P. C. Boutens (1870-1943)

Nocturne

En waart gij nimmer zelf gekomen,
En had geluk slechts kunnen zijn
Van teêrst gemis de waterklare pijn
En tegen de' achtergrond der bonte droomen
Lichtschaduw van uw verren schijn,
Uw zon die nimmer boven kimmelijn
Rees uit oneindigheids verstilde stroomen, -

Ik zie geen ander doel voor 't eenzaam wachten
Der gouden dagen, der juweelen nachten,
Geen inniger en dieper smaken
Van de eeuwigheid in aardes brood,
Geen naadren weg tot God te naken,
Geen zachter peluw voor den langen dood. . .

In werelds tuin, tusschen Gods vaste lichten
En aardes jarelijks verjongd gelaat,
Hier waar in 't spel van zon en maan
De wolkalleeën opengaan
Tot al de spraaklooze gedichten
Der hemelsche gezichten,
Had ik verwacht uw dageraad:

'k Had u verwacht zooals wij beiden
In dit geduld zonder verwijt
En onvoorwaardelijk verblijden
God wachten op zijn eigen tijd,
Wij twee die samen daaglijks deelden
Van liefdes boom de vrucht zoo scherp en zoet,
En proefden in haar nasmaaks sidderende weelde
De heerlijkheid die Hem vermoedt.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.