P. C. Boutens (1870-1943)

Vóor het ontwaken

Door de wijding van den morgen
  Kom ik waar gij roerloos ligt,
  Witte roos nog nachtedicht,
In den diepen stroom geborgen
  Achter ooggedekt gezicht.

Met het klaren van de kleuren
  Aan der heemlen ijlen toog,
  Over aardes wijden boog
Beid ik dat uw wimpren beuren
  Boven de' afgrond van uw oog.

Dan zal ik u lang verhalen
  Van de bleeke maanflambouw,
  Van het huivrend morgengrauw,
Van der sterren laatste stralen,
  Van de bloemen in den dauw.

Hoe de blonde neevlen lichtten
  Van der aarde groen gelaat;
  En der vooglen vroege praat;
Al de hemelsche gezichten
  Langs de blanke morgenstraat. . .

Totdat schoon van schoon verloren
  De verstilde heugnis wekt,
En de droom in 't licht herboren
  Heemlen uwer ziel betrekt;
Tot ook mij zal toebehooren
Wat uw trekken uitverkoren
  Met zijn blinden glans bedekt.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.