P. C. Boutens (1870-1943)

Voorjaarsstorm

Voor de oogen van de voorjaarszon
Strekt de winter weêr zijn wolken hand.
De stoere zeewind dorscht en want
Looze' oogst van lentes onrijp schoon.

Met forsche luchten streken vaart
Zijn vlegel door het rank gewas.
Hij knakt de bloemen in het gras;
Hij zeeft de bloesems over de aard. . .

O ziel, o bloem die tijloos bloeit
In 't zuiver en onwrikbaar licht,
Den weêrglans van Gods aangezicht,
Dien nimmer wind of nevel moeit, -

Hoe bleef gij trouw en teêr verwant
Aan alle schoonheid die vergaat:
Den glans van 't kinderlijk gelaat,
De bloemen van het lenteland;

Eén met wat hulploos naakt en bloot,
Als voor het oog der goden gij,
Wacht de genâ van 't aardsche tij
En slechts geluk wil of den dood; -

Gij zult niet zingen sterk en vrij
Zoolang uw minste zuster lijdt - :
Als weêr de zon den morgen blijdt,
Dan voert de leeuwerik de rei!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.