P. C. Boutens (1870-1943)

Eindeloos

Wij die onze eenzaamheid
Droegen als goden,
Wij kunnen minnen
Eindeloos. . .

Zie welk een huis ons
Verlangen gebouwd heeft:
Landen en zeeën
Plaveien zijn vloeren,
Zonlicht en maanschijn
Zoldren de kameren,
Achter de sterren
Wijken de tinnen -
Wij kunnen minnen
Eindeloos. . .

Lief, dat gij mijn zijt,
Lief, dat ik uw ben,
Wat is het anders
Dan de diep-eerlijke
Grondlooze klaarheid
Onzer onneembaarheid:
't Wolkloos bezinnen
Dat wij beminnen
Eindeloos. . . ?

Leven is groeien:
Enkel oneindigheid
Waarborgt ons liefde, lief,
't Eeuwige leven, lief, -
Leven was groeien, lief,
Eindeloos:
Nu wordt het bloeien, lief,
Eindeloos. . .

Wij die onze eenzaamheid
Droegen als goden,
Wij kunnen minnen
Eindeloos!


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.