P. C. Boutens (1870-1943)

In eenzaamheid

Weêr ontvangt mij vroeger einder:
Al het schoon van aarde en hemel
Vloeit ineen tot de oude lijn der
Diepe zee wier lichtgewemel
  Mijner oogen jonkheid boeide
  Vóor haar vloed om u vervloeide.

O als welk een ander kind,
Armer wel en zeker droever,
Zat ik aan denzelfden oever
Eer mijn ziel u had bemind!
  Hoe verdiept de duizend glansen
  Over de' eigen spiegel dansen!

Al de brandend witte rozen,
Aller vooglen hoogste wijzen,
Sneeuwen wolken en de hoozen
Blanke sterren die er rijzen,
  Al de stralende oogenlichten
  In der menschen aangezichten:

Al de brekers op de wijde
Zee die uitvloeit aan mijn voeten,
Zijn de onafgebroken stoeten
Van het zegerijk geleide
  Waarvan de ommegang niet eindt
  Tot uw glans hem overschijnt.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.