P. C. Boutens (1870-1943)

In den morgen

Hoe hebt gij mij genezen
  Uit lusteloozen dood
Tot al de gouden vreezen
  Van dit nieuw morgenrood!

De blijde vloed komt binnen
  En vindt mij leêg en rein:
Ik kan mij niet bezinnen
  Op den voorbijen schijn.

Ik voel het teedre leven
  Als bloed zoo warm en rood
Door sterke handen beven
  Bij 't breken van mijn brood.

De dauw die koelt mijn mond en
  De schaduw in mijn borst,
Laaft maagdelijke gronden
  Van onvermoeden dorst.

Mijn zalige oogen wasschen
  Zich weêr na langen tijd
In de doorzonde plassen
  Van Gods oneindigheid.

Gelouterd zijn mijn ooren:
  Weêr kan ik door 't gebed
Der diepe stilte hooren
  Gods heimelijken tred. . .

Hoe hebt gij mij genezen
  Uit lusteloozen dood
Tot al de gouden vreezen
  Van dit nieuw morgenrood!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.