P. C. Boutens (1870-1943)

Een oud lied

Ik zag uw ziel in oogenschijn
Beluistren als een schoon verhaal
Dit oude lied in vreemde taal,
Dus mag het niet vergeten zijn:

Zoo vele lange dagen scheen
De heete zomerzon:
De wateremmer in de bron
Schuurde langs 't droge steen.

De laatste straal der zon verblonk,
De maan besteeg haar volle wacht.
"Ik kan wel voor éen zomernacht
Buiten mijn avonddronk.

Maar waar vind 'k water voor de bloem
Die 'k draag zoolang ik 't leven weet,
Op aller dagen simpel kleed
Als eengen witten roem?"

De kelk hing neêr aan dorren steel.
Heur blank gezicht werd als 't gelaat
Van een ziek kind dat sterven gaat.
Zoo leî 'k haar naast mij op de peel.

Mijn ziel zocht rusteloos en loom
Door 't graf van 't ijle donker rond
Dien tijdeloozen nacht, maar vond
De deur niet naar den lichten droom.

Ik hoorde vallen éen voor éen
Mijn eigen tranen door de stilt:
Die welden stadig warm en zitl,
Tusschen geloken leên.

Wit keek de morgen door den kier.
De wind stak op om 't eenzaam huis;
De hemel brak in koel geruisch;
De regen sloeg op veld en dier.

Ik rees en stond, mijn hand ontsloot
De ramen van het breed kozijn;
De kamer liep vol vochten schijn - ;
Daar lag de bloem als bloed zoo rood.

Teêr droeg ik haar, een kind dat sliep,
Naar buiten waar de regen viel.
De roode bloem, mijn eigen ziel
Dronken het leven lang en diep.

Daar smolt de zon door wolkenwand,
In 't Westen rees de regenboog;
Diep uit het bloemehart omhoog
Reukte de geur als offerand.

Nu houdt zij steeds haar aardsche kleur,
Mijn roode bloem, mijn roode lust -
Maar, hemel al op aard bewust,
Haar gansche ziel werd geur!

Ik zag uw ziel in oogenschijn
Beluistren als een schoon verhaal
Dit oude lied in vreemde taal,
Dus mocht het niet vergeten zijn.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.