P. C. Boutens (1870-1943)

Nacht

Vind ik un eindlijk, broeder Nacht?
Hoe heb ik dag en nacht gesmacht
  Naar 't water uwer oogen.
Wel viel de dauw der donkerheid,
Maar neevlen dicht en kimmewijd
  Hielden uw blik betogen.

Nu aan den open hemel staat
De vaste rust van uw gelaat
  Zoo sterrestil gerezen -
Tot grauwe dag de vooglen wekt
En met zijn floers uw glans betrekt,
  Zullen wij samen wezen.

In uwen zilvren spiegel zag
Ziel vaak den jongen blanken lach
  Van ongestild verlangen
Naar wat de dag niet geven kon -
Uw sterren en uw bleek zon
  Koelden haar heete wangen.

Nog altijd draagt zij geen sieraad
Dat in uw ademtocht beslaat:
  Zij komt u ongetogen
Zoo naakt als toen zij alles dierf,
En de éene schat dien zij verwierf,
  Zijn haar verheerlijkte oogen.

Mijn broeder die mij nooit bedroog,
Wij zien elkander oog in oog -
  De ziel herkent van verre,
Voorgoed in haar bezit gerust,
Gelukkig en gelukbewust,
  Haar oogen in uw sterren!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.