P. C. Boutens (1870-1943)

Op de thuisreis

In het stergedoofde Zuiden,
  In het vroeg ondiepe licht
  Bleekt een groote wassen maan,
Als een droom nietmeer te duiden,
  Een verduisterd zielsgezicht
  Door de dagen met ons gaan.

Naar het Oosten reikt mijn reizen,
  Waar de diepe horizon
  Achter donkre heuvlen brandt:
Van hun toppen zie ik rijzen
  Straks de stille gouden zon
  Over 't onbegrensde land.

Weinig lange weken straalden
  Zon en maan voor oog en voet
  Vreemde paden schoon en licht -
Nimmer week wat rees of daalde,
  Aan de kimmen van 't gemoed
  Weêrglans van uw aangezicht.

Eer een tweede zon zal stijgen,
  Nacht de komst der maan vermoedt,
  De eerste ster door 't donker bloedt,
Zien mijn oogen weêr ziels eigen
  Vaste zon, uw oog doorgloed
  Van het licht dat ebt noch vloedt!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.