogen diepliggend en flonkerend als gitten, wanneer hij ze niet, als nu, half geloken houdt onder de lange wimpers; de wenkbrauwen fijn en als gepenseeld, de neus eenigszins gebogen, zooals behoort bij den adelaarsblik, de mond klein, de lippen wat saamgeknepen; ook de kin, eindigend in een puntigen baard, is geheel in harmonie met de scherpe, sprekende trekken van een aangezicht, dat men niet weer vergeet als men het eens heeft aanschouwd. Het teekent geest en scherpzinnigheid en geeft den indruk van pittigheid en slimheid, meer dan van goedheid; toch is hij goedhartig en edelmoedig tot zelfvergeten toe, maar zijn gelaat teekent die eigenschap van zijn hart niet; er licht geene weekheid in die sterke trekken, die van groote levendigheid en beweeglijkheid getuigen, maar door machtige zelfbeheersching worden bedwongen, als het zijn moet. Hij is niet groot van gestalte, maar als hij zich opricht uit de gebogen houding, waarin wij hem aantreffen, ziet men dat hij nog flink en krachtig is. Elastiek zou misschien de juiste uitdrukking zijn, zooals iemand, die zich nog in weelde noch in rust heeft gebaad en die geen aanleg heeft om gezet te worden; veeleer, als hij de zeventig of tachtig mocht bereiken, is er kans voor hem om tot mummie uit te drogen. De handen zijn fijn, welgevormd en getuigen, dat de geleerde heer de zorg voor zijn uiterlijk niet veronachtzaamt. De man die aan hoven heeft verkeerd, de edelman, de prediker, de raadsman der vorsten, heeft zoozeer de gewoonte niets te verzuimen wat tot de achtbaarheid van zijn ambt, het aanzien van zijn persoon kan medewerken, dat hij ook in de rust, in de eenzaamheid, aan de eischen van orde en keurigheid moet voidoen. Toch is hij nu niet in deftige kleeding, maar in eene gemakkelijke huispels gewikkeld, van zwart laken met vossenbont omzoomd; geen al te warme kleeding, voorwaar in de kille zaal waar hij zich ophoudt, al zit hij bij het vuur, te meer daar hij niets daaronder draagt dan een wambuis van die dunne zwarte stof, die men kamelot noemde, met kleine gewerkte knoopjes tot aan den hals dichtgesloten, waar een smalle omgeslagen linnen halsboord door een paar witte akertjes vastgemaakt is. De wijde zwartlakensche broek, aan de knieën opgebonden en met zwartzijden rosetten gesierd, de zwarte bratten kousen, de voeten in vilte pantoffels stekend, met bont gevoerd en omzoomd, voltooien dit gemakkelijk en deftig huisgewaad. Zijn hoofd is niet door het gebruikelijke calotje gedekt; zeker maakt zijn dik zwart haar dat voor hem overbodig. Maar… hij heft zich op uit zijn gepeins en schuift zijn stoel dichter bij de schrijftafel, met eene diepe verzuchting en een gebaar als wilde hij pijnlijke gedachten van zich afwerpen.

»Ik mag mij in dezen schadelijken cirkel niet langer laten omvoeren,” spreekt hij halfluid. »Hoe ver brengt de waan van eigen denkkracht en kennis toch de menschenkinderen, als ze dat Eeuwig, Almachtig, Ondoorgrondelijk Wezen, dat zich God noemt, willen doorzien met hunne menschelijke wetenschap, zich rekenschap willen geven van Zijne wegen, Hem willen meten naar hunne maat; hunne begrippen op Hem willen toepassen, en Hem toedichten wat alleen in hun dwaas en kortzichtig brein kon opkomen. »Fij van mij! aan deze zwakheid, die zij denkkracht noemen, mee te doen. Wie over Gods wil en werken peinst en tot de diepste diepte indringen wil in diens wegen en eigenschappen, moet in krankzinnigheid eindigen, of neervallen op het aangezicht en aanbidden in geloove zonder zien. Aanbidden en verheerlijken, dat is ons gegund, dat is ons voorrecht; het onbegrijpelijke hier met ons eindig verstand te doorgronden, gaat buiten de grenzen ons gesteld; en Gij, Heere! vergeef uw zwakken dienstknecht, dat hij zich verlokken liet om het onmetelijke, te willen peilen! Gij zijt groot en wij begrijpen U niet.”

Al sprekende had hij het hoofd diep op de borst gebogen en bedekte het gelaat met de beide handen. Zoo bleef hij eene wijle zitten als in stil gebed; daarop hief hij zich op, schoof zijn arm. stoel terug en liep eenige malen het vertrek op en neer, eer hij zich weer voor zijne schrijftafel plaatste; toen viel zijn oog op een der vele brieven, die daar eenigszins verward dooreenlagen tusschen perkamentrollen en boeken in, en nam dien op. Hij bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij zich iets herinnerde.

»’t Is waar ook, daar is antwoord noodig en wel zoo spoedig doenlijk. Het antwoord is licht te geven, maar hoe vind ik den bode, die het snel en veilig overbrengt; doch, als het geschreven is kan men de eerste occasie de beste waarnemen…”

Al sprekende had hij zijne plaats aan de schrijftafel weer ingenomen, legde een vel van dat gele grove in folio papier, dat bijna op perkament geleek, voor zich op den lessenaar en begon na eene wijle overwegens, met eene vaste, vaardige hand te schrijven; hij schreef zonder opzien of aarzeling in één adem door, totdat hij ter voltooiing zijn naam zette onder het geschrevene.

Hij vouwde den brief in drieën, maar sloot dien nog niet, en begon reeds met eene tweede missive, toen er zacht aan de deur werd getikt. Op zijn »binnen” werd die geopend door een jonkman, wien de Villiers een opgewekt »welkom” toe riep.

»Komaan, monsieur Charles, daar doet gij wel aan, dat gij den kluizenaar van Westhoven komt opzoeken.’

Ondanks die vriendelijke verwelkoming en de hand die hem gulhartig werd toegedtoken, scheen het jonge mensch niet volkomen op zijn gemak. Hij nam de fluweelen muts af, maakte eene diepe buiging en trad slechts aarzelend nader, hoewel de Villiers hem een stoel wees tegenover de schrijftafel.

»Kom, ga zitten, mijn jonge vriend! Hoe gaat het te Middelburg? Zijn uwe ouders wel?”

»Dat kon beter,” hernam Charles, zonder aan de noodiging tot zitten gehoor te geven en alleen met de hand leunende op den aangewezen stoel… Mijne lieve moeder sukkelt wat aan koorts en mijn vader ware gaarne met mij meegekomen, zoo hij niet weer een aanval had gehad van het voeteuvel…”

»In dit seizoen in ’t kille Zeeland maar al te gewone kwalen,” hernam de Villiers, met eenige bevreemding over de ongewone schuchterheid, die uit den toon en geheel de houding van den flinken jongeling sprak, die er overigens met zijne helder blauwe oogen en open gelaat niet uitzag of hij in den regel aan beschroomdheid leed.

»Het zou mij zoowel een eer als een genoegen zijn geweest,” ging de Villiers met Fransche wellevendheid voort, »zoo mijnheer uw vader zich de moeite had gegeven mij in dit gure weer te komen zien; maar sinds dat niet zijn kon, zijt gij alleen mij niet minder welkom, geloof dat…”

»Bij de familie van Baersse was alles heel wel,” hervatte Charles. »Vrouwe van Baersse laat haar vader zeer hartelijk groeten, en juffer Suzanne…” de jonkman kleurde sterk, en scheen verlegen hoe hij den aangevangen volzin zou eindigen.

De Villiers werd opmerkzaam.

»Welnu! wat er met mijne jongste dochter?” vroeg hij, den arendsblik uitvorschend op den jonkman richtend, »gij hebt mij toch geen kwade tijding van haar te brengen?”

»Integendeel, mijnheer…”

»Dus eene goede?” vroeg de Villiers, glimlachend over de zonderlinge aarzeling van den spreker.

»Ik durf niet verzekeren dat u het daarvoor houden zult; ik wilde u alleen mededeelen dat er gisteravond een jongelui-partijtje heeft plaats gevonden ten huize van uw heer schoonzoon, en dat… juffer Suzanne mij een briefje heeft meegegeven voor hare moeder.”

»Aha! mijne Suzette heeft u voor haar briefdrager gekozen,” schertste de Villiers; »welnu, gij zult gelegenheid hebben u van die taak te kwijten; ga gij zelf mijne vrouw boodschappen dat gij blijft eten.”

»Wees gedankt voor de noodiging, mijnheer, maar tot mijn leedwezen kan ik die niet aannemen; ik ben te paard gekomen, en…”

»Dat is geen beletsel, wij hebben hier plaats op stal voor vrij wat meer viervoeten dan mijne middelen gedoogen er op na te houden.”

»Wat dat betreft, dat zou het minste zijn… maar ik… wenschte u alleen even te spreken om… afscheid te nemen,” voegde hij er weer wat verlegen bij, daar de Villiers hem eenigszins vragend aanzag, »en daarop naar Middelburg terugkeeren; het is de laatste dag dien ik nog bij mijne ouders kan doorbrengen, en…”

»Afscheid nemen?” vroeg de Villiers verstrooid; »waar gaat gij heen?”

»Het was nu de beurt van Charles om te glimlachen over de distractie van Westhoven ’s heer .

»Naar Leiden! zooals vanzelf spreekt. Ik heb nog mijn doctoraat te verkrijgen, ik ben druk bezig met mijne dissertatie.”

»Ah! zoo, en gij komt mij raadplegen over uwe theses?”

»Misschien later, als ik zoo ver ben, en niet vrees u te veel overlast te doen; maar nu ben ik gekomen om u iets anders te vragen, iets wat voor mij nog oneindig belangrijker is dan die stellingen,” en de aanstaande dokter wrong zijne fluweelen muts zoo zenuwachtig in de handen samen, als ware hij de eerste groen de beste geweest, staande tegenover zijn professor.

»Voor den dag er dan mee! want het is blijkbaar dat gij niet op uw gemak zult zijn voordat het er uit is. Maar ga zitten, want ik voorzie een langdurig onderhoud, en ik luister niet voordat gij plaats heb genomen.”

De patiënt liet zich nu gezeggen. Kennelijk had hij die rust noodig; zijne knieën knikten, maar gezeten zijnde, hervatte hij moedig:

»Ik zal zoo kort zijn, mijnheer, als dat mogelijk is; ik had de eer u te zeggen dat juffer Suzanne mij een briefje mee gegeven heeft voor hare moeder…”

»Juist!” hernam de Villiers, ten had zij niets te zeggen aan haar vader?”

»Heel veel; dan… zij heeft mij toegestaan bij u het woord te voeren voor ons beiden…” hernam Charles met meer vastheid, en zichtbaar verlicht nu hij er aan toe was uit te spreken wat hem zoo zwaar op het hart lag.

»Eilieve! wat kan dat zijn?” vroeg de Heer van Westhove, met een leuk gezicht en een bedwongen glimlach, want hij zag komen wat er volgen ging.

»Het zal u bekend wezen, Edele Heer, dat mijne ouders en de Heer van Baersse uw schoonzoon en zijne echtgenoote elkaar over en weer vriendschap toedragen en gemeenzaam met elkander omgaan.”

De Villiers boog toestemmend, waarop Charles vervolgde:

»En dien gemeenzamen omgang mocht ik deelen, toen ik met de vacantie thuis kwam. Juffer Suzanne logeerde toen reeds bij haar zwager. Zoo leerde ik haar kennen, en ik kon niet ongevoelig blijven voor zooveel beminnelijkheid, voor zooveel goedheid, voor zooveel geest en uiterlijke schoonheid, die de innerlijke hoedanigheden nog verhoogden…”

»Genoeg,” viel de Villiers in, »ik begin te begrijpen.”

»Uit schroom, uit achting, uit vrees teruggewezen te worden, waar ik mijne hulde wilde brengen,” ging Charles voort, » bedwong ik mij en zweeg; maar liefde laat zich niet lang verbergen waar zij oprecht en zuiver is; de mijne moest zich openbaren en, werd niet kwalijk opgenomen, niet als overmoed teruggestooten. Maar mijn geduld moest een weinig beproefd worden: zij wilde mij beter leeren kennen, ik durfde haar niet overvallen met eene vraag, die tot eene beslissing zou dringen. Doch de tijd voor mijn vertrek naderde, en heengaan om mijne studiën te voleinden, met die onzekerheid, met die weifeling tusschen hoop en vrees, ik kòn het niet, en nu, gisteravond onder een vroolijk gezelschapsspel, waarbij een vrijmoedig woordje minder stout schijnt te klinken, meer kans heeft in ’t goede te worden opgenomen, waagde ik moedig de vraag, of zij mijne vrouw wilde worden? »Ik moet eerst weten wat mijn vader daartoe zegt,” sprak zij met een zoet lachje en een blos die hare schoonheid nog verhoogde, ’t welk beide nu van geene al te groote afkeerigbeid getuigde. »Mag ik het hem dan vragen?” haastte ik mij te zeggen, en, ik kreeg die vergunning, en, zoo ben ik hier, Edele Heer, om uwe toestemming af te smeeken!”

Toen hij uitgesproken had, zag Charles den man, van wiens antwoord zijn levensgeluk afhing, vast en vrijmoedig onder de oogen. Tegen den strijd had hij opgezien, maar nu hij er in was, bleek hij geen bloodaard; hij wist dat het aanbod niet zoo gansch verwerpelijk was; hij vreesde alleen dat de positie die de Fransche edelman eenmaal had bekleed, zijn gevestigde roem als geleerde en staatsman, de menigte zijner relatiën in den lande, vooral in het buitenland, dezen voor zijne schoone en nog zoo jeugdige dochter een echtgenoot zouden doen begeeren, die een naam en een rang had te bieden, welke hij zelf nog moest veroveren. Maar hij was zich bewust geen onwaardige te zijn, en mocht laten doorschemeren dat hij voor Suzanne geen onverschillige was; hij rekende dus op het hart van den vader, om de bedenkingen van den vermaarden edelman te overwinnen.

»Zijn uwe ouders met dit aanzoek bekend?” vroeg de Villiers, ernstig, maar met zachte stem, waaruit gemoedsbeweging klonk.

»Ik meende u gezegd te hebben, dat mijn vader had gewenscht mij te kunnen vergezellen, en zoo de pijn hem niet had belet te schrijven… zou hij mijn verzoek zelf tot u hebben gericht… maar hij hoopt dat te ondersteunen zoodra het hem mogelijk is…”

»En Suzette gaf u een briefje mee aan hare moeder, die zeker een weinig in ’t geheim is?”

»Zonder dat, ware Suzanne mogelijk al een paar weken vroeger uit Middelburg opontboden naar Westhoven,” sprak Charles, met een fijn triomfeerend glimlachje.

»O! die vrouwen! die vrouwen — als er sprake is van een liefdesgeval zijn zij het altijd met elkaar eens,” sprak de Villiers hoofdschuddend, maar toch met een kwalijk bedwongen glimlach. »Als Fransche edelvrouw had mijne Jeanne toch moeten bedenken, dat te onzent de huwelijken op gansche andere wijze worden gesloten en dat het aan de ouders is, eene partij te zoeken voor hunne kinderen; maar zij zal mij zeggen: wij zijn nu in Zeeland, en — ’s lands wijs ’s lands eer.”

»En… mag ik dus hopen?” hervatte Charles nu met wat ongeduld.

»Ik heb eene bedenking eer ik mijne toestemming geven kan.”

»Ik vrees te begrijpen, mijnheer, gij zijt Fransch edelman en… mijne ouders…”

»Uwe ouders, mijnheer Charles Everwijn, zijn uit Gent herkomstig en behooren tot een der aanzienlijkste patricische familiën van Vlaanderen — ik zie niet dat zij zich de minderen behoeven te achten van iemand, die naar zijne afkomst tot den Vlaamschen adel behoort. Zij zijn daarenboven waardige volgers der zuivere religie, hebben te dier wille vervolging geleden evenals ik — zijn verplicht geweest weg te trekken als ballingen uit hunne provincie, zooals ik uit de mijne. Hier is dus slechts gelijkheid, maar er bestaat een verschil te mijnen nadeele, en wel een zoo belangrijk, dat ik u niet als mijn aanstaanden schoonzoon mag aannemen, zonder dat in overweging gegeven te hebben. — Uwe ouders hebben ondanks de ballingschap nog hun fortuin behouden, die men zegt zeer aanzienlijk te zijn. Gij zijt hun eenig kind, en mijne Suzanne is eene van de zeven, die na mijn dood slechts eene nalatenschap zullen te deelen hebben, waarvan dit half geruïneerde Westhoven wel het beduidenste deel uitmaakt — en ik kan mijne dochter geen noemenswaardige bruidsschat mede geven. Zal zij, met dit wichtig verschil van tijdelijk goed, eene voegelijke portuur zijn voor den eenigen zoon van Omaer Everwijn?”

»O! mijnheer de Villiers,” hernam Charles met vuur, »waar denkt gij aan! Gij wilt uw luisterrijk verleden ter zijde zetten, en mijne ouders zouden niet met blijdschap in de schaal leggen, wat hun te beurt viel, om de ongelijkheid te effenen! En wat mij belangt — ik vraag alleen naar het hart van uwe beminnenswaardige dochter, en zoo het voordeel van ruime middelen aan mijne zijde is, dan acht ik dit een groot voorrecht, omdat het mij daardoor vergund is zonder bijbedenkingen den drang van mijn hart te mogen volgen en het geluk te hebben alles wat ik eenmaal bezitten zal met mijne echtgenoote te deelen. O! geloof mij toch, Edele Heer, laat dat u geen bezwaar zijn; mijne ouders beschouwen uwe Suzanne reeds als hunne geliefde dochter; in het briefje aan mevrouwe uwe echtgenoote is er zelfs sprake van, dat zij na mijn vertrek eenigen tijd te hunnen huize zou komen doorbrengen, en wat den heer van Baersse en zijn gade belangt — zij beiden gaven mij de hoop, dat mijn dokterstitel, als ik dien verkregen zou hebben, bij u volstaan zou kunnen om als schoonzoon te worden aangenomen.”

De Villiers had met een zeker welgevallen naar de hartstochtelijke pleitrede geluisterd, waarmee de jonkman zijne zaak dacht te winnen — nu viel hij in met wat gemaakte strakheid: »Zoodat, waar allen te zamen het al vooraf eens zijn, mij als vader wel niet anders te doen staat dan volgzaam toe te stemmen.”

»Moge het toch zijn met uw volle genoegen,” hernam Charles opnieuw met wat aarzeling.

»Wel zeker!” sprak nu de Villiers, hem de hand reikend en de zijne hartelijk drukkend. »Ik kon mij geen meer welkomen schoonzoon wenschen. Ik wilde u maar een weinigje plagen; men slaat op een vuursteen om er vonken uit te krijgen. Ik houd van gloed in het vuur der jeugd. Mijne Suzanne is mijn liefste kind, ik wil het u wel bekennen, maar gij zijt haar ten volle waardig. Gij zijt immers geen vreemde voor mij, ik ken u al van uw jongenstijd af. Toen de Prins in Gent moest vertoeven, kwam ik veel bij uwe ouders aan huis. Herinnert gij u dat nog?”

»Heel goed, maar dat maakte mij juist zoo schroomvallig. Wij zagen zoo tegen u op te dier tijde — den vriend en raadsman van den hoogloffelijken Prins!”

»En nu — na zijn dood de verschoveling, de gewantrouwde bijkans opnieuween banneling — althans uit Holland te dezer dagen” — en de Villiers zweeg en liet door smartelijke gedachten overweldigd het hoofd in de handen zinken. Uit dit kort gepeins hief hij zich op om tot Charles te zeggen: »Ik verzeker u. dat ik mij niet naar Den Haag zou kunnen begeven in deze dagen, zonder in moeielijkheden te komen — en toch ware het om meer dan eene reden noodig, dat ik derwaarts kon gaan…” en hij zuchtte.

»Zoo er een brief of eene boodschap ware, die aan mij kon worden vertrouwd,” sprak Charles met kennelijk medegevoel, »zou ik met genoegen den weg over den Haag nemen, als ik naar Leiden ga.”

»Dat is een kostelijke inval van u,” riep de Villiers levendig, »en wanneer denkt gij te vertrekken?”

»Reeds morgen! Al vertoefde ik nog gaarne een dag of wat, ik moet voor de zaken van mijn vader een paar dagen te Rotterdam blijven en word te Leiden gewacht voor eene promotie. waarbij ik paranymf zou zijn.”

»Kunnen die zaken van uw vader uitstel lijden?”

»Dat geloof ik wel, want het betreft de afrekening eener erflating, waarover lang strijd is gevoerd en waarvoor ik in mijn vaders naam zou teekenen, nu ik toch over de Zeeuwsche stroomen moet; maar haast is er niet bij. ”

»Zoudt gij dan kunnen besluiten van het oponthoud te Rotterdam voor het oogenblik af te zien en rechtstreeks naar den Haag door te gaan?”

»Of ik dat zou willen om u dienst te doen! En ik ben zeker dat mijn vader er genoegen in zal nemen, en dat wij beiden grooter offers zouden willen brengen om u onze hoogachting te bewijzen.”

»Wees al bij voorbaat gedankt voor die gezindheid, en zeker zal het uw ijver niet verslappen, als ik u zeg dat hetgeen ik u zal opdragen in ’t belang van Graaf Maurits is; ik ben nog altijd zijn geheimraad, al werd ik door den loop der omstandigheden gedwongen mij van hem te verwijderen en slechts uit de verte hem te dienen met mijn raad, meer dan ooit een geheimen, om de vreeze van Leycester die mij haat en alleen in schijn vriendschap huichelt voor Maurits. De jonge Graaf heeft mijn advies gevraagd op een gewichtig punt, mijn antwoord heeft haast, omdat Zijne Genade voornemens is zich daarnaar te regelen; de correspondentie tusschen Zeeland en ’s Hage is altijd onzeker en ongeregeld, en ik kan mij daarbij in dezen niet van een gewonen brievenbode bedienen, omdat de Leycestersche aanhang voortdurend tracht te bespieden wat er van Maurits uitgaat of tot hem komt, en er onder hen lieden zijn, die zich niet ontzien zouden, een brief van mij aan den jongen Graaf te onderscheppen… Ik dacht aan mijn zoon, maar deze is als mijn zoon reeds verdacht, en zoo mijn antwoord niet veilig aan zijn adres komt, ware het beter niet gegeven te hebben. Ik zat juist te peinzen op een middel om dat te doen overbrengen, toen gij binnenkwaamt, en nu! deze occasie! er is geen betere uit te denken. Niemand daar ginds kan nog weten dat gij mijn schoonzoon wordt, en ik behoef u niet aan te bevelen dat vooreerst te verzwijgen…”

»’t Is wel hard te verbergen wat ik uit volle blijdschap van de daken zou willen verkondigen, maar ik zal het nu diep in de borst bewaren als mijn zoet geheim, wees er zeker van, tot het u en den Graaf Maurits niet meer schaden kan… ”

»Goed zoo! dus blijft gij onverdacht…”

»Voorzeker! mijn vader staat zelfs op goeden voet met sommige Engelsche heeren van Leycester’s gevolg, die, te Middelburg zijnde, bij ons gehuisvest waren, en vermoedelijk nog wel eens onze gastvrijheid zullen inroepen, want het gerucht gaat dat de Gouverneur-Generaal over Zeeland naar Engeland zal terugkeeren, zooals hij gekomen is; dat is u zeker bekend?”

»Maar al te goed. Het is zelfs om die reden dat ik aan Graaf Maurits heb geschreven. Mylord Leycester heeft onzen jongen stadhouder voorgesteld hem naar Zeeland te vergezellen, om hem uitgeleide te doen; dat schijnt nu een blijk van vriendschap zijnerzijds, ’t welk de wellevendheid gebieden zou niet af te wijzen, maar… toch is het niet raadzaam… men weet niet wat er zou kunnen gebeuren; eene schaking, zooals met Prins Filips Willem, een ongeval… in één woord, ik ben er bezorgd voor; de gunsteling van Elisabeth is listig, wraakzuchtig, heeft zijne grieven tegen Maurits, wien hij het stadhouderschap van Holland en Zeeland misgunt, en is omringd van een troep oogendienaars. tot alles in staat om hem te believen.”

»De Heer van Westhoven schijnt geen vriend te zijn van Graaf Leycester…” sprak Charles Everwijn schuchter en wat verrast.

»Noch hij van mij; hij heeft mij bij een zijner vertrouwelingen gedoodverfd als een verraderlijken schelm! (villain rascal) Doch dat zou ik zoo hoog niet opnemen; als alle lieden waartegen hij grove scheldwoorden uit, werkelijk waren waarvoor hij hen uitmaakt, dan zou het er nog slechter uitzien in de Provinci~n. dan het reeds is; zijne uitvallen doe ik hem graag present, maar ik heb een groot en gerechtigd mistrouwen tegen hem, en daarom moet de jonge zoon van Oranje in den Haag blijven als hij naar Zeeland trekt! Daartoe schreef ik den brief dien gij zult overbrengen; maar daar het twijfelachtig is of gij zoo spoedig tot Maurits zult toegelaten worden als ik wensch, zal ik u een woordje meegeven aan zijn stalmeester, den heer van Malderé mijn ouden vriend, die trouw mijne wenken volgt; hij zal u in de gelegenheid stellen mijn brief aan den jongen stadhouder zelf te overhandigen, of zoo niet, in ’t ergste geval dien zelf veilig overleveren, maar aan niemand anders — al scheen de persoon u nog zoo dienstvaardig en vertrouwd — aan niemand anders geeft gij den brief voor Maurits over, en dien voor Malderé evenzeer in diens eigen handen. Geloof mij, jonge man, ik vertrouw u veel, ten bewijze dat ik u hoogacht — eene onvoorzichtigheid in dezen kon de schromelijkste gevolgen hebben.

»Wees er zeker van, mijnheer, dat ik die niet zal begaan. Ik ben hoogelijk vereerd door uw vertrouwen, en zal het weten te rechtvaardigen.”

»Ik geloof het, en nu — daar gij vandaag voorbestemd schijnt te zijn om briefbode te wezen — ga het woordje van Suzanne aan mijne vrouw brengen; ik schrijf intusschen aan Malderé en gij komt de brieven afhalen, zoodra gij dat fameuse onderhoud met mevrouwe de Villiers zult gehad hebben, waarin zij zeker veel belangrijks maar niets nieuws zal hooren,” eindigde hij met een spotachtig lachje.

De jonge man boog zich en wilde gaan.

»Maar gij rijdt niet naar Middelburg terug, vóór gij u hier wat verkwikt hebt,” hervatte de Villiers: »daarmee zoudt gij de gastvrijheid van Westhoven oneer aandoen.”

Alzoo geschiedde het. Vrij wat rustiger dan hij het studeervertrek binnengekomen was, verliet de jonge Everwijn het nu, en een half uur later was hij al weer op zijn terugtocht naar Middelburg. Dat hij daar niet het eerst het huis zijner ouders, maar wel de prachtige woning van den stads secretaris van Baersse aandeed, om zijne Suzanne de blijde tijding te brengen, zal ieder, die jong geweest is of het nog is, den minnaar vergeven.

Naar deel III.


Ingezonden op: 19 July 2001