P. C. Boutens (1870-1943)

Na het feest

De roode heugnis van dien nacht
Heb ik in stille zon herdacht
Tot vreugde die door tranen lacht:

Nog onverbroken bleef de rei;
Wij waren veel en velerlei;
En geen was droef, en elk leek blij.

Wij hadden ons op 't feest verlaat.
Het donker door de leêge straat
Keek als een gast die weldra gaat.

Een hooge onzichtbre vogelvlucht,
Maakte de morgenwind gerucht.
De sterren bleekten in de lucht.

Toen vlood ons aller moede lach
De trillende oogleên van den dag
Binnen dat huis van schel geklag.

Daar hielden venstren dichtomhangen
De moêgewaakte nacht gevangen
Bij valsch klavier en heesche zangen.

Boven der gasten ijlen ring,
Een tuil verwelkte rozen, hing
De luchter van de zoldering.

In wolk van rook verheven stond
Een schim en zong uit bloeden mond,
In 't vaal gelaat een open wond.

Als een die smart met wanhoop sust,
Wier onrust niet meer hoopt op rust,
Zong ze, onder liefdes naam, van lust.

Toen zeeg op ziels verkleumd gemis
In killen dauw de droefenis
Die vreugde zonder blijdschap is.

In aller oogen en profiel,
Ineens alsof een masker viel,
Rilde de kommer van de ziel.

Alleen uw eenig aangezicht,
Als in een ver ontastbaar licht,
Bleef van Gods bloemen opgericht.

Als een mysterie onvermoed
Scheen van u uit in klaren gloed
Gods licht dat elk aanbidden moet. . .

Een donkre vrouw rees van den wand
En schaterlachte naar uw kant
Lach als een mans gebalde hand.

De zang verstomde, de muziek
Smoorde in een klagelijken snik;
De stilte zwoelde tot paniek.

Geen rees of roerde of fluisterde er.
De lampen gloorden duisterder.
Gij werdt als onbereikbaar ver.

Ik zag het gouden mededoogen,
Den glans van uw verheerlijkte oogen
Over haar duistren lach gebogen.

Als wie een aalmoes niet begeert,
Die onwelkome weldaad weert,
Zag ik haar oog naar u gekeerd.

Ik zag uw hand aan haar geleid
Zooals men troost een mensch die schreit,
Zooals men sust een kind dat lijdt. . .

Ik zag haar siddren als een riet;
Als wie niet wil wat haar geschiedt,
Kromp zij ineen en droeg het niet.

Haar hoofd zonk in der handen scheel;
Zooals een snaar springt op een veêl,
Snikte de smart op in haar keel. . .

Straks op de thuisreis aan uw zij
In stille zon dacht schaamte blij
Hoe zij geweend had ook voor mij.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.