HET KASTEEL WESTHOVEN IN ZEELAND.


IV.

De heer van St. Aldegonde, was, na een paar dagen de gastvrijheid op Westhoven te hebben genoten, des morgens naar zijn West-Souburg gewandeld. De Villiers had hem een eind weegs uitgeleide gedaan, want het was juist een ongemeen zachte Novemberdag, waarop zelfs de bleeke herfstzon hare stralen uit schoot, om er de ontbladerde boomen en hun met mos begroeide stammen mee te belichten.

Dat er bij het rustig en vertrouwelijk samenzijn van die beide oude vrienden en raadslieden des Prinsen belangrijke gesprekken werden gevoerd, zoowel het verledene als het tegenwoordige en de toekomst betreffende, kan men zich denken. Wij hebben die echter niet ten behoeve van onze lezers beluisterd, daar het ons niet om Marnix te doen is, dien wij elders hebben voorgesteld, maar om den Heer van Westhoven, aan wien wij nu het liefst onze aandacht wijden. Dat de heeren behalve de publieke zaken, ook hun eigen streven en werken van het oogenblik hebben besproken, is licht te raden. Marnix, bezig met zijne grootsche taak, de nieuwe berijming der Psalmen, zal zijn geleerden vriend er wel enkele verzen van hebben voorgelezen, of hem geraadpleegd hebben over de een of andere uitdrukking van den Hebreeuwschen tekst. Hij was daarenboven bezig met het schrijven zijner Trouwe vermaninge, de bekende ernstige waarschuwing en opwekking aan de Christenen die nog onder het kruis zaten, die in de Katholieke provinciën waren gebleven, en gevaar liepen van afval, en de Villiers zal deze poging om ze voor de kerk der Hervorming te bewaren of opnieuw te winnen, zeer zeker van harte hebben toe gejuicht. Hij zelf had zijne Theses over den vrijen wil juist voltooid, en ze konden den naasten dag het licht zien. Opgedragen aan den president van der Myle, kon het niet anders of het boekje moest groote belangstelling wekken. Deze zal Marnix zeer zeker zijn vriend van ganscher harte hebben gegund; maar strikt orthodox als hij was, zal hij het niet eens zijn geweest met de keuze en de behandeling van het onderwerp, dat meer in vrijen christelijken zin, dan in kerkelijk-leerstelligen was opgevat. De Villiers had bij meer dan eene aanleiding doen uitkomen, dat hij zich niet gebonden achtte dan door het Woord Gods, dat hij de belijdenisschriften goed en nuttig achtte als geloofsgetuigenis van hen van wie zij uitgingen, maar dat hij ze nimmermeer wilde opdringen noch voorschrijven aan wie er niet uit eigen beweging mee instemde, dat hij er nooit een gelijk gezag aan wenschte toegekend te zien als aan de Schrift. »Calvijn is niet voor ons gestorven, en Zwingli heeft ons niet verlost,” placht hij te zeggen, »en zoo wil ik dan ook niet aan hunne woorden en voorschriften het gezag toekennen, dat aan Jezus Christus alleen over ons toekomt.” Hij keurde het voortdurend verdoemen en verketteren in de gemeenten der Hervorming en door synoden en consistoriën ten sterkste af. Marnix daarentegen was verre van zulke vrijzinnigheid, die hij ontijdig en schadelijk achtte. Dat er dus groot verschil van opinie zal bestaan hebben tusschen hen bij het bespreken van een boekske, dat zelf naar de richting toe wenkte, waaruit in de volgende halve eeuw zulke heftige religie geschillen zouden ontstaan, is wel te onderstellen. ’t Is bijna zeker dat daarna lange discussiën zijn gevolgd, die tot hooger warmtegraad zijn gestegen dan die van een gemoedelijken vriendenkout, maar toch hunne vriendschap was te oud en op te goede gronden van wederzijdsche achting gevestigd, om er door geschaad te worden.

Alleen liet Marnix niet af, zijn vriend te ontrusten over de mogelijke gevolgen van de gewaagde stellingen, die hij naar zijn gevoelen dus ontijdig had verkondigd, en nog onder het naar huis wandelen kon hij niet nalaten de vrees uit te drukken, dat de uitgesproken gevoelens de Villiers persoonlijk zouden schaden en hem nog verder afbrengen van die erkenning, waarop hij door zijne vroegere diensten aan de Kerk recht had; waartegen de Villiers aanvoerde dat het nooit in zijn aard had gelegen, zijn ge voelen, voor wien ook, te verbergen uit vreeze dat het hem zelf schade of lijden zou kunnen aanbrengen. »Ik acht het woord dat de Prins eens tot u richtte, ook als tot mij gesproken, mijn waardige vriend: »Aldegonde! Souffrons que l’on marche sur nous — pourvu que cela profile à l’ Eglise de Dieu”.

»Pourvu!” had de heer van West-Souburg geantwoord met een twijfelachtig hoofdschudden, terwijl hij hem tot afscheid de hand drukte en het naaste pad naar zijn eigen vorstelijk slot insloeg.

Geheel onder den indruk van dit afscheid en van het laatste hoog ernstige gesprek met zijn vriend, liep de heer van Westhoven langzaam nadenkend, maar met vasten stap, voort tot op de brug die naar den hoofdingang voerde van zijn huis, de kleine poort en het wachthuis links latende liggen. Maar nog eer bij den ouden lindeboom had bereikt, dien zwijgenden getuige van Westhoven’s lotgevallen, die toch zooveel zou te vertellen hebben gehad, ware hem het vermogen der spraak gegeven evenals de langlevendheid, eer hij dat sieraad van het voorplein had bereikt, werd hij in den loop zijner gedachten gestoord en eenigszins onaangenaam verrast door hoefgetrappel, dat zich van de andere zijde liet hooren, en over de steenen brug heen rechtstreeks den weg nemende naar het kasteel, zag hij een gehuifden wagen met twee zware Zeeuwsche paarden bespannen, met een koetsier in livrei en een lakei naast dezen op den bok zittend, die hem bij den eersten blik halfluid deden uitroepen: »de livrei der Prinses! wat kan dat wezen!” Eene mengeling van, blijde verrassing en bezorgdheid vertoonden zijne sprekende trekken, toen hij, haastig op het naderend voertuig toeloopend, even een tip van het zware zeildoek der huif zag oplichten, opdat hij een oog naar binnen zou kunnen slaan.

»Mevrouw de Prinses! Is het mogelijk! Gij zelve,” riep hij, den hoed afnemend en zich zoo dicht mogelijk bij het voertuig plaatsend dat nu stilhield.

»Het is mogelijk, zooals gij ziet,” antwoordde eene heldere vrouwenstem, terwijl eene zware zwarte sluier werd opgeslagen.

»Mevrouwe op Walcheren, in dit seizoen!” riep de Villiers meer verbaasd dan verblijd, terwijl de trek van onrust zich nog sterker af teekende op zijn gelaat.

»Ja, mijnheer de Villiers! ik ware ook liever te ’s Hage gebleven nu ik er eenmaal was maar de reis herwaarts heen was noodzakelijk… Zoo wij niet vlak bij ’t kasteel waren, zou ik u verzoeken in te stappen, om u te zeggen waarom ik den tocht ondernam, maar nu zal het beter zijn dat gij vooruitgaat en dat wij doorrijden.”

Dus geschiedde het. De Villiers haastte zich om de groote poort zijner woning wijd open te doen, daar men gewoonlijk gemakshalve slechts door een kleiner en lager deur heenging, om de moeite te sparen de zware met ijzer beslagene dubbele deur te openen; alleen nu er zulk eene bezoekster moest binnentreden, gebood de hoffelijkheid zich die moeite te getroosten, en de Villiers was wel de laatste om in dezen de étiquette te verzuimen. Den hoed in de hand, bleef hij in zichtbare spanning het naderend voertuig wachten. Hij behoefde echter niet lang te wachten; binnen eenige minuten stond de wagen voor de poort en de Heer van Westhoven hielp zijne doorluchtige bezoekster uitstappen, die hij binnenleidde na eene hoffelijke kniebuiging, waarbij zij hem de hand reikte, welke hij eerbiedig kuste.

»Ik behoorde mevrouw de Prinses naar onze groote zale te voeren, die mijne vrouw haar pronkkamer noemt; alleen het is daar hol en kil, en niet op de eer van zulk een bezoek kunnende hopen, is er geen vuur aangelegd; in mijn kabinet echter is het warm en mevrouw zal daar beter op haar gemak zijn.”

»Gij raadt mijne intentie, mijn waarde mijnheer de Villiers! Daar het mij bovenal te doen is om een rustig en vertrouwelijk onderhoud met u, zou eene ceremoniële ontvangst in eene holle zaal, waar ieder woord weergalmt of er eene echo ware, mij gansch niet aangenaam zijn.”

Al sprekende was de dame, die door de Villiers met zooveel eerbied werd ontvangen, zijn kabinet binnen getreden. Hij plaatste den gemakkelijksten armstoel bij het vuur en bood haar dien aan. Zij ging echter niet zitten, maar schoof den krippen sluier terug, die aan haar weduwkapje was vastgehecht, ontdeed zich van haar zwart lakensch overkleed met ruime loshangende mouwen en trad toen voor een portret in zwart ebbenhouten lijst, tegenover den schoorsteen, waarop terstond haar blik was gevallen. Het was de beeltenis van den grooten Zwijger, met zijn zwart calotje, in eene huispels gewikkeld.

»De Prins! mijn gemaal zaliger!” riep zij getroffen.

Het was werkelijk de Prinses-douairiere Louise de Coligny (*), die de Villiers kwam verrassen met haar bezoek.

Toen de jonge Téigny zijne zestienjarige gemalin ten hove bracht, was zij de type van eene fijne, levendige Française; klein van gestalte, maar welgevormd, waren al hare bewegingen los en bevallig en had haar gelaat dat aantrekkelijke, dat meer indruk maakte dan onberispelijke schoonheid. Hare fraaie blanke tint, hare helder schitterende oogen, deden geheel vergeten, dat zij geen fijngevormden neus, geen kleinen mond had; het liefelijke glimlachje dat er om speelde en de welluidende stem die er van uitging, vergoedden dat alles ten volle. Maar de hagelslag van de smart had die bloesem, pas ontplooid, reeds zwaar getroffen. Op de schokken en den schrik van den St. Bartelsnacht, die haar van vader en gemaal tegelijk beroofde, was voor haar de lijdenstijd van zorgen en ballingschap aangebroken en de zeventienjarige weduwe, eerst naar Châtillon sur Loing geweken, niet meer veilig in Frankrijk, moest gastvrijheid gaan vragen in Zwitserland; omzwerven van Bern tot Bazel; leven van het minst mogelijke want alles wat zij bezat of wat haar uit hare vaste goederen kon toekomen, was in Frankrijk als in vijandelijk land onder sequester, zonder eenigen steun van verwanten, die naar alle zijden waren heengevloden. Toch nog moed vindende om de voorspraak te zijn harer ook nog jeugdige stiefmoeder, die door den hertog van Savoye gevangen werd gehouden, mocht zij met volle recht van gure lente klagen en toch klaagde zij niet, maar gaf zich over aan God, geloovige Hugenoote als zij was, en zag vertrouwend, moedig op des Heeren hulp, het aardsche leed onder de oogen, hield zich staande en zette de schouders onder het zware juk dat haar in de vroege jeugd werd opgelegd, en leerde het leven kennen door de harde lessen van den tegenspoed. Dus vormde zich haar karakter, dus rijpte haar oordeel, dus scherpte zich haar verstand; maar schoon de levendigheid van haren geest, de goedheid van hart er niet bij onderging, in vrouwelijke schoonheid won zij onder zooveel ontberingen en zooveel zorgen zeker niet. Eerst in 1577, toen Hendrik III bij den vrede van Bergerac godsdienstvrijheid had toegestaan, keerde zij voor een tijd naar Frankrijk terug en was verplicht er ten hove te gaan, ware het alleen om vernietiging te vragen van het veroordeelend vonnis door het Parlement geslagen tegen haars vaders gedachtenis. Wat het Fransche hof onder den verachtelijken laatsten Valois is geweest, werd zoo herhaaldelijk voorgesteld, dat wij het jammerlijk tooneel niet opnieuw uit het slijk behoeven op te halen; maar de eerbare jonge vrouw, naar het voorschrift van het Evangelie, »eene weduwe die werkelijk weduwe was”, trok die onreine wereld door, zonder bezoedeld te worden door hare aanraking; als de hermelijn wist zij hare zuiverheid te bewaren van elke smet, won zich zelfs van den geestigen vrouwenlasteraar Brantome den lof: »qu’elle avait pris en ce pays barbare et rude de la Suisse cette grâce et cette habitude si vertueuse, qui étant en France de retour, elle se rendit admirable par ses vertus et bonnes grâces ;” en du Maurier getuigt van haar: »Madame de Téigny avait vécu en son veuvage avec une conduite admiré de tout Ie monde.” Deze getuigenissen en andere van verschillende zijden zullen door Willem van Oranje ook wel zijn vernomen; hij had correspondentie genoeg met de Fransche Hugenooten om er alles van te vernemen, onder meer met de la Noue, met du Plessis de Mornay. De Villiers, die haar als aankomend jong meisje gekend had, en die haar gewis als de dochter van zijn vereerden vriend den admiraal, van uit de verte belangstellend gadegeslagen had in hare omzwervingen, zal niet de laatste zijn geweest om deze vereerende getuigenissen te bevestigen, en dit alles leidde den Prins tot den wensch om die kostbare parel aan zijn diadeem vast te hechten. Niet om haar huwelijksgoed, dat gering was naar haar stand, maar om hare deugd en beminnelijkheid vroeg Oranje hare hand, en toen hij die verkreeg, toen de acht-en-twintigjarige weduwe, door Justinus van Nassau begeleid, te Vlissingen aan wal stapte, verklaarden de Zeeuwen, Hollanders en Vlamingen, die toegestroomd waren om Willem’s bruid te aanschouwen, dat ze »wel niet mooi” was, maar toch door hare zachte waardigheid en beminnelijke levendigheid zoozeer aantrok, dat zij met alle recht eene liefelijke verschijning mocht genoemd worden. Of zij dat nòg was in 1587 voor ieder ander dan de Villiers, mogen wij betwijfelen. Eene belangwekkende dat is wat anders; dat zou zij altijd blijven, maar op haar 33ste jaar was zij reeds niet meer jong; op dien leeftijd, dien hare gezusteren van toen en nu, nog zoo gaarne als de tweede jeugd zien aangemerkt en die werkelijk als den vollen zomerbloei eener vrouw kan gelden, waar deze kalm en gelukkig mag voortleven, was zij ouder dan haar jaren, onder de schokken die zij had doorgestaan. Onder de zorgen die niet ophielden haar te drukken, was wel haar levensgemoed niet gebroken, had zij wel berusting geoefend en met vrome overgave van haar wil zich naar hoogere beschikking gevoegd, maar de jeugdige luchthartigheid was daarbij ondergegaan en eene diepe, zij het ook zachte zwaarmoedigheid had die vervangen. Nog had zij iets van hare vroegere opgewektheid behouden, maar de levendigheid harer bewegingen werd nu getemperd door het zware statige weduwkleed, evenals de fijnheid en rankheid harer gestalte er door vermomd werd. Dit slepend gewaad deed haar zelfs groot er schijnen dan zij inderdaad was, en gaf haar zekere achtbaarheid boven haar leeftijd. Onder het tot laag op het voorhoofd neerdalende puntkapje van doffe zwarte zijde, aan weerskanten opstaande en met zilverstof gevoerd, waaronder het gescheiden en gecrepeerd haar sierlijk golfde, kwam de bleekheid van haar gelaat te sterker uit, dat wel zijn frisschen blos, maar niet zijne fijne tint had verloren.

Er lag ernst op hare trekken, die soms tot strengheid ging; de glimlach om den mond was geen schalke, speelsche meer, maar een zacht weemoedige, en de glans harer oogen was verduisterd onder de vele bittere tranen door haar gestort.

Ook nu werden ze door een traan beneveld, bij het staren op eene beeltenis van den verloren gemaal, maar toch verhelderde zich haar blik, toen zij zich tot de Villiers wendde om op innemenden toon te zeggen:

»Ik had daarop kunnen verdacht zijn, mijn trouwe vriend! Wat in ’t harte leeft, wordt ook wel gaarne door het oog aanschouwd.”

»’t Is een geschenk van den Prins zelf, na de herstelling van Zijne Doorluchtigheid uit de zware ziekte in 1582, te Antwerpen.”

»Waarin gij hem met zoo onvermoeide liefde hebt ter zijde gestaan.”

»Het placht in onze groote zaal te hangen, met andere conterfeitsels,” viel de Villiers in als om hare lofspraak te stuiten, »maar ik liet het herwaarts brengen; ’t is hier meer geëigend, en als ik de oogen ophef, helpt het mij aan veel gedenken wat mij noodig is te onthouden, en ’t is mij soms of mij nog troost en bemoediging toespreekt uit die trekken, zooals hij dat doen kon in zijn leven, met een enkel kernachtig woord, dat opheffend of verootmoedigend, tot diep in de ziel drong en onvergetelijk blijft.”

»Ja! mijnheer de Villiers, dat zegt gij met waarheid. Wie eens het voorrecht had dien grooten man van nabij te leeren kennen, en wien ’t gegeven was hem naar zijne waarde te leeren schatten, voor dien blijft hij even onvergetelijk als ongeëvenaard; ik achte hem alleen te vergelijken bij mijn Heer vader zaliger Welke mannen en die zoo te verliezen beiden, de beproeving was zwaar, al te zwaar bijkans…”

»Ja! mevrouw, maar het zeldzame voorrecht, aan twee zulke mannen verbonden te zijn geweest door de nauwste banden, zegt toch ook iets. Vervult het niet uw hart en geest met stille blijdschap, met eene gerechtigde fierheid, te weten dat gij behoord hebt aan zulke mannen, dat gij den grooten admiraal de zuiverste vadervreugde hebt doen smaken, en den grooten Zwijger het laatste jaar van zijn moeilijk leven door de teederste en warmste huwelijksliefde hebt verzacht, dat gij hem een zoon hebt geschonken naar zijn vurigsten wensch. En dit bewustzijn, deze verheffende gedachte, kunnen de bitterste rampspoed en de felste nijd u nimmermeer ontnemen!”

»Dat stem ik u toe, mijnheer!” hernam de Prinses, die onder zijn spreken op den armstoel bij het vuur had plaats genomen. »Ook is er niets wat mij zoo gedurig bijligt en zoozeer vervult, als de ernst van de plichten, die mij zijn opgelegd, bij de bewustheid van dat huis waaruit ik mijne afkomst nam, en dat andere, waaraan ik de eer heb te behooren door mijn huwelijk. Ik schroom niet te erkennen dat ik uiterst gevoelig ben voor alles wat die beiden raakt… en ik ken niemand die deze gerechte fierheid zoo goed begrijpt, die deze gevoelens zoo oprechtelijk deelt, als juist u, mijnheer de Villiers, door mijn vader geprezen, door mijn gemaal met zijn innigst vertrouwen vereerd, en in wien ik hier in dit land der vreemdelingschap steeds mijn krachtigsten steun, mijn besten raadsman heb gevonden…”

»En mevrouw heeft ook nu weer behoefte aan mijn raad?” vroeg de Villiers, die brandde van verlangen om de reden van haar verrassend bezoek te kennen, maar te bescheiden was om er rechtstreeks naar te vragen.

»Zoo is het, mijn waarde vriend! Gij begrijpt wel dat ik er eene ernstige reden voor heb, om reeds nu in Zeeland te komen, hoezeer ik mij overigens altijd derwaarts getrokken voel…”

»Ja! het moet iets wichtigs zijn dat mevrouw de Prinses nu uit den Haag herwaarts heen heeft gedreven,” hernam de Villiers, met een bedenkelijk voorhoofdfronsen; »er is toch niet ietwat voorgevallen tusschen u en graaf Maurits?”

»Neen, dat is het niet. Maurits betoont mij steeds den verschuldigden eerbied, al heb ik tot hiertoe nog zijne genegenheid niet kunnen winnen. Neen, het is wat anders; maar ga toch zitten, mijnheer de Villiers.”

»Ik kan in deze houding zeer goed luisteren naar ’t geen mevrouw mij heeft te zeggen,” sprak de Villiers, die zich staande had gehouden tegenover haar, leunende op den rug van een stoel.

»Neen! ik wil dat gij zitten gaat; dat maakt het onderhoud meer gemakkelijk; wij kunnen, dunkt mij, onder ons de étiquette ter zijde laten.”

»Om mevrouw te gehoorzamen,” en de Villiers nam een stoel en ging tegenover haar zitten. »Maar vergun mij voor wij verder gaan eene opmerking. Hoezeer ik ook gevoelig ben voor de eer van uw bezoek, het ware aan mij geweest u te verwelkomen in Zeeland. Waarom mij niet ontboden, als u mij iets te zeggen hadt?”

»Omdat gij in alle haast gekomen zoudt zijn, ik twijfel daar niet aan, en ziedaar juist wat ik niet wilde, mijnheer! Ik verzoek u zelfs in den eersten tijd niet naar Vlissingen te komen.”

De Villiers boog zich even, tot teeken van onderwerping, maar tegelijk haalde hij de schouders op, als iemand die er niets van begrijpt; toch deed hij geene vraag, in afwachting dat de Prinses goed zou vinden zich te verklaren.

»Gij moet dan weten, mijn waarde vriend (*), dat ik in eene zeer moeielijke verhouding ben gekomen tot den Graaf van Leycester.”

De Villiers verbleekte.

»’t Is toch te hopen dat voor ’t uiterlijke de goede verstandhouding kan bewaard blijven,” sprak hij, haar onrustig vragend aanziende.

»Dat is ook mijn gevoelen, en ik meen de zaak fijn genoeg behandeld te hebben, om den Graaf van Leycester te ontzeggen wat hij verlangt, zonder dat hij mij van onwil kan verdenken. Ik ben naar Vlissingen gekomen, in alle haast, om hem te beletten met zijn gevolg van edellieden en officieren zijn intrek te nemen in mijn huis, dat hetwelk de Prins, mijn gemaal, mij ten gebruike heeft aangewezen voor den tijd dien ik mij in Zeeland wenschte op te houden; dat eigenlijk aan Maurits behoort als Heer van Vlissingen, maar ook door dezen mij ten gerieve is toegekend… en waarover ik bijgevolg niet kan beschikken ten dienste van anderen.”

»Juist, mevrouwe! Hoewel het niet is aan te nemen dat er tusschen den jongen Graaf en mevrouwe zijne moeder op dit punt strijd zal komen, staat het niet aan u, om het u in bruikleen gegeven vast goed aan derden over te doen.”

»Zoo heb ik het ook ingezien, en heb dat den Graaf van Leycester te verstaan gegeven. Deze had mij in een hoffelijk, maar zeer dringend schrijven verzocht hem mijne woning te Vlissingen af te staan voor den tijd dien hij nog in die stad moest verblijven, wachtende op gunstigen wind om naar Engeland over te steken…”

»Hoe! is de Graaf dan reeds te Vlissingen?”

»Nog niet zoo ik meen te Dordrecht maar toch op het punt om hierheen te komen; er was dus haast met mijn antwoord, anders had ik eerst uw raad kunnen innemen, maar met dien te vragen en op antwoord te wachten verliep te veel tijd; ik moest dus zelve handelen, en kon met niemand anders te rade gaan.”

»Was de Advocaat van Holland niet in den Haag?”

»Naar Delft of naar Haarlem, geloof ik; daarbij, er werd op spoed aangedrongen, en er viel aan geen talmen te denken. Als het antwoord op een verzoek niet gunstig kan luiden, vordert de hoffelijkheid dat men er niet op laat wachten. Zoo schreef ik dan wat gij hier lezen kunt,” en de Prinses gaf hem de copie van haar brief aan Leycester in handen.

De Villiers las dien opmerkzaam en met kennelijke voldoening, waarvan zijn fijne glimlach of een goedkeurend knikje getuigde.

Wij willen eens onbescheiden zijn, en over zijn schouder heen mee lezen. De brief is te aardig, en teekent ons te goed de flinke en toch voorzichtige Prinsesdouairiere, om er geen kennis van te nemen. Wij geven dien in ’t oorspronkelijke terug, met eenige correctie van de oud-Fransche spelling, ten gerieve van onze lezers.

MONSIEUR!

»Si la maison de Flessingue était mienne, j’en ferais tres-volontiers offre à votre Excellence, et de si peu que j’y ai. Je ne trouverai jamais mauvais qu’il vous plaise vous en servir; mais quant a ce que votre Excellence m’en écrit que j’ai plusieurs maisons tant en Hollande qu’à la Veere, je crois par l’état qui à été communiqué à votre Excellence qu’elle a pu voir qu’il m’en reste une seule à la maison de feu le Prince mon mari ou je puisse me retirer car à la Veere il n’y en a d’autre qu’une petite que l’on a fait accomoder pour mr. le Comte mon beau fils et non pour moi, et puisque je n’ai autre commodité je serais contrainte de m’y retirer, combien que je ne vois point, comment moi et mes belles-filles y pourront être logées, et quant en Hollande je ne sais monsieur! qui a dit à votre Excellence que j’y voulais demeurer; car je n’ai jamais eu autre intention sinon de retourner en Zélande, pour être plus propre a mes affaires que j’ai en France, et pour ouier plus souvent nouvelles des parens et amis que j’y ai maintenant exposé aux périls de la guerre; ainsi: monsieur que j’ai donné charge à un gentilhomme que j’envoyais hier à Flessingue de faire entendre à votre Excellence, laquelle je supplie monsieur vouloir toujours honorer mon petits fils et moi de ses bonnes grâces, que je salue de mes bien humbles recommandations et prie Dieu, monsieur, de donner à votre Excellence tres heureuse et longue vie.”

Votre tres affectionée pour vous faire service

a la Haye, LOUISE DE COLLIGNY.

le 22 Novembre 1587.

Na gelezen te hebben, gaf de Villiers het afschrift aan de Prinses terug.

»Uitnemend! behendig aangelegd; ’t is geene weigering en ’t is evenmin eene toestemming; er is niets aan de hoffelijkheid te kort gedaan en toch biijft het verre van eene uitnoodiging »si la maison était mienne”, maar iedereen weet en de graaf weet het. nù ook dat het huis U alleen ten gebruike is gegeven voor U-zelve en de Uwen. Voorwaar, mevrouw heeft geen raadsman noodig bij hare correspondentie, ’t geen trouwens ieder bekend is, wien het voorrecht te beurt valt met hare briefwisseling vereerd te worden. Mevrouw heeft het geheim, steeds de juiste uitdrukking te vinden voor ’t geen zij wil zeggen, eene gave die zeldzamer is dan menigeen denkt. Vergun mij alleen eene opmerking: Mevrouw zegt een edelman naar Vlissingen te hebben gezonden, als voorlooper van een nader schrijven, terwijl de Graaf nog te Dordrecht is?”

»Toen de bode reeds met mijn brief was vertrokken, kreeg ik bericht dat Moncourt, de edelman dien ik naar Leycester zond en die bij mij als stalmeester dienst doet, reeds te Rotterdam had vernomen dat de Gouverneur-Generaal te Dordrecht zou blijven, om er met zekere leden van den Staatsraad te besogneeren, die uit den Haag zouden volgen. Moncourt is geen page meer en zal gewis zijne zending gewijzigd hebben naar omstandigheden. Leycester had dus mijn brief niet meer noodig om er alles van te begrijpen toch liet ik dien volgen uit hoffelijkheid, om het niet bij eene mondelinge boodschap te laten.”

»Waarlijk! voor eene Prinses die altijd beweert van geene politiek te willen weten, is dit een uitnemende diplomatieke zet,” sprak de Villiers met een glimlach. »Of Leycester tevreden zal zijn is twijfelachtig, maar zeer zeker zal hij moeten erkennen dat hij geslagen is, en het moeten opgeven.”

»Dat is nog lang zoo zeker niet,” antwoordde Louise bedrukt, even het hoofd schuddend.

»Maar dat zou niet gentlemanlike, dat zou zeer onridderlijk zijn, zoo de Graaf na uw schrijven er toch nog op stond uw huis te betrekken.”

»De zelfzucht is niet ridderlijk, mijnheer de Villiers, en de Graaf heeft nu eenmaal behoefte aan een ruim en gemakkelijk verblijf te Vlissingen… hoewel hij mij schrijft dat hij zich daar alleen wenscht op te houden om op gunstigen wind te wachten voor den overtocht naar Engeland.”

»Hm! daar zou ik niet te veel op rekenen,” sprak de Villiers met een bedenkelijk hoofdschudden. »De Graaf kon wel eens op anderen gunstigen wind willen wachten dan die in de zeilen blaast: eene kans op verzoening met de Staten van Holland, wat hem hier op beteren voet zou brengen een luim van Elisabeth, die hem beveelt op zijn post te blijven; ik weet voor zeker dat hij twee zijner vertrouwelingen naar Greenwich heeft gezonden, om op dit punt haar wil te verstaan in elk geval moet hij dien gunstigen of ongunstigen wind uit Engeland afwachten, of wel rekent hij nog op zijn aanhang onder het volk, die eene omkeering zou kunnen daarstellen te zijnen gunste en Hunne Hoogmogenden verplichten hem te wille te zijn en hem meer gezags en beter steun te geven. Een deel van het krijgsvolk is aan zijne zijde, en heeft hem den eed gedaan; dus gesteund, zou hij nog wel kans hebben zich een tijdlang staande te houden, zonderling te Vlissingen, waar lord Russell hem ten dienste staat met het Engelsch garnizoen; en zoo kon zijn oponthoud dáár juist wel van langeren duur worden dan hij nu voorwendt.”

»Zijn schrijven gaf mij reeds terstond dien indruk. Of waartoe te klagen dat zijn vroeger logies te Vlissingen hem zoo weinig comfort aanbood, als men alleen op den eersten gunstigen wind wacht om zich in te schepen! Als men Vlissingen kiest boven Middelburg, om dichter bij de vloot te zijn, dan vraagt men niet het meest naar gemak of ruimte. Neen! ik zag het terstond in als gij, mijn vriend; de Graaf is voornemens, onder welk pretext dan ook, met wie weet welke plannen, zich zoo lang doenlijk in Zeeland, op Walcheren, op te houden en daartoe kiest hij Vlissingen, de pandstad der Koningin, en niet Middelburg, waar de oude abdij hem ten dienste staat; daartoe wenscht hij mijn huis voor zich en zijn talrijk gevolg, waar hij ruime zalen vindt voor recepties en audientiën, waar hij de vertrekken, die ik zoo goed mogelijk heb laten inrichten, voor zijn persoonlijk gebruik kan nemen, om de overigen te huisvesten zooals best gaat; en omdat ik dit voorzag, begreep ik hem te moeten voorkomen en nam ras het besluit mijn brief achterna te reizen, en zoo ziet gij mij hier allereerst bij u, naar wien ik zeer verlangende was.”

»Hoogst vereerd neen! dankbaar en verblijd mijne lieve geëerde vrouwe te zien,” sprak de Villiers, na eene hoffelijke buiging, »maar houd mij de opmerking ten goede: Is dit niet een coup de tête, die bij nader inzien wat gewaagd kan schijnen?”

»Men weet, dat ik mij noode in Holland ophoude. Is er iets vreemds in, dat ik naar Zeeland reize?”

»In dit seizoen, zoo plotseling, zonder eene bepaalde reden waarvoor mevrouw kan uitkomen. Ik ben bezorgd wat de Staten van Holland daartoe zullen zeggen?”

»Alsof ze zooveel voor mij deden, dat ik hen voortdurend naar de oogen zou moeten zien,” sprak Louise met bitterheid.

»Hun talmen met de voldoening hunner beloften, is maar al te goed te verklaren, helaas! bij de drukkende lasten waaronder volk en regeering gebogen gaan, en bovenal bij de heerschende verwarring in alle takken van het bestuur. Doch laat ons geduld oefenen. Als eens en voor goed eene vaste hand het roer van staat heeft gegrepen, zal er betere orde worden gesteld op geheel het beheer, en dan heb ik wel goeden moed voor de toekomst. Daarom acht ik het zaak de gevoeligheid dezer heeren op het punt uwer aanwezigheid in hunne provincie een weinig te ontzien.”

»Welnu! wees gerust, mijn vriend; zij zullen zich in dezen niet over mij beklagen. Ik heb aan mr. Johan van Oldenbarneveld geschreven, die niet in den Haag was, en dus niet kon geraadpleegd worden, en hem medegedeeld wat aanleiding gaf tot mijn overhaast vertrek. Ik heb hem zelfs mijne stiefdochters aanbevolen, voor ’t geval dat er redenen waren om mijn verblijf in Zeeland te verlengen.”

»Zijn de jonkvrouwen in het gewoon logies achtergebleven?”

»Ja! onder het opzicht van mijne hofmeesteres en van hare gouvernante zijn zij veilig genoeg, maar gij begrijpt wel dat zoo’n overhaaste tocht met alle vier, en den nasleep van domestieken, dien dit geven zou, ondoenlijk zou zijn geweest, en mijn besluit tot eene snelle en heimelijke afreize ware daardoor onuitvoerbaar geworden. Ik ben voornemens de meisjes herwaarts heen te laten komen, zoodra de stormen zijn doorgestaan, die ik te gemoet ga. Ik heb zoo min mogelijk personeel met mij genomen; mijne kamenier, de bonne van mijn zoontje, dat ik, zooals vanzelve spreekt, bij mij moest houden, mijn kamerdienaar, mijn koetsier en een paar lakeien, ziedaar alles. Ik heb mijne karos alleen tot Rotterdam bij mij gehouden, en mij daar ingescheept naar Vlissingen. Moncourt, bij zijne doorreize naar Dordrecht, had met een schipper de overeenkomst getroffen voor mijn overtocht naar Vlissingen, waar ik spoedig na mijne aankomst door lord Russell werd begroet, die mij vergunning vroeg om eenige paarden van den Gouverneur-Generaal, die in aantocht waren, in mijne stallen te plaatsen, ’t geen ik gereedelijk toestond, daar er meer ruimte is dan ik noodig zou hebben, zelfs al had ik mijne koets met de vier meegebracht; maar ik behielp mij liever vooreerst met het zeeuwsche voertuig en de kloeke paarden die er bij behooren. Ik heb mij al zoo goed aan velerlei weelde ontwend, die mij behoefte placht te zijn,” eindigde zij met eene lichte verzuchting.

De Villiers drukte haar de hand, met een blik van diep medegevoel, en sprak toen: »Zoo zijn er dan al vast de paarden. Ik begrijp wel dat het moeilijk viel te weigeren; maar toch, die voorloopers van hetgeen te komen staat, bevallen mij niet.”

»Mij ook niet. Maar des te meer heb ik er voldoening van, dat ik mijn besluit om zelve naar Vlissingen te komen, met allen spoed heb doorgezet.”

»Ik zie nog niet in, welk voordeel mevrouwe zich voorstelt van hare aanwezigheid. Zoo de Graaf na uw schrijven hoffelijk genoeg is zich te onthouden, is uwe komst overbodig… en in het: tegenovergestelde geval, als hij toch de onbescheidenheid pleegt om zijn voornemen door te zetten, zal die u niet veel baten, en terwijl het wenschelijk is dat mevrouwe met Leycester voor ’t uiterlijk in goede termen blijft, zou er een botsing uit kunnen ontstaan…”

»Dat ben ik niet met u eens, mijn vriend. Als de Graaf van Leycester goedvindt mijn schrijven averechts op te nemen, en, in ’t geen slechts eene hoffelijke weigering is, eene toestemming wil zien; als hij ondanks alles in het Prinsenhuis logies wil nemen, dan vindt hij er mij als gastvrouw, en dan zal ik het zijn”, die hem de vertrekken zal aanwijzen voor zijn persoonlijk gebruik. Wat de heeren van zijn gevolg betreft, die moeten zelven maar, zoeken waar ze best herberg kunnen vinden. Den Gouverneur-Generaal, Elisabeth’s machtigen gunsteling, kan ik geene gastvrijheid weigeren als hij er aanspraak op blijft maken, maar hem en de zijnen in mijne absentie meesters te laten in mijn huis, dat wil ik ten minste voorkomen, en daarom ben ik er nu zelve het eerst.”

»Mylord Leycester zal opzet zien in die haast…”

»Dat is wel mogelijk, maar toch, hij is gewaarschuwd dat ik plan had naar Zeeland te komen, en hij kan den spoed dien ik maakte, evengoed voor hoffelijkheid nemen als voor geheimen tegenstand. Zoo hij niet opziet legen eene grofheid, moet hij het: Ote-ton de là que je m’y mette ruiterlijk uitspreken, in welk geval ik mij naar Middelburg zou begeven, om toch nog het oog te blijven houden op mijne zaken. Huisvesting zal daar wel voor mij te vinden zijn.”

»Het huis van mijn schoonzoon van Baerse staat mevrouwe ten dienste; er is plaats genoeg, al waren de jonkvrouwen van Nassau met u…”

»Ik weet dat ik den uwen welkom zou zijn als u zelf, maar ik wil hopen dat het er niet toe zal komen… Er is wel kans dat de Graaf er van af zal zien, als hij verneemt dat ik zelve mij te Vlissingen bevinde, en zoo niet, zoo hij, wetende hoezeer hij ongelegen komt, toch bij mij komt aankloppen om logies, dan eh bien! dan zal ik trachten met Zijne Excellentie eendrachtiglijk samen te wonen.”

»Gij, mevrouwe!” riep de Villiers met kennelijke bezorgdheid; »zoo goed als alleen, terwijl de omgeving van den Graaf doorgaans bestaat uit een troep ruwe en aanmatigende edellieden, die lastig en indringend zullen zijn, meenende hoffelijk te wezen, en zich aangenaam te maken door zich galant aan te stellen.”

»Och! wat dat betreft, ik heb in onreiner atmosfeer moeten leven dan die den Engelschen graaf omgeeft; zijn gevolg bestaat meest uit edellieden van leeftijd, strak puriteinsch als hij zelf, die zich afgeven met theologie en met politieke intriges; aan beide doe ik niet, dat weten ze vooruit.”

»En dan die troep jongelui, die zich reeds ridders noemen, schoon ze hunne sporen nog niet verdiend hebben; zij zullen u vermoeien met hun woest getier, zij zullen u verschrikken door hunne dagelijksche vechtpartijen.”

»In de tegenwoordigheid van den Graaf zullen zij zich wel ontzien; logies krijgen zij in ’t Prinsenhuis niet, dat staat bij mij vast; tegen straatrumoer moet de Engelsche gezagvoerder waken. Als mijne dochters er waren zou het minder passend, zou het onvoorzichtig zijn deze aan de ontmoetingen, de galante bezoeken van de jonge cavaliers bloot te stellen; maar juist daarom liet ik ze in den Haag; voor mijn zoontje is er geen gevaar bij, daar de Graaf veel van hem houdt, zich aanstelt of hij zijn grootvader ware, en wat mij betreft, helaas! mijn waarde mijnheer de Villiers, ik heb voor erger bezwaren gestaan, ik ben maar zoo kort jong geweest en nu! valt het u zelf niet op? nu ben ik oud geworden.”

De Villiers keek haar aan en glimlachte, maar blik en glimlach waren droevig. Toch sprak hij: Oud, mevrouwe, Gij! pas tot de volle rijpheid des levens genaderd!”

»Er zijn levensjaren die wel voor dubbel mogen meetellen.”

»Die zijn er, ik stem het toe, en gij, nobele vrouwe, hebt dezulken doorleefd. Ik moet zelfs toegeven, dat uw uiterlijk er van getuigt. Maar wat zegt dat, waar men toeneemt in zedelijke kracht, in hoogere vastheid van overtuiging, in rijpheid van oordeel! Wat zegt het, dat de uiterlijke mensch verdorven wordt. zoo de innerlijke zich telkens vernieuwt en verfrischt door die dagelijksche vernieuwing die ons is toegezegd tot op dien dag der zegepraal, waarop het leemen omhulsel wegvalt om plaats te maken voor het onverderfelijk kleed eener eeuwige jeugd!”

»Daarop is ook mijne hope gevestigd, en ik betreure het niet dat mijn bloesem reeds zoo vroeg is verdord; de vrucht heeft zich toch kunnen zetten, is gerijpt en weet zich behoed tegen alles wat haar zou kunnen schaden. Dankbaar mag ik zeggen: »Hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot dezen dag,” en daarom ook ben ik zoo moedig en zonder vrees voor ’t geen menschen mij zouden kunnen aandoen.”

»Geloofsvertrouwen mag niet buiten die grens gaan, waar het roekeloosheid wordt.”

»Maar teruggaan waar men op den goeden weg ter overwinning meent te zijn, is bloohartigheid, en dat mag van mijns vaders dochter niet gezegd kunnen worden.”

»Ik weet dat men met de dochter van den admiraal in een woordenstrijd niets heeft te winnen en alleen maar bedacht moet zijn op een veiligen aftocht,” sprak de Villiers hoffelijk, maar zonder den glimlach, die het woord tot eene aardigheid stempelde; en ernstig, strak bijkans, liet hij er op volgen: »het zou mij lief zijn zoo ik u nog in deze uiterste ure kon bewegen uw voornemen op te geven en u veilig naar ’s Hage zag terugkeeren.”

»En huis en goed, dat eenmaal aan des Prinsen kinderen behooren moet, prijsgeven aan een onbescheiden vreemdeling en zijne zorgelooze dienaren, niet waar? Dat zou gansch niet voor mij getuigen als wakkere huisvrouwen zorgzame moeder. De sporen van de ruwheid; waarmee zij daar bij Mylords kort verblijf in ’t verleden jaar hebben huisgehouden, zijn nog niet eens geheel uitgewischt, ondanks al het vlijtige schrobben en boenen der Zeeuwsche dienstboden.”

»Maar wat beteekent in ’s Hemels naam huis en have, als er gevaar is voor u van verschil met Leycester, dat hooger zou kunnen loopen dan mevrouwe zich nu voorstelt en waarvan de listige en hooghartige Graaf wel eens gebruik zou kunnen maken om de Prinses douairière van Oranje nevens haar zoontje naar Engeland mee te voeren, onder voorwendsel zijne koningin als scheidsvrouwe in te roepen.”

»Wat schade! Ik ken het Fransche hof, Ik zou het Engelsche zien, ik zou die koningin leeren kennen, die mij met hare verwonderlijke vaardigheid om huwelijksplannen aan te knoopen en af te breken, nog steeds een raadsel is.”

»Mevrouwe schertst er mee en ik spreek in hoogen ernst. Uw volharden in dat voornemen om Leycester te Vlissingen af te wachten, ontrust mij zeer; en dat gij het oog willens sluit voor de bezwaren die er uit kunnen volgen, bedroeft mij; ik mag het u niet verzwijgen.”

»Bedroeven wil ik u niet, mijn trouwe vriend, al kan ik uwe bezorgdheid niet deelen; ik zal uw zin doen en naar ’s Hage terugkeeren, maar onder eene voorwaarde…”

»Welke?” vroeg hij gespannen.

»Dat gij mij derwaarts vergezelt en dat zonder uitstel.”

»Dit is juist eene voorwaarde die ik niet kan vervullen, en mevrouwe weet dit wel,” sprak de Villiers neerslachtig en met iets als verwijt.

»Waarom niet? Gij zijt toch niet uit den Haag gebannen?”

»Dat wel niet, maar ik ben er het voorwerp van onwil en wantrouwen; ik heb er vijanden, die…”

»Uwe gevaarlijkste vijanden schuilen nu niet in den Haag, geloof mij; zij zijn veel dichter in de buurt, en als gij hen niet bijtijds ontgaat, dan loopt gij gevaar dat zij u zoeken,”

»Mevrouwe spreekt toch niet van Leycester?”

»Juist van dezen, ik wenschte u uit Zeeland eer de Graaf daar zal gekomen zijn.”

»Waartoe? Wij zijn nu juist wel geene vrienden, maar… hij zal toch Westhoven niet komen belegeren, en dit zoo zijnde, zouden wij achter deze zware muren nog wel een storm kunnen afwachten.”

»Gij spot er mee, maar nu ben ik het die in vollen ernst spreek: er is gevaar voor u. De graaf van Leycester, in hooge mate tegen u vergramd en heftig in zijne uitvallen als hij zijn kan, heeft gezworen dat hij vóór zijn vertrek nog afrekening wil houden met eenige lieden hier te landen, die hij voor zijne tegenstanders houdt en voor de bewerkers van het échec, dat hij niet langer bij machte is te ontveinzen. Er wordt zelfs gesproken van eene lijst met hunne namen, die hij daartoe zou hebben opgemaakt.”

»En waarop de mijne bovenaan staat?” vroeg de Villiers, even de schouders ophalend.

»Niet de uwe, maar die volgt toch, zoo mijne berichten juist zijn, na dien van den Advocaat van Holland en den heer van St. Aldegonde.”

»Ik moet nu mevrouwe doen opmerken dat zij verkeerd is ingelicht. Nog geen uur geleden was mijn vriend Marnix hier bij mij; onder veel dat wij bespraken, kwam het gesprek ook op onze onderlinge verhouding tot den graaf van Leycester, en Marnix verzekerde mij, dat hij met dezen in goede verstandhouding was sinds de Kanselier van Gelderland tusschenbeiden was getreden. De Graaf heeft St. Aldegonde satisfactie gegeven omtrent zekere onrechtvaardige verdenking, opgevat uit de overgave van Antwerpen, en deze heeft zich strikt onzijdig gehouden in de twisten van den Graaf met de Staten. Leycester moet zelf voorgesteld hebben een zoon van Marnix aan zijn huis te verbinden. Of daarvan iets gekomen is, heb ik niet vernomen, maar — de Heer van West-Souburg, die eenige dagen in Leiden had doorgebracht, scheen volkomen gerust omtrent zijne verhouding tot den Gouverneur-Generaal, en mij dunkt dit is wel het bewijs hoe weinig authentiek dat wraakregister zijn moet, waarmee men mevrouwe heeft ontrust!”

»De Advocaat van Holland schijnt er toch aan te gelooven, want hij heeft op diergelijke waarschuwing, als waarmee ik nu tot u kom, den Haag verlaten midden in den nacht en is naar Delft geweken, waar hij zich veiliger acht.”

»Met recht, Delft heeft poorten en wallen, en er ligt Staatsch krijgsvolk, dat aan den Stadhouder-Kapitein-Generaal bijzonderen eed heeft gedaan en waarop de Advocaat van Holland ingeval van nood zou kunnen rekenen, terwijl den Haag maar eene opene plaats is, waar de Engelsche lijfwacht van den Graaf kwartier houdt en waar een geweldige aanslag, eene oplichting of iets dergelijks wel uitvoerbaar zou zijn; maar toch… mevrouwe verschoone mij, ik geloof niet dat vrees voor zijn persoon of zijne vrijheid den Advocaat zal gedreven hebben om den Haag te verlaten, al bleek het ook iets meer dan een los gerucht, dat Barneveld in zulke overhaasting zou gevlucht zijn.”

»Maar indien geene bezorgdheid voor vrijheid en leven, wat dan?”

»Ja! wat zal ik mevrouwe daarop antwoorden? Het is moeielijk onder woorden te brengen wat mij zelf maar alleen als vermoeden voor de gedachten zweeft. Ik zie er berekening in, veel meer dan eene uiterking van vrees. Verdachtmaking behoort mede tot het stelsel van tegenwerking, dat nu eenmaal aangenomen is om den Graaf hier onmogelijk te maken, en mr. Jan van OIdenbarneveld weet het zeer behendig toe te passen…”

»Ik weet het, gij zijt geen vriend van den Advocaat,” viel Louise in, met een zichtbaren trek van misnoegen op het sprekend gelaat; »wat ik zeer betreure, want geen dier heeren die hier in Holland zoo veel te zeggen hebben, betoont zich zoozeer mij en de mijnen genegen als juist hij.”

»Dat weet ik, mevrouwe! en dat verheugt mij oprecht, ook voor graaf Maurits en uw eigen zoontje. Want dat zal hun zeker ten goede komen, Voor Maurits heeft hij reeds meer gedaan dan een eigen vader had kunnen bewerken; voor u zelve en voor uw Hendrik hebt gij alles goeds van zijne vriendschap te wachten — doch wat mij betreft, ik verwacht noch wensch gunst van hem. Ik ben niet vijandelijk jegens hem gezind, ik erken zijne groote hoedanigheden, zijne volharding, den vasten wil waarmee hij op zijn doel afgaat, dat groote doel, de onafhankelijkheid van het land en de bevrijding van vreemde heerschappij, Datzelfde heb ik ook beoogd, zoo vaak het mij te beurt viel in de publieke zaken gekend en om raad gevraagd te worden, maar over de middelen om het te bereiken ben ik het in ’t geheel niet met hem eens, en hij weet het en hij vergeeft mij dat niet; wat meer zegt, hij is naijverig op den weinigen invloed dien ik nog zou kunnen oefenen; hij verdenkt mij willens te zijn, die tegen hem aan te wenden; zeer ten onrechte, want ik onthoude mij opzettelijk, omdat ik weet tusschen welke gevaarlijke klippen door, hij het schip van staat moet heensturen, en omdat men in zoodanige periculeuse tijden hem, die loods en stuurman beide is, op geenerlei wijze in zijne manoeuvres belemmeren moet, wil men een schipbreuk helpen vermijden.”

»’t Is toch jammer dat de verhouding tusschen u beiden geene andere is; gij kondt hem zekerlijk in menig opzicht goeden raad geven.”

»Het zou mijnerzijds als aanmatiging klinken, dat te beweren; maar zeker is het, dat meester Barneveld die niet van mij zoude aannemen; daartoe is hij veel te onverzettelijk, weet te goed wat hij wil en is veel te trotsch op zijne eigene kracht en kennis, Geloof mij, mevrouwe! geene vijandschap doet mij zoo spreken, geene afgunst of benijding op welk punt ook, maar de indruk dien ik nu eenmaal heb verkregen van zijne persoonlijkheid en dien ik meen geen onjuiste te zijn. Ik mag zeggen, dat ik hem; heb leeren kennen, zoowel in zijn uitstekenden aanleg om een behendig staatsman, een machtig volksleider te worden als in die gebreken en zwakheden, welke hem eigen zijn en die zijne ongemeene eigenschappen verkleinen. Ik heb hem leeren kennen toen hij optrad als pensionaris van Rotterdam, jong nog en reeds aangewezen als een voornaam spreker ter Statenvergadering en reeds bekend als een trouwen moedig ijveraar voor de zaak der vrijheid. In beide kwaliteiten werd hij door den Prins zelf zeer gewaardeerd, met de meeste voorkomendheid bejegend en met een deel van diens vertrouwen vereerd. In het kabinet van mijn grooten meester had ik gelegenheid hem opmerkzaam gade te slaan, en ik deed waarnemingen die mij in bewondering tot dien jongere deden opzien, maar ook andere die mij bezorgdheid inboezemden; en zoo ik destijds mijn meester tot behoedzaamheid raadde tegenover dien jeugdigen eerzuchtige, was het niet — ik mag het met de hand op het hart zeggen — omdat ik hem het toenemend vertrouwen en het openlijk vriendschapsbetoon des Prinsen benijdde, maar omdat ik voorzag ’t geen bij diens langer leven zekerlijk zou gebeurd zijn, dat de oppermacht der Staten van Holland, die Barneveld voorstond, eenmaal in botsing moest komen met het gezag dat de Prins reeds hield en dat hetwelk men hem had toegezegd, en het mijn gevoelen was dat bij zulke botsing Oranje de sterkste moest zijn, in ’t belang des lands, Dit nu heeft meester Barneveld, wiens doorzicht zijn beleid evenaart, reeds toen als voorgevoeld, en vandaar geheime wrok en wantrouwen, Hij geloofde mij jaloersch van zijn toenemenden invloed op den Prins, die hem te veel noodig had om hem niet alle mogelijke voldoening te geven van zijne diensten, maar die er zelf niet van verwijderd was in hem een toekomenden tegenstander te zien, als hij eens den rang en het gezag zou aangenomen hebben, dat de Algemeene Staten hem vaardiger aanboden dan het werd aangenomen, misschien wel juist, omdat in Barneveld zich de geest der Staten als belichaamd had, en de Prins te scherp zag, om niet voor de toekomst te schromen. Hoe dit ook zij, zonder reeds af te treden trok ik mij — en met goedvinden des meesters — meer en meer terug. Het was mij niet moeielijk op den achtergrond te blijven; ik had mij nooit op den voorgrond gesteld, tenzij de groote staatsman, mijn onvergetelijke meester, dat voor zijne oogmerken noodig keurde. Had wereldsche eerzucht mij gedreven, ik zou de bevrediging daarvoor zeer zeker elders hebben gezocht.”

»Maar mijn waardige vriend, aan wie zegt gij dit? Weet ik dan niet dat gij de herhaalde voorstellen van onzen koning Hendrik van Navarre maar hadt aan te nemen om met hem lief en leed te deelen, zooals gij dat met den Prins hebt gedaan, en een ruim veld voor uwe eerzucht geopend te zien. Ik weet wel, daar lagen evenveel kwade kansen als goede op dien weg, maar toch, onze Bearnees twijfelt niet aan eene eindelijke overwinning zijner zaak en gij zoudt den triomf met hem gedeeld hebben…”

»Ik dien hem nòg waar het zijn kan en mag, maar ik had mij nu eenmaal tot levensdoel gesteld Oranje te dienen, aan de bevrijding der Geünieerde Provinciën nevens hem mijne krachten te wijden en daarmede tevens de belangen van Gods Kerke in deze landen te helpen steunen. Daarvoor heb ik steeds mijne persoonlijke wenschen en belangen ter zijde gesteld. Daarom, toen de Prins het inzag, als ik zelf, dat ik, de vreemdeling, de balling, die in den Hollandschen bodem nooit krachtigen wortel had kunnen schieten vanwege des volks vooroordeelen, ter zijde moest gaan voor hem, die de mond, het oog en de rechterhand der Statenpartij beloofde te worden, trad ik terug met alle gewilligheid, want ik wist dat de vriendschap van mijn vorst en, Heer mij nooit zou begeven, dat ik zijn vertrouwde en raadsman mocht blijven in zijne bijzondere aangelegenheden; alleen waar het de publieke zaken gold wist ik uit te wijken om aan Barneveld de voortrede te geven. Dit moest zoo zijn. Ik was het verledene, waarmee men niet meer te rekenen had, hij was het tegenwoordige en de toekomst! Hij kon eischen stellen en verwachtingen voorspiegelen; zijn werkkring was ruim en hij omvatte door zijne eigenaardige organiseerende kracht van uit der Staten vergadering bijkans de geheele staathuishouding; de mijne beperkte zich binnen de vier muren van Oranje’s schrijfvertrek. Zoo behoorden wij niet bijeen, en na het afsterven des Prinsen staan wij dan ook van elkaar af zoo ver… als toekomst en verleden het moeten zijn.”

»En toch zou ik u beiden zoo gaarne vereenigd wenschen. Waarom niet vergeten wat er tusschen ligt en u met den Advocaat verzoend?”

»Er kan geene sprake zijn van verzoening, waar geen twist heeft bestaan! Ik zie in hem den man die den toestand beheerscht en ik misgun hem die hachelijke plaatse niet. Met de belangeloosheid van den grijsaard, wiens rol is afgespeeld, sla ik zijn werken en strijden gade; kon hij slechts gelooven, dat ik het deed zonder wangunst. Hij weet dat ik nòg in het vertrouwen van graaf Maurits deel en diens raadgever ben, en hij is zelfs nog jaloersch van dien invloed; hij ducht dat ik dien tegen hem zal aanwenden. Geheel zonder grond, want ik heb den zoon van Oranje te lief om hem, tegen zijne belangen in, een verkeerden weg op te leiden. Maurits moet zich vast hechten aan dien man, moet zich voorshands zijn bestier, zijne voogdij getroosten, moet naast hem opwassen en rijp worden — niet tegenover hem, dan kunnen zij te zamen veel goeds en groots verrichten ten bate des vaderlands. De Graaf van Leycester weet het maar al te goed, dat ik den jongen zoon van Oranje in die richting heenwijs, en het verzwaart zeker de grieven, ware of vermeende, die deze tegen mij heeft, en waardoor ik zijne ongunst en wantrouwen in hooge mate beloopen heb…”

»Zoodat gij om de gevolgen daarvan te ontgaan, u zonder verwijl naar den Haag moet begeven, eer Leycester in Zeeland aankomt,” viel Louise met gevatheid in.

De Villiers haalde de schouders op: »Zou ik dan te ’s Hage veiliger wezen dan hier, waar ik mijne eigene, wel verzekerde woning heb, en rondom van vrienden en goedgezinde naburen omringd ben? Gesteld dat de Graaf iets tegen mij zou willen ondernemen, is het daartoe dan noodig dat hij in persoon tegenwoordig zij, is het niet veeleer te wachten dat hij in zulk geval zijne handlangers zou gebruiken in zijne absentie?…”

»Wat gij daar zegt, heeft schijn van waarheid, mijnheer de Villiers; maar wij weten het immers, de graaf van Leycester heeft te dezer dage geen gezag meer in Holland, dan in naam, en zijne aanhangers weten dat ook wel en zouden zich daar zeer zeker onthouden van ’t geen ze hier, als onder de oogen des meesters, zouden onderstaan. Zoo volg toch mijn vriendenraad en begeef u naar ’s Hage, waar gij zoowel veiligheid als erkenning zoudt vinden.”

»Verschoon mij, mevrouwe. Het eerste mag waar zijn, ik heb redenen om het andere te betwijfelen, en ik ben vast besloten niet weer in den Haag, niet weer naar Holland terug te keeren, tenzij door den Advocaat, mr. Johan van Oldenbarneveld zelf opontboden…”

»Maar ziedaar nu een opzet tot halsstarrigheid doorgedreven!” sprak de Prinses met ergernis. »Ik ben er zeker van dat de Advocaat u terstond ontbieden zou, als hij van dit uw besluit bewust ware.”

»Om u de waarheid te zeggen, die overtuiging heb ik niet,” antwoordde de Villiers met een bitteren glimlach.

»Denkelijk weet hij niets van de wraakzuchtige voornemens waarmee de graaf van Leycester tegen u omgaat,” vervolgde Louise, »en kan hij dus geen reden hebben u naar Holland terug te roepen. Hij kan te Haarlem of te Delft zijn, en eer hij gewaarschuwd is, eer hij dien wenk, dien ik volgaarne zou willen geven, kan opvolgen, kan u immers reeds getroffen hebben wat uwe vrienden voor u vreezen…”

»Ik ben mijne vrienden zeer dankbaar voor die belangstelling, maar ik ben niet gewoon mij door ijdele vreeze te laten drijven.”

»IJdele vreeze! Gij acht Leycester dus niet in staat wraakzuchtige plannen te koesteren?”

»Dat zal ik niet beweren, maar…”

»Welnu dan — ik zeg het u — lieden die tot zijne omgeving behooren, maken er geen geheim van, dat hij vuur en vlam blaast tegen u.”

»Wie den Graaf eenigszins van nabij kent, weet dat zijn toorn gelukkig stroovuur is, dat schielijk uitbrandt, en daarna komt niet zelden wijzer overleg den boozen wil overwinnen. Van den kortstondigen roes ontnuchterd, ziet die man, die zijn leven heeft doorgebracht aan het hof eener despotieke, wispelturige koningin, en die geleerd heeft zich naar al hare luimen te schikken, en bijgevolg geoefend is in zelfbeheersching, welhaast in dat hij zich zelf veel meer zou schaden dan zijne vijanden, door aan de stem een er ontijdige wraakzucht gehoor te geven. Het is heel wel mogelijk dat Leycester dreigt mij gevangen te laten nemen, zooals indertijd met Paulus Buis is geschied… maar hij zal zich herinneren hoeveel kwaad hij zich zelven heeft gedaan met dien willekeurigen maatregel. Termen om mij met eenigen schijn van recht een crimineel proces aan te doen, bestaan er niet, en al wist hij ze uit te vinden, dan nog zou hij op dit tijdstip van zijn verloren krediet en steeds zinkend gezag, en terwijl hij zijne terugroeping uit Engeland wachtende is, zich toch waarlijk niet meer in opspraak willen brengen door eene daad van despotisme, die voormaals zooveel ergernis heeft gegeven.”

»Mijn hemel, hoe kan een man van uwe scherpzinnigheid zoo blind zijn! Moet het dan juist eene openlijke gerechtelijke handeling zijn waarvan hij zich zou bedienen? Is er niet list en, sluipmoord?”

»Maar, mijne lieve vereerde vrouwe! wat ijdele bezorgdheid is dit nu! Is mijn lot en leven dan niet wel betrouwd in Gods hand? Zou het wel van christelijken moed, wel voor de waardigheid eens edelmans getuigen, zoo ieder vermoeden van eens anders onchristelijke wraakplannen ons op de vlucht joeg?”

»Helaas! christenmoed en edele fierheid, wat baten zij tegen dolk of pistool!” riep de Prinses uit op smartelijken toon, met trillende lippen. »Hoe worde ik er telkens aan herinnerd,” ging zij voort, terwijl zij verbleekte bij die herinnering, en den zakdoek voor de oogen bracht om de tranen te verbergen die aanvingen te vloeien. Zij kon niet voortgaan, maar een diepe zucht alleen getuigde van ’t geen er in haar omging.

»Waarom ook te hechten aan losse geruchten, die zulke smartelijke herinneringen oproepert,” sprak de Villiers half meewarig, half berispend. »U, mijne hoog vereerde vrouwe, mag ik niet zien, zich in deze mate overgevende aan indrukken, die u de somberste tooneelen van uw verleden voor de verbeelding doen oprijzen, het gemoed schokken, en het harte folteren met nameloos leed, en dat om eene zaak die niet verdient dat men er zooveel acht op slaat.”

»Hoe kunt gij zeggen dat het eene geringe zake is, en dat ik geene oorzaak heb tot bezorgdheid?” hervatte de Prinses met zachte, bevende stem, »Gij zijt mijn beste, bijkans mijn eenige vriend hier in den vreemde; mijne naasten en liefsten heb ik allen als onder mijne oogen zien omkomen door verraad en geweld; het ligt mij bij dat ook u iets vreeselijks boven ’t hoofd hangt.”

»Waarlijk, mevrouwe, het is niet goed aan zulke voorgevoelens te hechten.”

»Was het mijne dan zoo bedriegelijk, op dien vreeselijken Juli-dag, waarop mij op eens alle vreugde des levens werd benomen, toen de Heer mij zoo zwaar kwam te bezoeken?… En wie zegt mij dat het geene waarschuwing des Hemels is geweest, die zich aan mij hooren deed, en waarop men had moeten achten! Och! mijn vriend, mijn beste vriend, hoe zou alles anders zijn geweest, zoo mijn gemaal naar de stem van mijn wantrouwen had geluisterd en omzichtigheid had gebruikt in die ure!” En de zwaar beproefde vrouw liet luid snikkend het hoofd zinken in de sidderende handen, die zij voor de oogen hield.

»Verdiep u hierin niet verder, mevrouwe!” viel de Fransche edelman in, met het vroeger gezag van den hofprediker. »Te willen berekenen, wat gebeurd zou zijn indien iets wat zijn moest naar Gods raad, niet ware geschied, gaat boven des menschen vermogen, boven des menschen recht. Des Heeren wegen zijn onnaspeurlijk, en er op deze wijze te willen indringen, ware roekeloos, en zou kunnen leiden tot murmureeringe en tot wanhoop. Dat kan, dat mag de weg niet zijn, dien eene Louise de Coligny, dien de weduwe van Oranje nemen moet. Want het is niet die der waardige christelijke berusting welke ten Hemel opheft, het zou zijn als eene verloochening van het devies dat gij ten geleidespreuk hebt verkozen voor uw leven, Als het rijk des Hemels, welks komst wij met aJle geloovige Christenen vuriglijk van den Heere afbidden, zal gekomen zijn, zal ons alles geopenbaard worden, wat wij nu niet kunnen zien, niet zouden kunnen dragen te weten! en dan zullen wij niet meer beschreien hetgeen ons nu smarte geeft, maar veeleer Gode verheerlijkende juichtonen aanheffen, verzinken in aanbidding en mogelijk het innigste danken, het vurigste loven juist voor datgene, wat ons op aarde het diepst heeft bedroefd, het pijnlijkst heeft getroffen. Gelooft gij dàt? Ja! ik weet het, gij leeft in dat geloove…”

»Voorzeker! hoe zou het mij zijn, zoo ik in dat geloof geen steun en sterkte had gevonden! Hoe zou ik den zwaren strijd des levens uitharden, zonder dien troost, dien het uitzicht op zulk eene toekomst mij schenkt. Toch, ik erken het, waardige vriend! niet altijd licht de troostende en sterkende kracht van dat geloof zoo helder in mijne ziel, dat zij die vreugde reeds smaakt in hope, en de wereld met alle hare zorgen en wederwaardigheden daarbij als in ’t niet verzinkt. Helaas neen! ik voel het maar al te goed, zoo lang het Koninkrijk Gods voor mij nog niet gekomen is, kan de worsteling met het leven mij zwak maken en terneerdrukken, en daarom ook heb ik zooveel behoefte aan een sterkend woord, aan eene steunende vriendenhand als de uwe, om mij in mijn strijd bij te staan en op te richten als ik dreig neer te zinken. Is het dan vreemd, is het dan schuldig dat ik mij over u bekommer, waar ik weet dat gij bedreigd wordt door een man als Leycester, wien zooveel middelen ten dienste staan om zijn wrok te koelen.”

»Men zou in levensgevaar willen verkeeren, om van zulke waardeering, van zulke vriendschap de getuigenis te hooren,” sprak de Villiers, terwijl zijne gitzwarte oogen van iets vochtigs glinsterden; »maar stel u toch gerust, mijne wellieve vrouwe, en heb geene bekommernis om mijnentwil. Wat kan een Leycester tegen mij doen, als mijne ure nog niet gekomen is?… Ik ben immers met al het mijne in Godes machtige hand.”

»Maar men moet God niet verzoeken door zich roekeloos aan gevaar bloot te stellen. Dat was daareven nog uw woord tegen mij, en zooals gij nu spreekt, zoudt gij in staat zijn om hier te blijven ondanks mijn dringen en smeeken dat gij naar Holland wilt gaan, en acht nemen op uwe vrijheid.”

»Uw wil en wensch zal mij steeds een wet zijn, mevrouwe, mits gij niet van mij vergt, wat eer en geweten mij verbieden. Vluchten voor Leycester, omdat deze zich in toorn en drift tegen mij heeft uitgelaten, ware eene erkenning van schuld, alsof de consciëntie mij dreef, en ik heb geenszins de bewustheid van zoodanige schuld. Het is waar, ik heb het mijn hoogsten plicht geacht, den zoon van mijn ontslapen meester voor te lichten en voor te staan waar het zijn kon, en zoo ik mij daarmede den tegenstander van den Graaf heb betoond, is het niet heimelijk geschied, niet door list en verraad. De Graaf heeft altijd geweten wat zij in mij had te zien. Ik behoor tot degenen die zijne overkomst niet hebben gewenscht, die ontraden hebben hem met het opperste beleid in krijgszaken, veel min met het hoogste gezag in de Nederlanden te bekleeden; maar toen het geschied was, toen dat gezag hem vrijwillig en wettig door de Staten was opgedragen, heb ik nooit getracht op sluwe of oneerlijke wijze aan zijn rang en rechten te kort te doen; ik heb hem als opperlandvoogd den schuldigen eerbied bewezen; ik heb hem zelfs eenmaal gewaarschuwd dat hij eene verkeerde richting nam, die oorzaak zou worden dat de oprechte vrienden der Nederlandsche vrijheidszaak niet aan zijne zijde konden blijven. Ik weet wel dat hij dit niet goed heeft opgenomen, maar dat kan ik niet helpen; het was goed bedoeld, en zoo hij mij op wettige wijze ter verantwoording roept, zal ik niet aarzelen tot hem te komen, om rekenschap te geven van mijne handelingen.”

»En zoo hij u zonder vorm van proces doet oplichten en gevangen nemen, wat dan?”

»Dan zal ik de vrijheid nemen mij daartegen te verzetten…”

»Alsof u dat baten zou bij een onverhoedschen aanslag!”

»Geloof mij, mevrouw, ik ben aan feller vervolging ontkomen dan waaraan ik van Leycester’s zijde hier kan blootstaan. Ik heb mij ter prooi gezien aan gloeienden religiehaat en opgewekten moordlust eener woedende menigte in de gedenkwaardige Augustus-dagen van ’72, die ik u niet behoef te herinneren. En ik heb mijne kalmte behouden en mijne aanvallers kloek onder de oogen gezien en toegesproken zonder vreeze, omdat ik mij voelde onder de bewaringe Gods, en ik rekende niet te vergeefs op hooge hulp. De verwoede vijand sidderde onder mijn vasten blik als een getemd roofdier, liet de armen slap neervallen als door machteloosheid getroffen, en zag het roerloos aan dat ik mij rustig verwijderde, terwijl het hem slechts één wenk had gekost om mij door zijne bloeddorstige bende te laten nazetten.”

»Ik heb dat merkwaardig voorval hooren vertellen door onzen vriend Duplessis de Mornay, die er van getuigde als van een wonder.”

»Ik ook heb in deze mijne redding steeds gezien de uitwerking van eene wonderbare tusschenkomst.”

»Wonderen zijn uiterst zeldzaam, mijnheer de Villiers, en durft gij er op rekenen, dat zich die te uwen behoeve zouden vermenigvuldigen?”

»Geenszins, mevrouwe, dat zou vermetelheid zijn, maar deze ervaring heeft mij versterkt in het vaste vertrouwen dat mij niets overkomen kan van de boosheid der menschen dan met toelating van mijn Heer.”

Als onder eene bijgedachte van ootmoed en berusting had hij al sprekende het hoofd gebogen: daarna hief hij het weder op; en met den ernstigen blik op de Prinses gericht, hervatte hij:

»En nu genoeg, mevrouwe, laat ons den tijd niet verspillen met onvruchtbare redetwisten…”

»Ik zal die niet tegen u voeren, als gij maar dit ééne belooft, dat gij u niet zonder noodzakelijkheid buiten Westhoven zult begeven.”

»Westhoven en de manteling tot op het Domburgsche strand, heeft uitgestrektheid genoeg voor mijne dagelijksche wandelingen…… en buiten noodzakelijkheid ga ik zelden een anderen kant uit…”

»Voorts — en dit moet vaststaan, dat gij mij niet te Vlissingen zult komen bezoeken voordat ik u zelve daartoe uitnoodig.”

»Die belofte moet ik wel geven,” hernam hij, even glimlachend, »het zou immers onwelvoegelijk zijn mij op te dringen… maar ik mag toch hopen, dat het banvonnis niet onherroepelijk zal zijn?…”

»Het zal worden opgeheven zoodra ik gerustheid zal hebben omtrent uwe veiligheid. Intusschen denk ik mij zelve niet te versteken van uw raad en toespraak, die mij zoo noodig is; en ik kom u zien zoo vaak de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. Ik maakte heden een toertje naar Domburg om niet rechtstreeks van Vlissingen tot u te komen.”

»De toezegging van uw bezoek zal mij voorzeker tot geduld en berusting stemmen,” hernam De Villiers met eene buiging; »maar gij zelve zijt dan vast besloten van uwe zijde niet op mijn raad te achten en te Vlissingen te blijven?”

»Ik ook, mijnheer, geloof mij daar op mijn post, en zal dien niet verlaten…”

»Overweeg, dat gij u daarop hebt begeven uit eigen wil… en heeft mevrouwe nu ook berekend wat er uit dit opzet kan volgen?”

»Overlast van den Graaf en zijne omgeving, wel mogelijk; maar voor kwade bejegening is geen gevaar. Leycester wenscht met mij en mijn stiefzoon in goede termen te scheiden — hij heeft het mij zelf geschreven en zich aangeboden mijne belangen en die van de mijnen bij zijne koningin aan te bevelen. Of die belofte veel te beteekenen heeft laat ik daar, maar aan hartelijkheid in woorden en plichtplegingen ontbreekt het niet, en naar meer dan het bewaren der uiterlijke vormen behoeft er in dezen niet gevraagd te worden. Laat het gerust aan mij over om den Graaf op dezen voet te houden, ondanks de teleurstelling, die ik hem heb bereid…”

»Ik weet, mevrouw, dat er zeker gebied is waarop ieder man, wie hij ook zij, voor eene vrouw moet ter zijde gaan,” viel de Villiers in, beleefd, maar strak, en het hoofd afwendend, als wilde hij voor haar verbergen wat er op zijn gelaat stond te lezen.

Er volgde een pijnlijk zwijgen. Louise speelde eenigszins verlegen met haar zakdoek, waarvan zij de point d’Alençon zoo oplettend bekeek, of zij de mazen der kant wilde tellen.

De Villiers overwon echter schielijk zijn geheim misnoegen en hervatte op geheel anderen toon:

»En hoe vonden het wel de jonkvrouwen van Nassau, dat zij zoo onverw:a.cht van hare bonne maman werden gescheiden?”

»Zij moeten jong leeren zich in het onvermijdelijke te schikken,” antwoordde Louise, »en ik heb wel hoop, dat het nu goed gaat; maar waarheid is, dat zij geen marâtre in mij zien, en dat er waterlanders en droevige gezichten te voorschijn kwamen toen ik den beiden oudsten mijn besluit mededeelde; maar zij hielden zich toch goed en beloofden mij niets vooruit aan de kleintjes te zeggen, goed op haar te passen en ze wat op te vroolijken, na mijn vertrek. Nu, dat zal wel gaan. Emilia Secunda is nu pas zes jaar, en op dien leeftijd duurt het verdriet maar heel, kort. Mijn kleine Hendrik had er ook niet weinig tegen, de zusjes te verlaten, maar dat is nu alweer gewend; daarbij, zoodra ik zekerheid heb, dat ik rustig te Vlissingen kan blijven, zal ik Moncourt naar Den Haag zenden om de meisjes af te halen. Het liefste heb ik ze bij mij.”

»Louise-Juliane wordt welhaast eene jonge dame,” zei de Villiers even nadenkend.

»Ja, zij is in haar twaalfde en er zal weldra eens over gedacht moeten worden hoe wij haar van een echtgenoot, allereerst van een bruidsschat, zullen voorzien. Het beste zal wel zijn, haar naar Frankrijk te brengen zoo haast de tijden het gedoogen; hier in de provinciën zal toch wel geen uitzicht zijn om eene partij voor haar te vinden en de Condés en de Montpensiers zijn er de naasten toe om mij in dezen bij te staan.”

»Mevrouwe moet in geen geval verzuimen de Heeren Staten daarin te kennen en hun advies te vragen.”

»Gij wilt mij altijd dien weg uit voeren,” hernam Louise met eene beweging van het hoofd, die niet van instemming getuigde.

»Omdat het de rechte is voor de Prinses-douairiere van Oranje,” sprak hij beslissend.

»Aan welke men de kinderen van den Prins heeft toevertrouwd. zonder tot nu toe iets te doen om haar die zorge te verlichten. Er wordt niet naar gevraagd hoe ik rond kom met de omslachtige huishouding die ik voeren moet, en hoe ik het stel om de eer van het Huis op te houden. Niemand weet het beter dan gij, hoe ik leven moet van de inkomsten mijner goederen in Frankrijk, en hoeveel bezwaar het in heeft die hier te krijgen.”

»Ik heb juist gisteren aan mijnheer de Chatillon geschreven over deze bezwaren…”

»Ik dank u, en… heeft men u niets medegedeeld uit… Delft! Zijn de curatoren over de nalatenschap nog altijd niet tot eene schikking gekomen?”

»Zou ik dan uwe komst hierheen hebben afgewacht, om het u te melden? Helaas, neen! daarin is geene oplossing te verkrijgen, zoolang de vaste goederen, waaruit de inkomsten voort. vloeien, nog onder den vijand zijn. Als Breda, als Grave, als de bezittingen in Bourgondië uit des vijands handen zijn gerukt, dan is er kans op eene goede uitkomst; vóór dien tijd durf ik u met geene betere uitzichten vleien… tenzij de Algemeene Staten of de Staten van Holland tusschenbeide komen, om u voorshands schadeloos te stellen voor het gemis uwer douairie.”

»Daar is niet veel kans op. Toch heeft mr. Barneveld mij in vertrouwen medegedeeld, dat de Staten van Holland besloten waren om een voorstel te doen, waarbij mij ten behoeve van ’s Prinsen dochters en voor mij zelve, een jaargeld zou worden toegekend vanwege de Generaliteit, zooals hij dit noemde.”

»Dat is toch altijd een begin,” sprak de Villiers met een fijn glimlachje. »Ja! ik stem het u toe, met smart en met beschaming, de dankbaarheid die men Oranje schuldig is, toont zich voor het tegenwoordige meer in woorden dan in daden, maar de bewustheid der verplichting is er toch, al uit die zich jegens de vorstelijke weduwe nog maar zwak en bekrompen.”

»En toch vergt gij van mij, dat ik in alles het eerst zal vragen naar het welgevallen dier Heeren.”

»Ik ben van gevoelen dat mevrouwe ze erkennen moet in gewichtige aangelegenheden. Het zijn de belangen van ’s Prinsen dochters die dit offer van u vorderen, het geldt boven alles de toekomst van uwen Frederik-Hendrik!”

»Mijn arme kleine! voor hem is niets vastgesteld, zooals voor zijn ouderen broeder. Hij zal zijne fortuin als zijn rang geheel moeten wachten van moeders zijde, door moeders zorge. Zijne toekomst ligt in Frankrijk. Ook hoop ik er mij op toe te leggen een Fransch edelman van hem te maken in den vollen, in den besten zin.”

»Ik begrijp dat voornemen in u, mevrouwe. Ik voed den wensch dat het u gelukken moge; maar bij zijne opvoeding mag niet vergeten worden, dat hij in Holland geboren is en de zoon van een prins, die Nederlander was met het volle harte en in Nederland geworteld is, er het burgerrecht heeft verworven door zijne algeheele toewijding aan de Nederlandsche belangen. Frederik-Hendrik, al noemt gij hem uw Henri, uit liefde voor onzen Henri van Navarre, moge Fransch edelman worden voor het uiterlijke, hij moet naar geest en hart worden gevormd om een Hollander te zijn, een verwant dier Nassauers, die allen voor hun aangenomen vaderland hebben geleefd en zijn gesneuveld. Het kan hem niet toegezegd worden, dat hij eenmaal Prins van Oranje zal zijn, maar er moet niets verzuimd worden wat hem geschikt kan maken om zoo noodig in den rang en de rechten van zijn vader op te treden. Neem dezen raad aan van mij, mevrouwe, ik, die mogelijk den tijd niet zal beleven waarop met zijne opleiding in die richting moet worden aangevangen. Frederik-Hendrik moet leeren zich de belangen van de Geünieerde Provinciën aan te trekken als de zijne, ze boven de zijne te stellen als het gevorderd wordt. Hij moet niet vervreemd worden van zijn geboorteland, hij mag niet verfranscht worden, hoe dierbaar Frankrijk u zelve ook zijn moge. Hij is een Nederlandsch vorstenzoon en moet dat blijven, en moet vaardig zijn dat land te dienen, moet bekwaam gemaakt worden er voor op te treden, er voor te strijden, er desnoods zijn bloed voor te storten.”

In het vuur van het spreken was de Villiers opgestaan, misschien zonder het zelf te weten, als overmeesterd door de kracht eener overtuiging die hij aan zijne toehoorster wilde mededeelen.

Zijne houding zoowel als zijne levendige gebaren getuigden van de geestdrift die hem bezielde, die zijne oogen deed schitteren, en zich af teekende op zijn sprekend gelaat; hij was niet slechts van zijn stoel opgerezen, maar had zijne plaats verlaten, en stond nu vlak voor de Prinses toen hij zijne laatste woorden sprak en den schitterenden blik op haar vestigde als om een antwoord uit te lokken, dat eene belofte moest zijn.

Louise de Coligny had geluisterd met al den eerbied dien de spreker haar inboezemde; zij wist van hoeveel trouwen zelfverloochening hij steeds het voorbeeld had gegeven, als het de belangen gold van zijn aangenomen vaderland, en die van het vorstenhuis dat hij daarmee onafscheidelijk verbond; zij was geenszins de vrouw om zijn raad niet te vatten, noch dien licht te achten, maar zij voelde zich getroffen in hare dierbaarste illusiën, en zacht, met gedempte stem en de oogen neerslaande, als om door zijn vonkelenden blik niet getroffen te worden, gaf zij haar antwoord door eene vraag: »Moet hij dan leeren vergeten dat hij de kleinzoon is van den Admiraal?”

»Waartoe zou dat noodig zijn, en hoe zou ik dit van u kunnen vergen. Is het niet Oranje’s liefste wensch geweest een verbond met de Coligny te sluiten tot verlossing van Nederland. Die is niet vervuld geworden, maar als men het vermogen had ze beiden te zamen hier op te roepen, dan weet ik dat ze u als uit één mond in denzelfden geest zouden toespreken als ik mij onderstond dat te doen. Het schijnt vermetel, wat ik nu zeg, maar de stoutheid komt voort, niet uit ijdele pralerij, maar uit de gewisheid die ik heb, van in het innigst vertrouwen des Prinsen te hebben gedeeld, die zijn vurig afgebeden zoon nooit zou hebben bestemd om een vazal van Frankrijk te worden maar om een vrij man te zijn in zijn eigen vrijgevochten land, en daarin hetzij als staatsdienaar, hetzij als legerhoofd, de eere op te houden van de beide geslachten, waaruit hij gesproten is.”

»Dus geene opvoeding in Frankrijk, geen verblijf aan het Fransche hof zelfs, als het ons gebeuren mocht Hendrik IV op den troon te zien?” vroeg Louise, somber en aarzelend.

»Eene opvoeding in Holland, dat moet vaststaan,” hernam de Villiers beslist, »en wat een verblijf in Frankrijk betreft, hij moet het vaderland van zijne moeder leeren kennen, maar slechts bij kort, zij het ook herhaald, oponthoud, en geen verblijf aan het Fransche hof, zelfs al wordt onze geliefde Bearnees koning van Frankrijk, tenzij met voorkennis en goedkeuring der Staten. Doch dit alles is van latere zorg; er moet altijd geraadpleegd worden met ’t geen de omstandigheden zullen gebieden of veroorlooven. Ik geef niets aan, dan het beginsel.”

»Eene Hollandsche opvoeding,” verzuchtte Louise, »en gij weet, beste vriend, hoe de zeden en manieren der Hollandsche en Duitsche heeren mij tegenstaan! Dat drinken, dat vloeken, die ruwe vuistgevesten voor de aardigheid. Maurits is er al ingegroeid, en bij eene hardnekkigheid als de zijne, is daar geen fatsoeneeren meer aan; maar te denken dat mijn eigen zoon, mijn Henri, in diezelfde richting zal opwassen, vervreemd van de Fransche beschaving…”

»Dat volgt niet noodzakelijk uit eene Hollandsche opvoeding onder uw oog, met uwe leiding, maar hangt af van de opvoeders welke gij hem geven zult. En indien wij wat dieper gaan dan de oppervlakte, mevrouwe, is het dan wel gezegd dat bij betere vormen, bij fijner vernis, de Fransche zeden en manieren zooveel reiner en waardiger zijn? Weten wij niet welke bedorvenheid en laaghartigheid er schuilen kan onder uiterlijke hoffelijkheid, en welke gruwelen het blinkende weefsel der verfijning soms weet te bedekken? Behoef ik u dat te herinneren? Gij, die het hof der Valois hebt gezien. Nu ja! deze Hollanders kunnen plomp zijn, houden van ruwe scherts en grove potsen, maar het kwaad komt in den regel bij hen naar buiten, en het verpest niet het binnenst; daar zit geen list of verraad in, zij zullen geen vergif dragen in een geparfumeerden handschoen, geen dolk voeren onder een zijden mantel vermomd. Ze zijn rond en eerlijk, ze hebben verstandige hoofden, waar het hunne belangen geldt, en strijdbare vuisten als zij hun geloof of hunne vrijheid hebben te beschermen. De Prins had het Hollandsche volk lief, omdat hij wist wat hij er in vinden zou en wanneer hij er op kon rekenen. Ik behoef niet te vragen of mevrouwe mij verstaat, als ik zeg dat de ware beschaving niet ligt in fijne manieren, of een geslepen geest, maar uitgaat van het harte, van het gemoed, door zuiveren godsdienst hervormd, van oprechte naastenliefde vervuld, waaruit de volmaakte wellevendheid voortkomt; zij sluit gracelijke vormen niet uit, maar zij vraagt niet het eerst naar deze. Dat is die beschaving, mevrouwe, die u zelve reeds eigen is, en die de uwe is geworden, niet door de opvoeding aan een weelderig hof, maar in de school des lijdens… Stemt gij mij dit toe?”

»Ik moet wel,” hernam Louise, een weinig kleurende, »want gij weet alles van mij, gij weet onder welke worstelingen ik geworden ben wat ik… tracht te zijn.”

»Welnu dan! deze beschaving zult gij zelve uwen zoon mededeelen door uwe leiding, door uw voorbeeld; hij zal dat voorbeeld navolgen zoo wij hopen willen, gelijk uwe pleegdochters reeds bij aanvang bewijzen.”

»Goed dat gij mij aan de meisjes herinnert,” hernam Louise, die zich door de Villiers op hoffelijke wijze verslagen zag, en geene vrouw had moeten zijn, om daarover niet een weinigje spijt te gevoelen. »Ik heb de oudste beloofd haar spoedig te schrijven, en haar omtrent mijne goede overkomst gerust te stellen. Als dat nog vandaag geschieden zal, mag ik mij hier niet langer ophouden. Ik heb nu een bode die zich van avond zou inschepen… Hebt gij zelf iets voor Den Haag. mijnheer de Villiers? De man is vertrouwd. Dan kan hij het tegelijk mede nemen.”

»Het zou zijn een boekje voor den President van der Myle, maar… het pakketje is nog niet gemaakt en de brief niet geschreven…”

»Dat komt omdat ik u.weer zooveel tijd heb geroofd.”

»Mijn tijd is volkomen te uwer beschikking, mevrouwe,” maar waarheid is, dat ik u niet op dat pakje kan laten wachten; het is werkelijk voor u tijd om naar Vlissingen terug te keeren, tenzij mevrouwe ons de eer zou willen aandoen hier het middagmaal te nemen.”

»Op een anderen dag hoop ik mevrouw de Villiers en uwe dochters te groeten; nu mag ik niet langer blijven, maar… de tijd gaat zoo ongeloofelijk snel om, als men samen is met een vertrouwd vriend, aan wien men zooveel te zeggen heeft…”

»Bovenal, als men het niet zoo terstond over alles eens is,” hernam de Villiers met zekeren nadruk.

»Maar zich ten slot te toch gewonnen geeft,” antwoordde Louise, hem de hand reikend, en de zijne drukkend, als om hem te verzekeren dat de lichte wolk reeds weer voorbij was getrokken.

»Wees nu zoo goed mijn Zeeuwsche galakaros te doen voorkomen.”

De Villiers haastte zich aan dit verlangen te voldoen, en toen de huisknecht kwam berichten »dat de wagen voor was,” en hij haar hoffelijk uitgeleide deed, vroeg de Prinses nog:

»Geen brieven uit Frankrijk voor mij, niet waar?”

»Zoo die er waren, zou ik begonnen zijn met ze u te overhandigen.”

»Ze weten niet wat ze mij doen, met mij zóó te verwaarloozen…” verzuchtte Louise.

»Mijnheer de Turenne had het voornemen spoedig te schrijven, maar de oorlog, de communicatie die telkens belemmerd wordt… er is aan geene geregelde correspondentie te denken.”

»Voor de uwe naar Den Haag zal ik zorgen; ik zal nog in den namiddag iemand zenden, die uw pakketje afhaalt,” en de Prinses stapte in haar voertuig, dat stapvoets doorreed, terwijl de Villiers het vergezellen bleef tot aan de uiterste grens die zijn grondgebied van den heerweg scheidde. Juist toen de Prinses hem de hand toestak tot afscheid en hij die kuste, zag men een cavalier, die de Engelsche kleuren droeg, langs Westhoven voorbij rijden, in de richting van Domburg, gevolgd door een troep Engelsche ruiters.

»Ziet gij wel!” fluisterde Louise, de Villiers bedenkelijk aan. ziende.

»Daar er Engelsch garnizoen te Vlissingen ligt, is het toch wel niet vreemd dat officieren en krijgsvolk naar deze zijde hun wandelrit uitstrekken!”

»Ja! maar ziet gij wel hoe ze naar ons omkijken?”

»Een Zeeuwsche wagen, met de livrei der Prinses van Oranje, moet voor die heeren een vreemd verschijnsel zijn…”

»Dat is zoo, maar toch,… Zult gij op uwe hoede wezen en geene onvoorzichtigheid begaan?”

»Wees er gerust op, mevrouwe, un homme averti en vaut deux, en… aan de waarschuwing hapert het immers niet,” had de Villiers er willen bijvoegen, maar de paarden vonden goed hem niet te laten uitspreken; zij toonden hun ongeduld zoo duidelijk door stampen en het schudden met de hoofden, dat de Villiers het teeken gaf om op te rijden. Louise wuifde hem nog met de hand eene laatste groete toe.

Naar deel V.


Ingezonden op: 19 July 2001