HET KASTEEL WESTHOVEN IN ZEELAND.


III.

Eenige dagen later bracht de heer Omaer Everwijn zijne aan staande schoondochter in het huis harer ouders terug. Hij zou op Westhoven blijven eten, en de echtgenoote van de Villiers wilde de terugkomst harer dochter als verloofde met een huiselijk feestje vieren waartoe ook de van Baersse’s uit Middelburg waren genoodigd. Terwijl de vrouw des huizes met hare dochters bij de toebereidselen voor den maaltijd het opzicht hield, zaten de beide vaders in het kabinet des heeren de Villiers de belangen der jongelui te bespreken. Omaer Everwijn was een echte Vlaming van voorkomen zoowel als van afkomst, naar het uiterlijke geheel net contrast van Pierre l’Oyseleur. Forsch van gestalte, reeds vrij gezet, met een rond vol gelaat, waarop goedhartigheid zelelde, en dat nu, frisch en blozend, van de geleden pijn geen sporen meer droeg. Helder blauwe oogen, die nag tintelden van levenslust, en trekken, die, al hadden zij noch de fijnheid, noch de scherpzinnigheid van de Villiers, toch verre waren van plompheid of stompheid zijne handen alleen toen hij de dikke gevoerde handschoenen uittrok, waren rood en gezwollen, en zijne beenen, die in pelslaarzen staken, bewezen dat hij nog vreeze koesterde voor een nieuwen aanval van de pijnlijke kwaal en het mogelijke deed om die te ontkomen. Nadat hij zijn mantel had afgeworpen, zat hij in een bruin fluweelen wambuis met drie rijen kleine gouden knoopjes bezet; een geplooide kanten kraag en lubben; een zwart calotje op het blonde, reeds wat dunne, kort afgesneden haar, en de ruime fluweelen broek opgebonden met satijn lint, en rosetten, waarin diamanten flonkerden. De Villiers droeg nu ook niet zijn gemakkelijken kamerrok, maar was in deftig zwart laken gekleed, doch zonder anderen opschik dan een geplooide kraag en lubben van kamerrijksch doek en eene zware geschakelde gouden halsketen, waaraan eene medaille hing, die het borstbeeld van Prins Willem I voorstelde; zeker een geschenk van dien vorstelijken vriend zelf, hem geschonken naar aanleiding van een of anderen belangrijken dienst.

Toen de »zaken” tot beider voldoening waren afgedaan, sprak Everwijn: »Wat ik u eigenlijk het eerst had moeten meedeelen, zoo de toekomst van onze kinderen niet ons beiden het naast aan het hart had gelegen en dus behoorde vóór te gaan, is, u de verzekering te geven, dat Charles zijne boodschap te ’s Hage heeft gedaan met goed gevolg; het bewijs er van is dit briefje van des Graven vertrouwden stalmeester, den heer van Malderé…

De Villiers nam het aan met zekere blijde drift, en na het gelezen te hebben, sprak hij vergenoegd: »Gode zij dank! Ik heb mij dus niet vruchteloos met deze zaak bemoeid. De jonge Stadhouder, schrijft mij Malderé »had reeds half en half zijn woord gegeven om den graaf van Leycester naar Zeeland te vergezellen. In zijne argeloosheid zag hij er niets in dan een plicht der hoffelijkheid, maar mijn advies heeft indruk op hem gemaakt en hij heeft, zooals ik wenschte, zich aan den Advocaat van Holland gewend, die er zeer tegen was, dat Maurits »zijn vaderlijken vriend,”zooals Leycester zich noemt, uitgeleide zou doen, en die den jongen Stadhouder door de Staten der provincie eene commissie heeft laten opdragen, welke hem naar eene gansch andere zijde des lands heenvoert; dat geeft mij ruste…”

»Het gerucht loopt, dat wij den Gouverneur-Generaal welhaast op Walcheren te verwachten hebben” sprak Everwijn, »en dat Zijne Excellentie zelfs een tijdlang verblijf zal houden op het eiland…”

»Ik heb daar ook van gehoord; en wat zegt men te Middelburg van dat voornemen?”

»Ik geloof niet dat men er bijzonder mee ingenomen is.”

»Terecht; dat oponthoud, nu hij in Holland niet geslaagd is in ’t geen hij beoogde, kon door den listigen Graaf wel eens gebruikt worden om hier veel kwaad te stichten… de magistraat van Middelburg mag zich wel schrap zetten, en het oog houden op zijne meneën.”

»Hebt gij zulk een slecht gevoelen van dien heer, die toch, zooals men algemeen hoort zeggen, een vroom christelijk man is?” hernam Everwijn, die zelf nooit in staatkundige bemoeiingen was gewikkeld geweest, sinds hij uit Gent was geweken, te Middelburg als een stil, vergeten burger had geleefd, en die, van nature onergdenkend en goedaardig, het niet vatten kon en nauwlijks goedkeuren, dat men mistrouwen koesterde jegens een persoon van Leycester’s kwaliteit, als men er geene duchtige redenen voor had.

»Hm! Ja! een streng kerkelijk man, dat kan zijn; zoo toont hij zich althans hier te lande; en vroom! nu ja, er is eene vroomheid, die, om het zoo eens uit te drukken, buiten het hart om gaat, die in vormen bestaat, en die, wat naar mijn gevoelen de proef op de som is, zonder werkelijken invloed blijkt als het de praktijk geldt. Van deze vroomheid schijnt de graaf van Leycester maar al te zeer de drager; hij laat die blinken voor de oogen van het simpele volk en wint er het hart door van zekere heerschzuchtige predikanten, die niets liever wenschen dan van hem hun partijhoofd te maken, om onder die leuze eigen be langen te vorderen, die zij vereenzelvigen met de belangen der gezuiverde kerk, ’t geen eene grove dwaling is. De gezuiverde Kerk en vele harer dienaren hadden wel noodig nog vrijwat gezuiverd te worden van wereldsche pretensiën en bejagingen, eer zij zich beroemen kan op de apostolische te gelijken en de ware christelijke te vertegenwoordigen.”

»Aan wien zegt gij dat! Ik heb te Gent de dagen van Datheen en Imbyse beleefd, en was lid van den kerkeraad. Die wolven in schaapsvacht durfden wel den Prins schelden een renegaat en atheïst te wezen, alleen omdat deze hunne eeren partijzucht niet ter wille wou zijn, maar kan men het den graaf van Leycester ten kwade duiden, dat hij, vreemdeling zijnde, zich betrouwt op de dienaren der kerk in deze landen en dezen voorstaat, waar zij hem hunne diensten bieden? Bewijst dat tegen zijne oprechte godsvrucht; bewijst dat tegen zijn karakter?”

»Dat beweer ik niet, ik wil zelfs aannemen wat mij door een gemoedelijk jong leeraar, zijn zielzorger, is medegedeeld, dat de consciëntie hem soms te machtig is en dat in zulke uren zijn gemoed vatbaar blijkt voor goede indrukken en zijn geest bereidvaardig voor de beste voornemens, maar de laatste worden in den regel niet uitgevoerd, zooals het meestal gaat als de prikkel des gewetens weer is afgestompt en hem rust laat.”

»Gaat het niet menig menschenkind aldus?…”

»Zeer zeker, deze eb en vloed, deze strijd tusschen het goede en het kwade, tusschen willen en doen, zijn elke menschelijke ziel, elken christen zelfs bij ervaring bekend, en wie eenige zelfkennis bezit, heeft gelijke worsteling mee gemaakt, maar naar de uiterlijke verschijnselen te oordeelen, is de Graaf meer geneigd zich door het kwade te laten beheerschen dan er tegen te strijden, als zijn eigenbaat, als zijn hoogmoed er winst in ziet; of, wat dunkt u van zijne houding in de zaak van dat roekelooze Leidsche komplot, waarbij arme misleiden eer en leven hebben ingeboet?”

»Kan hij het helpen dat onverstandige ijveraars gemeend heb ben zijne zaak te bevorderen door een roekeloozen aanslag?”

»Gewis niet, als hij er onwetend van gebleven ware, maar het contrarie daarvan is gebleken. De Graaf heeft zijne goedkeuring en in zekeren zin zijne medewerking gegeven aan de samenspanning, en nu de mijn verkeerd is gesprongen, heeft hij die mede bewustheid verloochend en getracht zijne slachtoffers te redden langs om- en bijwegen, die hun niet baten konden en hem zelf verachtelijk moesten maken; in plaats van zich ridderlijk verantwoordelijk te stellen voor zijne partij, in plaats van er voor uit te komen dat er op zijn bevel was gehandeld! Hij heeft de daad gewild, maar bij mislukking voor de rekening gelaten van wie slechts zijne werktuigen waren. Hij had zijn vertrouweling Pescarengis, hij had den zwakken de Maulde, hij had den trouw hartige Volmaer niet prijs moeten geven; hij had voor hen op moeten komen, terstond, zonder aarzelen, met al zijn gezag. Zóó had hij zich een christelijk edelman, een waardig regent betoond.”

»Voorzeker , maar daarbij ware zijne reputatie en zijne autoriteit tegelijk op het spel gezet.”

»Alsof die toch niet reeds verloren zouden gaan door dat proces, door zijn geven en nemen, en nu op eene omvaardige wijze. Het ergste is, dat er valsch gespeeld is door beide partijen, en dat de Staten van Holland, die deze zaak hebben doorgedreven op hun eigen houtje onder de leiding van hun behendigen advocaat, daarbij alle rechten hebben miskend, zoo van den Raad van State, van de Algemeene Staten als van den man, dien ze zelf tot hun Eminent Hoofd hadden gekozen! Maar het is geschied om de »autoriteit te constateeren” heeft Barneveld betuigd, en daarmee heeft hij alle onrecht tot recht gemaakt en alle medespelers schaakmat gezet! Den jongen Stadhouder zelfs heeft men eene onwaardige rol laten spelen; misschien is het wel dit, wat mij in dezen het meeste verbittert, als ik mijns ondanks op die jammerlijke tragedie terugkom, waarin ook mijn vriend, de achtbare Meetkerke, gecompromitteerd is, en niet te onrechte helaas! want hij bewijst zijn deelgenootschap aan de samenspanning, door zich schuil te houden, vermoedelijk om de wijk naar Engeland te nemen zoodra de occasie daartoe gunstig is. Ware hij er gansch buiten, ik ken er hem voor, dat hij niet uit vrees voor valsche aantijgingen ter zijde zou gaan. Een vroom en de gelijk man, wien ik zelf tot de zuivere religie heb gebracht. toen we te Antwerpen waren met den Prins, die zijn eersten avond maalsgang eene groote aanwinst noemde voor de goede cause. En nu, ook deze door Leycester gecorrumpeerd, onteerd, voort vluchtig en aangewezen als een schuldige aan hoogverraad!

»Hoogverraad tegen wien? Als hij getracht heeft de bevelen te volvoeren van den man, dien men tot Eminent Hoofd van den Staat heeft benoemd en aan wien het opperste gezag was toevertrouwd… Gij zult mij zeggen, alleen in naam, maar dat een Leycester met dit verschil niet rekent, al doet men het hem voelen, dat is hem niet kwalijk te nemen en ’t is niet te ver wonderen dat hij in verbittering heeft uitgeroepen, »dat het nu ook voor hem zelf tijd werd zijn hoofd te bergen.” Uit ergernis, uit mismoedigheid is die uitroep wel te verklaren; uit vree ze geenszins. Hij behoeft voorwaar niet bang te zijn dat ze hem het hoofd voor de voeten zullen leggen, al had hij ook een aan slag beraamd en doen uitvoeren als dien van Anjou te Antwerpen. Hij weet zelf te goed welk een aanhang hij hier heeft onder het volk, en hoe hij ginds staat met zijne koningin; hoe Engelsch gezindheid der Nederlandsche goegemeente wordt ingeprent door hunne kerkdienaren, die Leycester voorstellen als een Mozes die hen naar het beloofde land zal voeren! Als een Jozua die het hen zal helpen veroveren! God betere ’t! En zóó kortzichtig is hij niet, of hij weet ook dat de Sta:en, al trachten ze hem te kortwieken en zich boven hem te stellen, toch zeer be vreesd zijn voor den toorn van Elisabeth, en hoe ze zich krom men en klein maken, als deze maar de stem verheft. Gevaar kan er hier voor Leycester niet bestaan, zooals voor Anjou, wien ’t geheele volk haatte en die ge ene vrienden had dan zijne eigene vertrouwelingen en den Prins zaliger, die hem nog de hand boven ’t hoofd hield, omdat hij in hem de schakel zag, die het machtige Frankrijk aan de belangen der Geünieerde Provinciën kon vasthechten. Met den Engelschman is het heel wat anders. Hij heeft een machtigen aanhang, die het hem mogelijk zal maken hier te blijven, ondanks het gebeurde, als hij het wil. Als hij werkelijk heengaat, is ’t mogelijk nog niet eens om afstand te doen van ’t geen men zijn gouvernement noemt, wat ik hoogst schadelijk zou achten voor de belangen der Provinciën, en Elisabeth is er wel de vorstin naar, om zulk een onzekeren staat nog te rekken; zij zal niet licht loslaten, en zal evenmin degelijken steun geven; daarom ook heb ik de overkomst van Leycester niet als eene blijde gebeurtenis begroet. Hij is de man niet, om hier van degelijken dienst te zijn, zelfs bij den besten wil; en zijne ijdelheid alleen, zijn eigenwaan en zijn hoogmoed hebben hem verlokt om zich op een post te begeven, waarvoor hij onbekwaam is. Maar al ware hij minder ongeschikt voor zoo’n hachelijke en omvangrijke taak, hij had die toch niet kunnen volbrengen, want het schijnt hier wel de gewoonte om juist die genen tegen te werken en te wantrouwen, die men in ’s lands belang gezag heeft verleend! met de linkerhand terugnemen wat men met de rechter geeft, wegen met onzuivere maat. Ze achten dat staatswijsheid, maar; ’t is niet dan bekrompen burgertrots en kleingeestige heerschzucht — ik spreek er van bij ervaring want ik weet hoe zelfs de Prins er mee te kampen heeft gehad, en welke mate van voorzichtigheid, dexteriteit en vastheid van wil er voor dezen noodig is geweest om met die lieden, die zich hier de souvereinen noemen, om te springen en, in schijn hun dienaar, inderdaad toch hun meester te blijven; trouwens dit alles slechts in ’t algemeen belang en met verzaking van alle zelfzucht. Maar ziet gij, dit alles kan geen ander, dat kon alleen Oranje doen, en daarom doet men Leycester onrecht, als men hem al de schuld geeft van zijn slecht bestier; hij had het nooit moeten aanvaarden, dat is het eenige wat men hem kan verwijten.”

De Villiers was altijd blijven doorspreken, snel en met den gloed der overtuiging, zonder eigenlijk veel aan zijn hoorder te denken, en meer om uit te storten wat hem op het hart lag en door het hoofd ging, dan om het aan een ander mede te deelen. Deze andere zat hem echter met groote opmerkzaamheid en belangstelling aan te hooren. Al was hij zelf geen staatsman, al hield hij zich geheel buiten de publieke zaken — de kerkelijke uitgezonderd, want hij was ouderling van de Fransche gemeente te Middelburg — toch was hij een te oprecht aanhanger geweest van Oranje, en gebleven van de zaak der vrijheid, om onverschillig te zijn voor ’t geen er omging onder Leycester’s bestuur en hoe de voormalige raadsman van den Prins over diens persoon en handelingen dacht. Hij had hem dus laten uitspreken. zonder hem door een woord van instemming of tegenwerping in de rede te vallen; alleen nu de Villiers zweeg, kon hij eene opmerking niet weerhouden.

»Als mylord Leycester u zoo hoorde spreken,”zei hij glimlachend, »zou hij niet klagen dat gij zijn vijand waart.”

»Ik spreek zoo, omdat ik een vijand ben van alle onrecht en oneerlijkheid; een vriend van den Graaf ben ik niet, dat is waar, maar ik ben mij bewust niet van hen te zijn geweest, die hier zijn gezag ondermijnd hebben, en hem gecontrarieerd waar hij iets ten bate des lands wilde ondernemen. In ’85, bij eene aan leiding die ik er toe had, heb ik hem dat zelf geschreven, en hij zal moeten erkennen dat ik hem toen goeden dienst heb gedaan…”

»Maar hoe is de Graaf dan nu zoo heftig tegen u ingenomen? Charles schreef mij dat hij, te ’s Hage zijnde, van verschillende zijden heeft gehoord hoezeer het voor u ongeraden zou zijn in Holland te komen, zoolang de Graaf en zijne aanhangers daar nog iets te zeggen hebben. Een man zou als gij, zoo algemeen bekend en geëerd, zoo hier te lande als in ’t buitenland… alom beroemd om zijne zonderlinge kennis en staatswijsheid…”

»Wat zal ik u zeggen?” hernam de Villiers met een glimlach; »vergeten burgers worden niet licht het voorwerp van politieken haat. Ik ben nu eenmaal in vele publieke zaken gebruikt en gemoeid geweest, die de opmerkzaamheid ook in den vreemde zeer bijzonder op mij gevestigd hebben.”

»Nu ja! als de trouwe raadsman van den Prins, hoogloffelijker gedachtenis, en nog evenzeer de ijverige dienaar en voorstander van zijn huis.”

»Ik heb reden om te gelooven dat juist deze bijomstandigheid, die gij in mij prijst, veel heeft bijgedragen om mij bij Leycester in ongunst en verdenking te brengen. Al doet hij zich voor als de vaderlijke vriend van Maurits, hij is naijverig op hem in hooge mate, niet slechts om de hope des volks die zich op den jongeling heeft gevestigd, als den zoon van zijn vader, maar ook om de ambten en waardigheden, waarin men hem reeds heeft gesteld, en waarop Leycester zelf bij zijne overkomst had gerekend. Aan die misrekening gelooft hij dat ik mee schuldig ben, en daarin vergist hij zich niet. Wat in mijn vermogen is geweest, om bij den pensionaris van Rotterdam, nu Advocaat van Holland, mr. Johan van Oldenbarneveld en de andere heeren, die den grootsten invloed uitoefenen op den staat van zaken, in ’t belang van graaf Maurits en van heel het gezin des Prinsen te raden en aan te dringen, dat heb ik beproefd, en niet zonder goed gevolg, al had ik nog meer gewenscht en gewacht, maar Maurits is jong en moet nog bewijzen dat hij de rechtgeaarde zoon zijns vaders is, moet door degelijke diensten zich de liefde en het vertrouwen waardig maken, die hem reeds nu uit consideratie geschonken worden. Daarom, als zijn vriend en door hem zelf gekozen raadsman, wijs ik hem den weg, dien hij daartoe moet inslaan, en daarmee weet ik mij geen gunst te winnen bij den Engelschen graaf, die mij dientengevolge als een partijman, als zijn tegenstander wantrouwt, die zijne belangen zoekt te schaden en hem zelf in een kwaad licht tracht te stellen. Ik zal niet zeggen dat die argwaan geen oorzaak heeft, want ik waarschuw Maurits uit alle macht, zooals ik mijn plicht acht, tegen het sirenengezang van Elisabet’s gunsteling, die zich zoo innemend weet voor te doen, als hij dit zijn belang acht, dat een jong heer, die nog weinig ervaring en menschenkennis heeft, er licht door bedrogen en medegesleept kan worden. En het is niet in ’t belang van Oranje’s zoon, zich aan de zijde van Leycester te scharen, waar de kracht zijner partij, zijne uitzichten voor de toe komst en zijn welstand voor het tegenwoordige moeten gezocht worden bij hen, die hier met der daad, al is ’t niet in naam , het heft in handen hebben. De Staten-partij zal ik die nu maar eens noemen. Ik zou misschien kunnen zeggen: de partij van den Advocaat van Holland, den mond der heeren Staten, ook de ziel daarvan. In zijn eigen belang, en niet minder in dat des lands, voegt het Maurits zich daarbij nauw en zonder wankelen aan te sluiten, want alle onvastheid in dezen versterkt de Leycestersche factie, in elk geval de antinationale, en zou zaden van tweedracht kunnen strooien voor de toekomst. Ik geef dezen raad met vol komen zelfverloochening, want ik ben het op menig punt niet met Barneveld en de Staten-partij eens, die het weten, en waar. van ik ook voor mij zelven niets te hopen heb en niets wensche. Maar voor Maurits is dit een geheel ander geval. Hij moet met die riemen roeien, ik moest eigenlijk zeggen, zich in dat schuitje laten roeien, totdat hij door schitterende daden of werkelijke diensten zijne aanspraak op onafhankelijkheid heeft bewezen; dan kan hij zijn wil, zijne opinie tegenover de hunne laten gelden ten bate van ’s lands welzijn. Nu moet hij meedrijven, en daarom mag hij niet aan Leycester’s zijde staan, nu er verschil is tusschen dezen en gene (wat niet uit kon blijven). Dat de jeugdige Vorst de behoorlijke hoffelijkheid betoone tegenover den man van leeftijd, die nu eenmaal, zij het ook in schijn, als Eminent Hoofd van de Geünieerde Provinciën is erkend; dat zij te zamen in overleg treden waar het de krijgsbedrijven betreft, en zoo mogelijk in vrede leven; dat zij, waar misverstand ontstond, zich venoenen, dat acht ik voegzaam, ja, noodig; maar dat Maurits zich door Leycester zou laten trekken waar hij niet zijn moet, en zich op die wijze verdacht zou maken of in moeielijkheden wikkelen, dat heb ik getracht te verhoeden, en dat is mij gelukt, sinds de jonge Vorst vertrouwen in mij stelt en mijne aan wijzingen volgt. Leycester kan dit weten, en dat zou reeds genoeg zijn om zijne verbittering tegen mij te verklaren, maar er is meer; er is wat hem reeds tegen mij ontstemd heeft, eer hij herwaarts overkwam, en wat zelfs zijne koningin in toorn tegen mij heeft ontstoken en bewogen mij op zoo barsche wijze toe te spreken, dat ik voortaan vermeden heb ten hove te komen, tenzij op hoog bevel, wat slechts eene enkele maal heeft plaats gehad.”

»Ook al aan ’t Engelsche hof geweest! Wat hebt gij toch niet al ondervonden en mee doorgemaakt,” sprak de goede Everwijn, hem met zekere verbazing aanstarend.

»Ja, ik heb stof voor menigte van herinneringen, aangename als smartelijke. Ik heb geleerd armoede te lijden, en weet in weelde te leven, naar ’s Heeren hand en bestier mij leidde, maar ik mag toch dankbaar roemen dat Gods barmhartigheid mij tot hiertoe steeds voor het ergste heeft behoed; het ergste acht ik niet koude en honger lijden, maar dit: dat de vrees voor gebrek, als men voor zijn gezin heeft te zorgen, een man verlokt om zich te verlagen en te doen wat hij schande en oneer acht. Het water kwam somtijds wel aan de lippen, maar nooit daar over. Ik ben nooit door te zwaren druk genoodzaakt geweest mij te laten omkoopen om ergens mijne hulp en mijne medewerking te geven tegen mijne opinie in. Door de hulpe Gods mag ik vrij en fier de oogen opslaan, en iedereen ferm in het aangezicht kijken. Dat zal wel de oorzaak zijn, waaruit ik zekere stoutheid put om zonder menschenvrees mijn gevoelen te zeggen, waar ik meen dat het noodig is. Deze vrijmoedigheid, die sommigen vermetelheid noemen, heeft mij wel eens kwade vrienden gemaakt; zoo ook in dezen.

Ten tijde dat ik in Engeland mijn werkkring had als hoogleeraar, een ambt waartoe ik gekomen was door lord Huntingdon, den grooten vriend en beschermer van allen, Franschen zoowel als Nederlanders, die om des geloofs wille als ballingen wegtrok ken uit hun vaderland, om in het groote rijk van Brittannië schut en schuil te zoeken. Mij vooral betoonde die edele Lord belangstelling, ja warme vriendschap. Door de Boleyns was hij vermaagschapt aan de Koningin, die hem in hooge achting hield, maar tot hare gunstelingen behoorde hij niet. Leycester, de gunsteling bij uitnemendheid, was toch naijverig op zijn invloed, werkte hem tegen waar hij het zijn eigen belang achtte, en voedde weerzin, zoo al geep vijandschap voor alwie dezen waardigen en onafhankelijken edelman aanhingen. Ik, die mijne vertaling van het Nieuwe Testament aan lord Huntingdon opdroeg als een verschuldigde hulde, was reeds niet van Leycester’ vrienden; daarbij kon hij er niet onkundig van blijven dat ik uitgebreide correspondentie hield met de hoofden der Fransche Hugenooten die nog in Frankrijk waren gebleven, dat de Prins van Oranje mij reeds blijken had gegeven van zijne achting en vertrouwen, en dat ik, waar het pas gaf, zocht te ijveren voor het Fransche bondgenootschap, waarin ik voor de bedrukte Provinciën (toen nog niet de Geünieerde) het meeste heil zag.

»Door de afgezondenen, die te Londen waren gekomen om over dit, of wel een Engelsch bondgenootschap te onderhandelen, naar mijn gevoelen gevraagd, kon ik geen raad geven tegen beter weten in en drong er op aan, dat men trachten zou naar een vasten bond met de Fransche Hugenooten, met de koningin van Navarre en haar jeugdigen zoon, met de Condés, ’t geen mogelijk de koningin-regentes bewegen zou om ook haar steun te verleenen, in de hoop een harer zonen als hoofd en helper in de Nederlanden te zien inroepen. Als tegenwicht tegen den Spaanschen invloed die der Guises en hunne Ligue, was dit in eene Catharina de Medicis, die de religie gebruikte meer dan zij die van harte diende, gansch niet onmogelijk te achten. Hare voortdurende onderhandelingen met Elisabeth over dier huwelijk met een harer zonen bewezen, dat, zoo zij de ketterij haatte, zij toch in ’t aan gaan van verbintenissen met de personen der ketters, mits er voor deel van te wachten was, geen bezwaar zag.

»Wat een Engelsch bondgenootschap betrof, ik had toen al genoeg gehoord en gezien van het Engelsche hof en van de Koningin zelve, om overtuigd te zijn dat de laatste voor schrale hulp zware eischen zou stellen; dat zij den Spaanschen koning te veel vreesde om een oprecht en krachtig bondgenootschap aan te gaan met diens verdrukte en tot opstand getergde onderdanen; dat hare staatszucht er wel rekening bij dacht te vinden als bemiddelaarster de hand en het oog te houden in de Nederlandsche zaken; maar zich die met warmte aan te trekken en dat te toonen door ruimen onderstand van geld en hulptroepen, dat was van haar niet te wachten, zelfs al wilde zij het beloven. Klinkende munt was er nog wel uit hare schatkist te nemen of door hare onderdanen op te brengen; soldaten, ja! waren er altijd te krijgen, mits men ze kon betalen, maar allermeest was er behoefte aan een veldoverste, een krachtig, doortastend man, geoefend in de kunst des oorlogs, om den weerstand tegen Spanje in de Nederlanden door te zetten en tot eene goede uitkomst te brengen, én een zulke, hiervan had ik mij sinds mijn verblijf in Londen en door mijne menigvuldige aanraking met de Engelsche heeren van rang en naam kunnen vergewissen, een zulke was er op dat tijdstip niet beschikbaar of het moest de graaf van Sussex zijn, en deze was een te volijverig Katholiek om zich te laten gebruiken in een religiekrijg tegen Spanje in ’t voordeel dezulken, in wie hij ketters en opstandelingen moest zien. Deze uit spraak, die wel wat vermetel klonk, maar op goede gronden, rustte, bleef Leycester niet onbekend, al had ik die niet in ’t openbaar gegeven, maar bij eene vertrouwelijke bijeenkomst met vrienden en geloofsverwanten. Nu trof het zoo, dat de lieveling van Elisabeth, haar sweet Robin, zooals zij hem met zooveel wel gevallen noemde, zelf voor het Engelsch bondgenootschap gestemd was en dat uit alle macht begunstigde, eensdeels omdat hij strenger Hervormingsgezind was dan de Koningin en het voor goede politiek achtte, de verdrukte Nederlanders steun te bieden tegenover Spanje, maar bovenal in de verwachting dat hij zelf de aanvoerder zou zijn van de hulptroepen, die bij de aan te gane overeenkomst moesten verstrekt worden. Op elke wijze verwend, trok het zijne ijdelheid aan, langs dien weg onafhankelijk legerhoofd te worden in den vreemde; en wie weet welke grootsche uitzichten zijne eerzucht hem niet reeds voorspiegelde bij de glorierijke overwinningen die niet konden uitblijven! Bij gebrek aan zelfkennis verkeerde hij in den waan, dat wie volleerd is in de kunst van hofintriges te spinnen en tot een goed eind te brengen, evenzeer geoefend is in de tactiek, die een eerste vereischte is in een bekwaam legerhoofd. Hij dacht zich werkelijk een zulke, omdat hij een voortreffelijk ruiter was, die zijne proeven had af gelegd op groote jachtpartijen, en omdat hij bij wapenschouwingen eene schitterende figuur maakte naast zijne manhafte Koningin, wie hij als opperstalmeester steeds ter zijde bleef. Gij begrijpt dus welk een toorn er in hem opvlamde tegen den man, die zonder iets persoonlijks tegen hem bedoeld te hebben, toch zijn hoogmoed, zijn zelfgevoel diep had gekrenkt en er toe bij droeg om zijn geheimen wensch te verijdelen, toen Elisabeth zelve hare goedkeuring gaf aan het Fransche bondgenootschap en Alençon beloften deed die ernstig gemeend schenen — voor dat oogenblik althans, en hem, Leycester zelf, over ’t Kanaal zond om van den triumftocht des Hertogs getuige te zijn en… spion tegelijk.

»Dat een gering edelman, maar een docent aan eene hoogeschool, een balling die in Engeland zijn brood moest verdienen, een Hugenootsch leeraar die maar even aan ’t hof had rondgekeken en van krijgszaken geene kennis had, hem, Robert Dudley, graaf van Leycester, over ’t hoofd had gezien en niet mee had geteld, toen er vraag was naar bekwame Engelsche legeraanvoerders; dat hij zich verstout had er maar één enkelen aan te wijzen, en juist den graaf van Sussex, zijn verklaarden tegenstander, dat heeft bij den Graaf een wrok gezet tegen mij, waarvan hij nooit meer bekomen is. Ik weet het bij ervaring, want ik was reeds bij den Prins toen de jonge Fransche hertog te Vlissingen aan wal stapte, en Willem van Oranje zich met zijn gevolg derwaarts had begeven om hem te verwelkomen. Hoe de veete verergerde, toen de verblinde Graaf ten laatste zijn wensch vervuld zag en als reddende engel in Nederland optrad aan het hoofd van hulp troepen om tot Algemeen Landvoogd der Geünieerde Provinciën te worden geproclameerd in naam, tegengewerkt te worden tot door zijne koningin toe, om welhaast van teleurstelling tot teleurstelling naar de laagte te glijden, tot den staat waarin wij hem nu zien; hoe hij van deze nederlaag iedereen beschuldigt behalve zich zelf, en het mij ten hoogste kwalijk neemt, ja als ver raad en misdaad toerekent, dat ik den jongen graaf Maurits tegen zijn schadelijken invloed tracht te veiligen, en over de zen wake zooveel in mijn vermogen is… dat alles hebt gij nu reeds van mij gehoord, want het viel zoo uit door de richting die ons gesprek nam, dat ik met het einde moest begin nen”…

»Begin nu maar niets verder, liefste vader!’ waarschuwde eene heldere, vroolijke stem, en een jong meisje vertoonde zich: de verloofde van Charles Everwijn, die met jeugdige drift het vertrek was binnengestormd. »Al de gasten zijn aangekomen en het noenmaal staat gereed,” ging zij voort, ziende dat de heeren nog bleven zitten; »daar is zelfs een ongenoode gast die u zeker welkom zal zijn, en die uit discretie u niet heeft willen storen, onderstellende dat het familiezaken betrof.”

»Hij had niet geheel ongelijk, kindlief; maar wie kan het zijn?” vroeg de Villiers eenigszins gespannen.

»De heer van St. Aldegonde.”

En Marnix stond reeds voor de geopende deur, en werd begroet, naar Fransche wijze, met eene hartelijke omhelzing.

»Allerliefst bruidje, mag uw aanstaande schoonvader u aan tafel geleiden?”vroeg de heer Omaer Everwijn, Suzanna den arm biedende.

Naar deel IV.


Ingezonden op: 19 July 2001