P. C. Boutens (1870-1943)

Kind der aarde

Nu kom ik elken nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Geen afstand in den avond scheidt mij van uw liefdelichte huis.

Voorgoed uit al Gods sterren ken ik de eigen moeder mijn:
Daar is niets in de wijde heemlen als uw oogenschijn.

Hoe vindt de schaamte mijner oogen, Moeder, u onveranderd schoon;
Hoe bleeft gij trouw en goed, Moeder, voor den ontrouwen zoon!

Ik slaap zooals een ongeboren kind zoû slapen in uw schoot,
En drink uw koele donkre kracht in nachtelijken dood,

En elken nieuwen morgen in het nieuwe licht
Rijs ik op sterker vleuglen, Moeder, weg uit uw gezicht:

Al ziel en vogel die zijn moêheid dichtst aan uw hart verslaat,
Die stijgt en zingt het naast bij God met iedren dageraad. . .

Zoo laat mij elken nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Mij kan geen afstand scheiden, Moeder, van uw liefdelichte huis!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.