P. C. Boutens (1870-1943)

De wolken spieglen

De wolken spieglen in de zee.
Het is geen avond en geen nacht:
Geen schijn van zon of maan of ster
Vloeit door het hooge koele blauw
Achter het windloos vlotte zwerk:
Niets glanst in hemel of op aard
Dan enkel uw verklaard gezicht.
Het is geen avond en geen nacht;
De wolken spieglen in de zee.

Wij zitten bij den top van 't duin
Hoog in de bocht van 't diepe pad;
Laag ligt gelijk een bleek ravijn
Het strand voor 't duister klimmend vlak
Der groote huiver-effen zee.
Het is geen avond en geen nacht:
Niets straalt dan uw verklaard gezicht.
Hoog in de bocht van 't diepe pad
Zitten wij bij den top van 't duin.

Wanneer en waar was ik nog eens
Zoo hoog en stil met u alleen,
Dat zooals nu de fletse schijn,
Weêrlicht van zomermiddagbui,
Die vaagt door uwer oogen rust,
Aleenige herinnering
Aan droom van god en wereld leek -
Wanneer en waar was ik nog eens
Zoo hoog en stil met u alleen?

Wij zitten bij den top van 't duin
Hoog in de bocht van 't diepe pad.
Achter het windloos vlotte zwerk
Vloeit door het hooge koele blauw
Geen schijn van zon of maan of ster,
Het is geen avond en geen nacht:
De wolken spieglen in de zee -
Wanneer en waar was ik nog eens
Zoo hoog en stil met u alleen?


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.