P. C. Boutens (1870-1943)

Bij een doode

Lief, ik niet om hem weenen
  Waar hij stil en eenzaam ligt
In het schoon doorzichtig steenen
  Masker van zijn aangezicht
Dat de dingen er om henen
  Met zijn bleeke toorts belicht.

Lief, ik kan geen tranen vinden
  Als mijn hart hem elders peist,
Waar zijn ziel met de beminde
  Sterren van den avond rijst
En ons, dagelijks verblinden,
  Hooger wegen wijst.

Naar de heemlen van de lage zoden
  Stijg' de gouden offervlam!
Wie kan weenen naar de vroeg vergoden
  Die de dood ons halen kwam? -
Tranen, lief, zijn enkel voor de dooden
  Die het leven nam.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.