P. C. Boutens (1870-1943)

Lach en tranen

lach en tranen worden zelden
Aan de heemlen onzer oogen
Als naast zuivre glansdoorwelde
Maan de ster vergeet te schijnen,
Als aan blauw doorzonde bogen
Gulden nevelen verdwijnen.

Dieper lachen, zachter weenen
Ruischen door den klaren nacht;
Oogen op hun stille wacht,
Al de heemlen om ons henen
Luisteren verrukt naar éene:
Hoe ziel weent en lacht.


Uit de bundel "Vergeten liedjes", zesde druk
C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1929
Bezorgd door Piet Bron.