Stemme: O roosjes root! o paerle gent:, &c.
Vermaledyden
Gelt honger snoot,
Die nu dus byden
Mensch is soo groot,
Want deygen baet
Blijft onversaet
Altijt,
Door t gierich begeeren die hun t hert verbijt,
Nootdruft en
maet
Hy gantsch versmaet
En mijdt,
Tot hem de gierigheyd recht kastijt.
t Verdoenmt begeeren,
Alsmen t verwerft,
Gaet zich vermeeren,
Dus die t niet sterft,
Die quelt syn hert,
Verselt met smert
En siet
Syn volkomen wenschen verkrijght hy niet,
Hy is te vart
In t gelt verwart,
t Geschiet
Dat dan noch t geldt zijn Meesters gebiet.
t Ellendigh leven
En vervloeckte vrucht
Van die haer geven
Tot dese gelt-sucht.
Diens hert derft rust,
Door smart sterft lust
Hen af
En dese gelt-sieckt helpt heur in t graf,
Mits giericheyt
Hun haest bereyt
Een straf,
Want sy haer dienaers noyt de kost en gaf.
Fy onbedochte
Gierige lien
Die korts verkochte,
So men heeft gesien,
U kindt vermaart
Aen een Rijckaart!
Soo t scheen,
t Geldt berooft de mensch van alle reen;
Hebt ghyse gehspaert,
Hier toe bewaert
Voor een,
Die u met goudt de oogen sou bekleen?
U blintheyt blinde,
Blinder dan blindt
Sult ghy bevinden,
Ghy die voor u kindt
Haer voordeel niet
Te recht insiet
Om t gout.
Siet dat het namaels u niet berout,
Als haer t verdriet
Van hem geschiet,
Vertrout
Dat ghy dat geen beklagers hebben sout.
Wie sout beklagen
Die t sijn selfs doet,
Door t snoot behagen
Van t valsche goet?
Ghy socht veel meer
Het geld als eer
En deughd
Ghy waenden in t geldt den grootsten vreughd,
Maer als dit weer
Eens neemt zijn keer,
Soo meught
Ghy dit beschreijen met veel ongeneucht.
t Sijn ware Princen,
Jae Heeren groot,
Die niet veel winschen
En dit verstoot
Den overvloet
Van s werelts goet
En pracht,
Die heeft een Princelijck gedacht.
Die sich matelijck voet
Nae zijn honger soet,
Ick acht,
Dt sulcken Prins s werelds doen belacht.
Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 december 1997.