P. C. Boutens (1870-1943)

Gezelschap op den weg

Wij zullen zeker samen gaan
Den korten weg elk tot zijn schat:
Tot waar de rosse hemelbaan
Rookt boven lampverlichte stad:
  Elk naar het naaste doel van eigen hart:
  Ik naar geluk, en gij naar smart.

Hoe kan het zijn dat lach en woord
Waarin mijn ziel heur heil besomt,
De hoogheid van uw smart niet stoort?
Hoe dat uw oog zich niet vermomt,
  Maar naar mijn oogen schreien kan
  Als aan de borst van even eenzaam man?

Met toortsen in den vroegen nacht,
Met lichte zangen in den dag
Heeft Vreugd mij langs den weg gewacht;
Ik ging aan haar voorbij met effen lach.
  En u heeft menigmalen Smart ontmoet
  En won alleen gesloten groet?

Zoo vinden Droef en Blij elkaêr,
Twee zwervers in het vreemde land,
En door der onbekenden schaar
Gaan zij een eind weegs hand in hand,
  En in den gouden klank van de eigen moedertaal
  Wordt vreugd en smart hetzelfde hoog verhaal.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.