G.A. Bredero (1585-1618)

GENOMEN UYT DE FABLEN ĘSOPUS.

Wie dat sich belght an dit, geloof ick niet dat schranckdigh is,
Hy stoot sich an een stroo, die sot en onverstandich is.

Een plompen Esel sagh met oogen, dwars verkeert,
Hoe dat de wyse Leeuw van yder was ge-eert,
Van yder was bemind, van yder was gepresen:
Die sotte Beest, dat socht gesien oock soo te wesen.
Hy tro na ’t Diepe-Land, daar men van ouder eeuw,
De dieren licht vervormt in Aecxters, Vos of Leeuw.
Het geld, het loose geld deed hem in schijn verand’ren,
Soo quam dit domme Dier hiet als een Leeuw an-wand’ren,
Verkleydet inden huyt van een spits-sinnigh beest,
    De neske Esel, trots, van op-geblase geest,
Kon wesen nocht gelaat recht na de kunst bestieren;
Bekend zijn sotheyd werd van die vernufte Dieren,
Want d’erge Vogels kloeck en ’t redelijcke Vee
Die dreven haren spot en haren deun daar mee.
Sy schreven an de wanckt, en gingen daar an schryven:
Wie dat een Esel is die moet een Esel blyven.
Flucx Garen-wat gaat wegh, wegh Weet-niet met u schijn,
Jy bint en Plompaart, en jy wild een Kloeckaart zijn.

Met quam daar een krioel van Jongen en van Ouwen,
En juighden uyt den Nar met hondert duysent jouwen.

Misschien een wrockend Geest, of een swaarhoofdigh bloed
Sal, schrollende met schemp, die mijn versieren laken,
Deur dien hy , al te wijs, gelooft noch en bevroed
Dat een-maal is geschied, dat stomme Dieren spraken:
Men moet koer-Ossen fel oock weer als Stieren raken!
Ghy Helden weest getroost, noch moet ick tot besluyt seggen:
Men kan somtijds een Man met moye klieren maken.
Mijn Heeren, ’t is mijn schuld kan in mijn sin niet uyt-leggen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 januari 1998.