P. C. Boutens (1870-1943)

Invocatio amoris

Dien de blinden blinde smaden,
  Daar uw glans hun schemer dooft
Waar de kroon van uw genaden
  Weêrlicht om éen sterflijk hoofd:

Door de duizenden verloornen
  Aangebeden noch vermoed:
God dien enkel uw verkoornen
  Loven voor het hoogste goed. . .

Door de kleurgebroken bogen
  Van de tranen die gij zondt,
Worden ziende weêr mijn oogen
  Als in nieuwen morgenstond:

Zien de matelooze wereld
  Stralen nog van zoom tot zoom:
Heel de matelooze wereld
  Bleef uw ongerepte droom!

Laat mij onder uw beminden,
  't Zij gij zegent of kastijdt:
Blijf mij eeuwiglijk verblinden
  Tot het kind dat u belijdt.

Lust en smart in uwe banden
  Werd hetzelfde hemelsch brood:
Eindloos zoet uit uwe handen
  Laav' de laatste teug, de dood.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.