G.A. Bredero (1585 - 1618)

ANGENIET

HET EERSTE BEDRIJF

EERSTE UYT-KOMEN.

Roosen-daal en Klaremondt.

Ach Klaremont mijn vrou! mijn dunckt dat onse dagen
Allengsjens ons ontgaan, en voorts ten grave jaghen:
Helaas! de grijse Tijdt die loopt veel snelder hier
Dan ’t swalpend’ water van de ruyschende Rivier,
Dan stroomende met kracht komt schuymend afgedreven,
Doch gheen dingh is so vlugh als ’s menschen vluchtigh leven!
Want of men schoon een man hier tsestigh Jaren siet,
Hy valt en stort daar heen en smeult en smelt tot niet:
De Doot omcingelt ons, wy zijn sijn na-ghebuuren,
En moet na de Wet en reghel der natuuren
Ons onder sijn banieren al gheven, soo wy sien
Aan jongh en jeughdigh Volck, aan ons ghelijcke li’en,
Aan maaghschap en aan bloet, aan vrienden en bekenden
Die by ons syn verleeft, ’t ghetal is sonder ende:
Sy sijn nu in haar rust, en legghen in het stof,
En slapen d’ys’re slaap; wy moetender oock of,
Maar weten niet wanneer, dus laat ons onse saken
Tot dese laatste tocht ghereet en vaardigh maken,
Wy moeten nu betre’en den seer bedwonghen pad
Ons kluwen is schier of; ick heb mijn tijdt ghehadt,
Ick moet verschijnen voor de grooten raadt der Goden,
Ick ben ghewaarschout vaack door teyckens en door boden,
Die my vermaanden steets te dencken op dien dagh
Van ’t alghemeene recht, daar niemandt of en mach:
Eer dan de dorre doot met schrickelijcke stemmen
Ons onvoorsienlijck roept, eer ick my voel beklemmen
Van sijn killende handt, eer dat hy ons verrast,
Soo laat ons nu voldoen ons op-gheleyde last:
Het tijdtelijcke goedt dat ons hier is ghebleven
Voor onse moeyt’ en sorgh, laat ons dat wijs’lijck gheven
Aan een voorsichtigh man, en die ons eenigh kint,
Ghelijck zijnde van Staat, te trouwen is ghesint,
Op dat wy voort gherust ons leven moghen leyden
En sonder achter-docht uyt dese werrelt scheyden,
Het welck wy schuldigh zijn met grooter neerstigheydt
Te vord’ren; ’t is by ons wel dichwils aangheleydt,
Maar hieldent altoos op met slepen en met sloeren,
Het moet eens op een eyndt; wy moeten ’t nu uyt-voeren,
Eer sy door slofheydt en door achteloosheydt groot
By vreemde Vooghden komt na onser beyder doot.
Veel beter soud mijn ziel verheugen en vernoeghen,
Dat sy haar nu althans, gehouwt zijnde, gingh voeghen
Te wonen op haer selfs in eyghen heerschappy,
So waar sy uyt het oogh en ’s volcx klapperny:
Want geen mensch so volmaackt, noch niemant sal ’t so raken
Dat hy ’t de nijdige of elck te pas sal maken:
En tot beschuttingh van de Maaghdekens haar faam,
Is tijdich huwlijck voornaamelijck bequaam.
Wien is hier inde stadt die niet en sou behagen
Ons oud en groot geslacht van vrienden en van maghen?
Wien soude niet verblijt van harten, voor sijn deel
Ontfangen tot syn Bruyd ons kostelijck juweel,
In ’t welck de gaven zijn van d’alderbeste menschen,
Of die een groote ziel sijn liefste lief kan wenschen,
Als eer, en weeslijckheyt, met schoonheyt fris verselt,
Met hooge afkomst, en met mogentheyt van gelt.
De goedighe natuur heeft haar met dese dingen
Ten alderhooghst versien, ja dat so sonderlingen
Dat ick noch Prins, noch Graef, noch niemand inde stadt
Souw wijcken in sijn bloed, in adel noch in schat,
Noch sy de schoonste vrouw in deeglijckheyt en deughden.

Klaar. — Laat haar, o Goden! voort soo leven ’t onser vreughden,
s’Is vol en groot van geest, en wy seer machtigh rijck,
Dan waar vindmen een man haar waardigh of gelijck?
Doch dese sorch, mijn Heer, wil ick u toe vertrouwen,
En wat ghy denckt of doet sal ick van waerden houwen,
So sal u dochter oock, die noch om lief noch leet
Sal wederstaan u wil, waar ghy haar oock besteet.
Ick kenn’ haar dweegen aart en sachtheyt van haar sinnen,
Sy is oprecht en slecht, en weet noch van geen minnen.

Roos. — Ick weet geen beter als den heuschen Kloridon

Klaar. — En ick geen liever dan den rijcken Dimyon.

Roos. — De ware rijckdom lief, die leyt in’t hart gelegen.

Klaar. — Wat schaat de rijckdom die met eeren is verkregen?

Roos. — Niet. Kloridon is groot en treffelijck van moet.

Klaar. — Dats wint. Endimyon is dapper wel begoet.

Roos. — Maar Kloridon is jongh, vermakelijck en aardigh.

Klaar. — Jonckheyt vol sotheyt is niet een penningh waardigh.

Roos. — Nochtans trecktmen daar door meest aller menschen gunst.

Klaar. — Endimyon die kan daer toe een and’re kunst.

Roos. — Liever, wat kan hy doch Klaar. — Gelt winnen en vergaren.

Roos. — Het is noch grooter saack ’t gewonnen te bewaren:
Rijck werden is geen kunst maar deuchdelijck en goet,
Ick acht eer boven gout. Klaar. — Het winnen dat is soet.
Wie ’t meeste voordeel doet, wert die niet meest gepresen?
Daar is geen meerder schand als sonder gelt te wesen.

Roos. — Kloridon is kloeck, en souw dit land regieren.

Klaar. — Men geeft geen vreemdelingh de staaten te bestieren.

Roos. — De deught wert over al in groot aansien gestelt.

Klaar. — Wat vordert yemants deught, heeft hy geen goet noch gelt?

Roos. — De deught van klaarverstant brengt eener tot gebieden.

Klaar. — Verstant? o neen! het gelt maakt staat-waardige lieden.

Roos. — Dats dolheyt en geen recht. Klaar. — Maar wat een praat is dat,
En zijn de rijckste niet de beste vande stadt?

Roos. — Hy is best die best doet in goed’ voorgang van leven.

Klaar. — Ja sonder gelt en wort daer niemand om verheven:
Het gelt doet alle dingh, dies ick ’t met reden prijs,
Die gelt heeft die is vroom, goet, deuchdelijck en wijs,
Al werd hy inder daat een guyt of geck bevonden.

Roos. — De rijckdom is hier veel een oorzaak van veel zonden

De armoed let de Helden niet,
In staat te stijgen, soomen siet
Aan Eumenes schalck en schrander:
Dees Voermans soone wel ter hant,
Quam door geswindheyd en verstant
An ’t swagerschap van Alexander.
Virgili de grooten Poët,
Die ’t voorst van de Latijnen treet,
Was sone van een Potte-backer.
Horati Vader was een slaaf,
Maar niettemin so was hy braaf,
En wel begeest, aartigh en wacker.
De Coningh Cræsus machtigh rijck,
Die niemand waande sijns gelijck,
Schoot Solons spreuk eerst in gedachten,
Als hy gebonden lach op ’t vyer,
Te weten: datmen niemand hier
Voor dat hy sterf sal salich achten:
Want Policrates die Tyran
Waar soo luckige rijckeman,
Dat hy noyt ong’luck heeft ontfangen:
Dees mensch die noyt in ramp en viel,
Die liet noch ’t leven of de ziel
Daar ’t lichaam an een koort bleef hangen.
Het is voor groote Heeren quaat
Te treffen of te houden maat,
Haar vryheyt doet haar schendich dolen.
Den schralen man so vaak niet dwaalt,
Vermitst aan macht van geld hem faalt,
Door armoed’ blijft veel quaats verholen.
Daar hier den brassaert of den vraat
Sijn holle maagh tot swalpens laat,
En ’t eel vernuft in wijn verspillen,
Daar leeft den Armen heel ghesont,
Sijn oogh en twist niet met de mont,
Sijn rechter-handt met slinghsche willen
De armen vinden kunst en raat,
Sy schrandriseren vroegh en laat,
Als den Paf-sack weyd’lijck koppert
En smetst en smult en slempt en slaapt,
Of als hy na sijn aasem gaapt,
Recht als een ruygh-ghevoeten Kroppert.
Sy hebben lust noch loof in’t lijf,
Haer hart en hooft dat is al stijf,
Haar ooghen bol doen niet dan staaren,
Haar ooren groeyen tot van smeer,
Sy kennen Godt, noch Wet, noch Leer,
Doch Bachus-feest sy vieren gaaren,
Dies sy steets buys en dorstig zijn
Van sarpe en van geyle wijn
Dees doet verhit na boelen gijlen
Daar ’t lichaam licht’lijck van ontfanckt
Veel vuyle sucht, ja leempt op kranckt,
Die ’t met veel sweets we’er uyt moet quijlen.
De Armen zijn hier meest of vry,
Want stercken dranck noch leckerny
En port haart tot gheen boose lusten,
Want die sijn kost wint in sijn sweet,
En schar-bier drinckt, en droogh-broodt eet,
Die wenscht niet meer als wel te rusten.
De grootste quelt de grootste schrick,
Want ruwen sy een ooghen-blick,
Het minste dingh dat steurt haar slapen,
Sy vreesen voor haar Rijck of Kroon,
Of datmen haar in’t bedt sal doo’n
Door list, of kracht van snoode Knapen.
Of als den Rijcken waackt en braackt,
Op dat gheen dief met list hem taackt
Syn huys-raat, kleed’ren of juweelen,
Soo leyt den Kalis bar ghepongst
En ronckt soo sorgh’loos dat het gongst:
Daar niet en is, kanmen niet steelen.
Den Rijckaart licht sijn leven krenckt,
Met sorghen leyt hy staagh en denckt
Hoe dat hy dit of dat sal winnen,
Want goedt en stopt gheen gierigheyt,
Maar als den Armen neder-leyt
Soo rust sijn lijf, sijn ziel en sinnen
Een Arm mensch, rijck van goet verstant,
Acht al de wer’lt sijn Vader-landt,
Al is hy ballingh ’s landts ghebannen,
Hy pelgrimeert in sijn ghemoedt,
Hout yder voor sijn naaste bloedt,
Zijn dat gheen rechte rijcke mannen?
Den schoenminck glat en vet besmeert
Wel louter singht en quinckeleert
Als hy het kosje maar mach winnen
De koopmans gift heef hem ghequelt,
Hy brocht hem we’er sijn sorgh’lijck ghelt:
Hoe minder goedt hoe bly’er sinnen,
Hoe meerder goedt hoe minder rust,
Dat is de Vroeden wel bewust,
Dies sy niet tijdelijcks verkiesen,
Maer houden’t al voor ebb’ en vloedt,
En recht als’t is voor Godes goedt:
Die niet eygent, kan niet verliesen.
De schat die men met moey’t verwerft,
Met sorgh besit, met droefheydt derft,
Kan menich mensch tot quaat bekoren,
Tot dieft’, onkuysheydt, twist of nijdt,
De edele ziel en duure tijdt,
Laas! minst gheacht, werd meest verloren.
De doot met bitt’re smarte quelt
De Rijcke, die sijn harte stelt
Op der fortuyne blinde gaven,
Geen bangher vrees is hun, als ’t graf:
Maar den beroyden naackt en laf
Dien is de doot een soete haven.
d’Armoede is ghewisselijck
Van zonden arm, van deughden rijck,
Die is sy alder eeren waardigh.
Socrates maackt sy vroom en vroet,
Epaminonde strengh van moedt,
Homero kunst-rijck en goet-aardigh.
Attalus en Diocletiaan
Zijn willigh uyt haar rijck ghegaan
In onghedwonghen Arremoede.
De Armen levne onbenijdt;
De Vorsten zijn niet sonder strijdt
Noch sonder vrees of quaat vermoeden.
De Trotsers die met macht ghebi’en
Zijn al gheen deghelijcke li’en,
Hoe wel sy’t veel-tijds willen blijcken;
De grootste dief, o’t is te snoot!
Verwijst de kleynste vaak ter doot:
Wat oordel wil daar God op strijken?
Doch die in weelden is gewent
En plots bedoven in ellent,
Laas! met veel broodeloose buyken,
En sijn ellende morrend’ draaght,
En over Goon en menschen klaaght,
Die kan sijn armoed’ wel misbruicken.

Klare. — Ick heb u reden uytgehoort
En wel gelet op yder woort,
Dat nagedocht, en heb bevonden
Het selve vol welsprekentheyt:
Doch ’t is meer schoon als waar geseyt,
Want rijckdom, lief en teelt geen sonden.
De Hemel-vooght, die al wat leeft
Den adem, kracht en voedsel geeft,
Houdy die niet voor d’alderrijckste?
Is rijckdom dan van sulcker aart,
Dat sy de snoode sonde baart,
Hoe blijft God dan de deuchdelijkste?
Die alles heeft wat hy begeert,
Die niet en siet dat hy ontbeert,
Die moet vernoeght in vrede leven,
So hy sijn selfs en Gode kent
En danckbaar lof den Gever sent:
Wat quaat kan sulck de rijckdom geven?
De rijcke van sijn overvloed
Zijn mind’re even naasten voed
Die hy sijn milde hand gaat bieden:
En geeft eer hun den honger praamt,
Eer sy om broot veylen haar schaamt,
Zijn dat geen God-gelijcke lieden?
Die de verarmde Weesen swack
En wed’wen stijf van ongemack,le
Haar kommers-noot met hulp versoeten;
Die den beroofden Boots-man kleet,
En so sijn overschot besteet,
Souw dat wel sonden wesen moeten?
Die lant-loopers en prachers wilt
Van ’t swerven brenght in rust en stilt
En van de troggel-sack kan trecken;
Die bedel-boeven heel verwent
Op sijnen kost tot deugden ment,
Souw dat yemand tot sonden strecken?
Die huysen en herbergen bouwt
Voor lamme lieden out en kouwt,
Of voor gequetste vremdelingen;
En haar gerack en hulp bestelt
In raat en daat met macht van gelt,
Zijn dat geen nutte goede dingen?
De man die hier geen gelt en heeft,
Die is al door dewijl hy leeft,
Sijn lof wert vande faam vergeten:
De rijck leven na haar doot,
Ten waar de schatten swaar en groot,
Men souw van Cræsus nu niet weten.
Een arm mans wijsheyd wert veracht
Maar komt een rijckert hier an macht,
An heerschappy en an gebieden,
Hy blinck van klaarheyt inde raat;
Hy soeckt voor eer-loos eygen-baat,
Het nutst en en ’t best voor land en lieden.
De armen soeken twist en kijf,
De ziel die rammelt hun in’t lijf,
Die sy in groot perijckel bringen,
’t Welck hem de rijcke wel ontsiet,
De rijcke lie’n en vechten niet,
Haar reden kan de gramschap dwinghen.
De armoe vol gebreck en noot
Maakt roovers loos en schelmen snoot,
Die de goeden knev’len en knellen,
En mennich door sijn wan-hoop groot
Moort sich self tot een tweede doot:
Laas! in de swavel-poel der hellen.
Dat ons voor eeuwigh sterven vrijt
En ziel en lijf na wensch verblijt,
Mach elck met eeren wle ontfanghen
En recht gebruycken haaf en schat
En hebben ’t ofmen’t niet en hadt,
Dat is: sijn hart daar niet anhangen.
De vromen bruyckt sijn goet altoos
Ten leven, maar de goddeloos
En wil sijn boose lust niet fnuyken:
Hy bruyckt sijn inkomst al tot quaat,
De sonden zijn, dat ghy’t verstaat,
In rijckdom niet: maar in’t misbruycken.

Roosen. — De dingen diemen sichtbaar siet,
En zijn voorseker anders niet
Alsmense neemt of kan verhand’len,
Den reynen zijn sy alle reyn,
Den sotten doen sy in’t gemeyn
Op slimme dwael-wegen wand’len.
Nu isser Rijckdom van ’t ghemoedt,
Die niet bestaat ghelt noch goedt,
Maar in ’t gherust en Godlijck leven:
Hy is de rijckste die daer leeft,
Die sich vernoeght met ’t gheen hy heeft;
Dan die is elck een niet ghegheven.
Diogenes had’s in sijn ton
De welck by wende na de son,
Als hy vernuft’liseerde schrander;
De Wereld-winner sot en slecht,
Die noemden hy der knechten knecht,
Der Vorsten dwing-landt Alexander.

Klaar. — En denckt niet dat ick laat
Cloridon om sijn staat
(Als is sy vry wat lagher)
Te kiesen tot een swagher,
O neen, mijn Troost! o neen,
Ick heb noch and’re re’en
Die my daar toe beweghen,
Dat ick meer ben geneghen
Tot mijn Endimion
Als tot u Cloridon,
Die ’k met geen goede ooghen
Kan aansien, noch ghedoghen,
Hoe seer ick my bedwingh,
Want ’t is een vreemdelingh,
Een Hovelingh daar boven,
Want komt’er uyt de Hoven?
Een Volckjen dat door-trapt,
Gheveynst en dubbelt klapt
En dat met listigheden
Haer boevery bekleden:
Of’t schoon u vrund’lijck groet,
Het spot u in’t ghemoedt,
Het sijn god’loose menschen
Die met de monde wenschen
U wel-vaart, mar het hart,
Dat vloeckt u wit en swart,
U teghenspoedt en schande:
Sy kussen vaack de handen
Met lieffelijcker feest
Van die sy haten meest.
Wanneer de Edel-lieden
Haar dienst aan yemandt bieden,
Hoe seer ’t met jonst gheschiet,
Ten is voorseecker niet
Dan om u te verrassen
En door u val te wassen;
Wy hebben uyt het Hof
Daar versche proeven of.
De Princen en de Heeren
Die eener daar vereeren
Met treflijckheyd van staat,
Sulcx dat hy met hun gaat
Ter tafel en ten eten,
Die deught wert haast vergeten,
Het loon van die weldaat
Is moorden of verraat,
Gelijck wy korts bevonden
An sommige bloet-honden.
Wee hem die hun vertrouwt.
Die eer noch eet en houwt:
Wat trouw souw sulck volck houwen
Aan haar uyt-landsche vrouwen?
Oock staat myn tegen ’t hart
Dat mijn dochter soo vart,
Gelijck als land-verdreven,
By vremde lien souw leven,
Dat in ghenade van
Een wispelturiche man
Die haar daar na mocht haten,
Ja lichtelijck verlaten
En nemen weer een aar.
    Endimyon, ’t is waer,
Die is wel ouwt van jaren,
Maar satich en ervaren:
Voorts in sijn handel kloeck,
Dies ghy hem sijn versoeck
Niet af sult konne seggen:
Als ghy wilt over-legghen
Hoe minnelijck en trouw
Hy waar sijn eerste vrouw,
Dien hy verhief en eerde,
En gaf wat sy begeerde.
Mijn Heere siet dit in:
Dan doch doet ghy y sin
Ick salt niet weder-sprecken

Roosen. — Mijn vrouwe, dats een teken
Van u bescheydenheyd,
Ick hebt wel overleyt
En bender in beladen:
Doch ick vind niet geraden
Dat sy den grijsen trouwt,
Want hy is out en kouwt
En sonder soetigheden
Van prickelende leden,
Waar op de jong lien
Van weder-syden sien.
Wat souwt hier uyt gebeuren?
Mijn dochters stadich treuren,
Een leven sonder lust,
Een droefheyt sonder rust,
Een sterven sonder sterven,
Een hebben en een derven,
En dat om ’t werelts goet?
Dat ben ick niet gemoet.
Die om ’t gelts wil hier verkiesen
’t Alderbeste goet verliesen,
Dat ’s de smaak van alle dingh,
De vrede en de soete ruste,
De vrientschap en de lieve lusten,
d’Onverdeylde vereenigingh:
Hier op volgen stadich knagen,
Na-berou en droeve dagen,
Harten-leet en lang-gequel,
De twisten straf, de quade vloeken,
Het over-spel en ’t boos versoeken,
De rasery, op ’t lest de hel.
Ick wil mijn kint gaan vragen
Voor eerst haar wel-behagen,
En diese meest bemint,
Die ben ick oock gesint
Na wensch haar te doen trouwen,
Gelijck ick ben gehouwen.
Al schuylt sy onder my,
Het kiesen staat haar vry:
De rechten en de wetten
De keur an yder setten.
Vaart wel, lief, ick sal gaan
En my met haar beraan.

Het tweede uyt-komen, in ’t eerste bedrijf.

Angniet en Kloridon.

Hoe mooghdy Kloridon die lichtheyt mijn vertrouwen?
Mijn minne die en sal verkoelen noch verkouwen,
Noch nimmermeer vergaan. Mijn lieve Kloridon!
Mijn huys-waert van mijn hart! mijn zieltje! ach mijn Son!
Ey hoort u hellifje doch een kleyn luttel spreken:
En kan ick u, mijn troost! soo veel jonst niet niet ontsmeken,
Dat ghy u wat bedaart? wat sal ick u doch doen?
Ach dat ick u, mijn lief, niet schier noch doot en soen.
Maar souder so veel soets wel inden Hemel wesen
Als ick bevalligheyts kan uyt u aansicht lesen?
O neen; dat denck ick niet; het aldersoetste soet
Is by die soetigheyt puur gal en bitter roet.
Ach lieffelijcke mont! sal ick u oock vermoeyen?
O vriendelijcke tongh, van wien de redens vloeyen
Vol honichs en vol krachts, hoe geefdy nu niet uyt
U hemels-klaar verstant met goddelijck geluyt?
Maar wat verslagentheyt? wat woelen? en wat woeden?
Wat is de oorsaack doch? helaes! een quaat vermoeden,
Gegront op enckel waan! Mijn Heere laat dat na,
Ick wens dat my Jupijn met sijnen blixem slae
En brant tot as en stof, indien ick van mijn leven
Mijn hart aan yemand als an Kloridon sal geven
Dus weest doch wel gerust. Maar soud ick immermeer
Een ander leven? neen: Ghy zijt mijn hart! mijn Heer,
Met wien oock dat ick heb mijn schoone tijt versleten
Twee heele jaren langh: ach souw ick soo vergeten
Ons minnelijck bedrijf en vrije vriend’lijckheyt,
Die beter is gedocht, geswegen, dan geseyt:
Wat sek’rheyt wildy meer? laat ick niet in u handen
Mijn vryheyt en mijn eer, myn kostelijckste panden?
En wouw ick anders, och! ick vreese dat u pen
Souw levend’ schildren af hoe eerlijck dat ick ben.

Klor. — Mijn Angenietje lief; al hebmen schoon al borgen,
Gemeenlijck sal de mensch het alderquaatste sorghen,
En dat met goet gelijck. Want geen vrouw is so goet,
Of sy speelt met een treck licht-hartich banckroet.
Ick hebbet selfs versocht en inder daat ervaren,
Aan vrouw-lien die mijn liefst en schoonst voor oogen waren,
En tot my meest gesint na uyterlijcken schijn.

Angeniet. — ’t Waar jammer souden daar geen goede vrouwen zijn.

Klor. — Sy zijnder, maar heel dun, en swaarelijck te vinden

Angeniet. — Maar waar tot komdy noch? mijn eygen! mijn beminde!
Ghy lastert en ghy schelt het vrouwelijck gheslacht
Van wien de vroomste man en ghy zijt voortgebracht.
U moeder ghy veracht van wie ghy zijt gheboren.

Klor. — Ick kent, het is mijn schult, mijn waarde uytverkoren,
Vergeeftet mijn Jofvrouw! Ang. — Ick sal, indien ghy set
’t Mistrouwen uyt u ziel, geeft mijn u tafellet,
Daer komt my wat in’t sin, want ick soud garen schrijven
Een tuytertje of twee, wildy so lang wel blijven?

Klor. — Soo lange niet alleen: maer al mijn leven langh.

Angeniet. — Komt kust mijn eerst nog wat. Klor. — noch eentje an die wangh.

Sy schrijft, en naet lesen seyt of singht sy dit.

    Wat onvertelbre vreught en wat verwonderighen,
Wat lieffelijck onthaal! wat heughelijcker feest!
Komt my dus onbewaant met een getuymel dringhen,
En plotsen alghelijck op mijn verdeelde geest?
    O vriendelijcke vreught van uyt-ghekomen krachten!
Hoe sweefdy van mijn ziel tot myn harsen-pan,
Die ghy alsoo beroert dat ick met mijn ghedachten
U niet begrijpen en veel min uytdrucken kan.
    Ach d’oorsaeck van mijn vreugt zyn u vergode ghemoet,
En u ghebleeckt vernuft en hel door-sond ghemoet,
Waer met ghy zijt ghewent in wijsheyt te verwinnen
De oordeel-rijckste en de suyverste van bloet.
    De klaerheyt van u geest en verstandeheden
Die blincken in u werck ghelijck een Sonne-schijn!
O volheyt van mijn vreught! O leyd-ster van de reden!
Waar voor het klaarste licht schijnt duysternis te zijn.
    Hoe dickwils souw mijn tongh u groot kennis loven,
Indien ick waar geleert Godinne na mijn wensch,
Maar u waardyen gaan de aartsche lof te boven,
Hoe veel te meer dan van mijn onvermogen mensch? Roosendaal uyt.
    Ay over-schoone ziel! ay over-lieve leden!
Van omme-treck soo eel, soo poes’lich en soo sacht:
Van goddelijck gesicht en so vol properheden
Als immermeer de kunst sou toonen, spijt haar kracht

Klor. — Maar wijse Angeneet ’t is myn te seer gepresen,
Dies ick met Hector spreeck (hoe wel met soeten dwangh)
’t Is loffelijck gelooft van geloofden te wesen:
Maar ick heb anders niet als ick u ontfangh.
Och siet u vader komt, waar sal ick my versteken?

Angeniet. — Loopt achter inde hof, en komt my stracx weer spreken.

Derde uytkomste, in ’t eerste bedrijf.

Roosendaal en Angeniet.
Soo ick bet verstont waar in de eer bestaat
Als ghy de minne doet, die rueckloos ghy aengaet,
Ick had u dadelijck met strafheyt doen aenhooren
Dat my gantsch niet vernoeght dat ghy soo licht dyn ooren
An de geveynsde re’en van desen Eelman leent,
Hoe wel ghy veeltyts dat my te ontmomp’len meent!
En hout my voor verdacht in u vergaederingen:
Ghy sult myn niet (ick sweert!) uytstrycken in die dingen,
Ick weet so wel als ghy, dat de verliefde lien
Dit hebben voor ghebruick dat sy na and’re sien,
Om met die kouwden schijn ’t geselschap te bedrieghen,
Maar toch de ware gonst en kan niet altoos liegen,
Sy openbaart haar selfs voor die daer wel op let:
Gelijck de domme snip barst onvoorsien in ’t net
Dat voor sijn blint gesicht met voorraet in gehanghen,
So wert den minnaar oock heel onverwacht gevangen.
    Dat ick de eere kan blijckt door ervarenheyt,
Hoe wel ick u voorheen niet een sen heb geseyt
Na welcken reghel ghy soud hebben u te voeghen,
Maar gaf u los den toom om minder te mis-noegen
Den Jonck-heer Kloridon, die sich u dienaar veynst;
Het welck ghy licht gelooft, door dien ghy niet en peynst
Dat ghy u selfs bedrieght, so wel door eygen wanen
Als door sy vleyerij met toegemaackte tranen:
Of mog’lijck dat hy u betoovert door de lof,
Die yegelijck gaeren hoort, insonderheyt in ’t Hof:
Hy is een hovelingh dit moet ghy over-legghen,
Wiens hooghste konst bestaat in wel te konnen seggen
Van ’t geen men niet en meent; al is hy wel ter taal,
Bescheyden en gheschickt en vol beleeft onthaal
En yv’righ in u dienst: ghy moet nochtans vertrouwen
Dat hy die oeffeningh ghebruyckt by alle vrouwen,
En niet voor u alleen, hoe seer hy’t hem gelaat.
Ick neem nu, of het waar al waarheyt inder daat,
Dat hy u gantsch en gaar uyt goeder harten dienden,
Wat soud in’t eynde zijn? hy komt hier om zijn vrienden
Te groeten en te sien, het welck hy heeft gedaan,
En staat nu op’t vertreck om we’er van hier te gaan,
(So hy myn heeft vertelt) vermits syn eygen saken
Niet willen dat hij hem hier langer sal vermaken
In ydelheyt en spel, en trecken niets ter hand,
Daar hem de noot-saak roept in’t waardigh Vader-land:
Waar heen dat hy de reys heeft vast-lijck voorgenomen.
Gelooft: hy sal so haast niet in sijn huysingh komen
Of ghy sult, also vart als’t lichaem van hem is,
Sijn ballingh van sijn hart en sijn gedachtnis.
    Daarom so segh ick u, dat ghy u wilt regieren
Soo wel, dat hy bekent an u heusche manieren
Dat ghy hem meer festeert om sijn hooghwaardigheyt,
Als om de minne die hy heeft op u geleyt
Die ’k wel souw mogen sien en nimmer teghen houwen,
Indien ick waar verwust dat hy u socht te trouwen.

Angeniet. — Waar ’t sake datter waar soo veel verschil in mijn
Gestaltenis van staat en Kloridon de zijn
Dat ghy gelooven kond en eenichsins vermercken,
Dat hy gheveinstheyt pleeght in sijn ghelaat en wercken,
Of soo sijn waardigheyt niet waarlijck waar erkent
Van al de gene die sijn wandel zijn gewent,
Ick souw bekennen dat ick ongelijck an dede
U vaderlijcke sorgh en goe genegenthede:
Maar nu hy van sijn jonst my so veel proeven geeft,
’t Is billich dat hy oock deel inde mijnen heeft.
Doch waart dat ghy my niets, of hem valscheyt vertrouwde,
So mocht ghy voor verdacht ons t’samen-komste houde:
Dan dit en heb ick noyt an u vruntschap gesien,
Mits ghy my’t selschap gunt van d’alder-kloeckste lien,
Die my met haer versoeck vered’len en vereeren:
Doch onder al de geen dien noch by my verkeeren
Is Kloridon voor al de treff’lijckst’, de voornaamst’,
d’ Ansienlijckste, de beredenst’ en bequaamst’
Om met bevalligheyt sijn grootscheyt te bewijsen.
Helaes! wat port mijn nu sijn deuchden dus te prijsen?
Die ghy my voormaals selfs soo hoogelijck an preest,
Als ghy hem soo veel ciers en so veel eers beweest,
Als immermeer een mensch sijn waartste vrund kan bieden:
Ghy selve ginght met hem by de vermaartste lieden;
Dies hebt ghy oock de schult soo ’k hem te vry ontfangh,
Want waar hy uws niet waart, of waar sijn ommegang
Gevaarlijck geweest, of waar hy quaat van leven,
Ghy had my in’t begin wel sulck een wet gegeven
Daar ick gevoeg’lijckst na my hand te stellen aan;
En had ghy my verbot van sijn persoon gedaan,
Ick had, heer vader! u met kinderlijcker vreesen,
Na mijn schuldige plicht, gehoorsaamheyt bewesen.
Maar ’t is heden twee jaar dat ick hem eerst vernam,
Doen hy met u verlof hier t’onsen huyse quam:
Hy quam’er en hy komt, en is steets wel ghekomen,
Ontfanghen, wel ghewilt: noch oyt hebb’ ick vernomen,
Als teghenwoordigh nu, dat ghy hem yets wan-trouw’t;
Voorwaar ghy hebt gheen saack daar ghy aen twijff’len souwt’t;
Al schijnt de vryigheyt al wat te vry en veyligh,
De wil van Kloridon die is op recht en heyligh,
Ghesproten uyt een gul-hartigh hart, en de mijn
En is oock anders niet, als u, of moeders zijn.
    Wal als hy u versoeckt, laat hy u dan ontdecken
Tot welcke eynde dat sijn sinlijckheden strecken!
Ghebiedt my wat ghy wilt, ghy sult my strakx sien staan
Bereydt om u ghebodt te wesen onderdaan:
Al toon ick met mijn oogh veel vriendelijcke gunsjens,
Dat is een aartje van de vrouw’tjens toover-kunsjens,
Niet als verlieft op hem, of door sijn min verdooft;
Doch wil ick wel dat hy het selve soo ghelooft,
Want ’t is der dochters Eer, de harten en de sinnen
Der mannen wel gemoedt te trecken en te winnen.

Roos. — Wel Dochter, lief dat ’s wel, dat ghy daar hebt gheseyt,
Doch acht ick voor het grootst’ u goe ghehoorigheydt.
Tot Kloridon, ick lijdt, ben ick oock meest gheneghen,
Maar wat? u Moeder is den Edelingh seer teghen,
En sach u liever aan Endimyon besteet;
Ick ga: maar denckt’er op dat ghy u niet vergheet.

Vierde handelingh; in ’t eerste bedrijf.

Anna de Nicht en Angeniet.

Fy Angeniet! ick merck de valscheyt van u kunsten,
Ghy kuyffelt en ghy kaatst met wayffelighe gunsten.
Wien sich u slaaf ghelaat en maar sijn dienst aenbiedt,
Dien zydy vriendelijck; seght my, en komtet niet
Om oft u by gheval ter eener mocht ghebreken
Dat ghy ter anderer u niet en saaght versteken?
Ghy zijt met een ghetrouw’ en goet dienaar versien
En wilt licht-hartigh noch meer andere ghebie’n.
Bedenckt ghy niet, o maaght! wien dat sijn gheest laat vallen
Op alle dingh ghelijck, die heeft s’ in gheen van allen?

Angeniet. — Wat schaat dat niet en schaat?
De voorbaat is niet quaat,
Die wil ick niet verliesen.
Wt velen machmen kiesen.
Wat gaat’er voor de ruymt?
Ick hebt wel eer versuymt,
Maer ’k leer met scha of schanden;
En heb ick geen twee handen,
Twee oogjes, lipjes twee,
Borsjes en voetjes mee
En noch meer ander dingen,
Waerom souw ick my dwinghen
An een? wel bin ick mal?
Een is een kleen getal:
Een kleet is haest versleten,
Een spijs wert beu in’t eten,
Een tuygh die wert gewraakt,
Een kray geen winter maakt:
Hoe liet ick my so leyden?
’k Wil sonder onderscheyden
Mijn jonst an yder een
Bewijsen in’t gemeen:
Wert een lieftalich wesen
Van yegelijck niet gepresen?

Anna. — Spraacksaamheyt mach wel deur:
Maar het gaet met de keur
Van mannen of van saken
Alleens ofmen liet maken
Twee doosen, evengroot
Van swaart, van gout en loot:
Soudy niet lang staan temen
Om ’t een voor ’t aar te nemen?
Kloridon is gout,
Endimion is kout
Als loot, of mog’lijck kouwer.

Angeniet. — ’k Ben garen by mijn ouwer.

Anna. — Maar ghy verhaalt hier niet,
O wufte Angeniet,
Dat sy haer selven pranghen
Die al te veel omvangen.
Aenmerckt eens en bevroet
Te deghen wat ghy doet;
Ghy soeckt met valsche saken
U seer gelieft te maken,
Doch u minn’lijck gelaat,
U vriendelijcke praat,
U lachen en u jocken
Un aanminnich locken
En u verbloemde schijn
Yder bekent al zijn:
Hier door mocht u gissen
Wel seer komen te missen.
Ofschoon een groot getal
Van Jonghmans over al
U volgen en u dienen,
Met snackjes sinder mienen,
Met monden sonder hart,
Met sterven sonder smart,
Gelijck de vryers treuren,
So kond heel licht gebeuren
Dat ghy van alle dien
Verlaten u soud sien:
Want so ghy niet wilt soeken
Den hoogh-dragende kloeken,
En daar toe matich rijck,
U staat en aart gelijck,
Ghy sulter luttel vinnen
Die u dan sullen minnen.
Een groot-hartigh gemoet
Van preutsch en edel bloet
En mach toch in syn vryen
Geen mede-macker lyen,
Veel liever ist benijd
Om ’t geen dattet vrijd,
Dan dat het kan verdragen
Dat yemant sijn aanslagen
Of voor-bedencken raat
En loos’lijck onder gaat.
    O wulpsche Angenete!
Ghy sult eer langh wel weten,
Een oord’len, hoemen acht
Een schoonigheyt, diens kracht
Hier wert gedeelt an velen
En in besond’re deelen;
Daar by sult ghy verstaan
Hoe veel ghy hebt misdaan
De geen, die al sijn dagen,
Niet socht dan u behagen,
En die niet anders leeft
Dan by dat ghy hem geeft
En die wed’rom sijn leven
Gewillich u sou geven,
Ick meen u Kloridon.
En nu Endimyon
De vryer hier komt veynsen,
Nu keerdy u gepeynsen,

En laat u eerste lief met groot verlanghen staan.

Angeniet. — Wel wacht ick hem te langh? so mach hy thuyswaart gaan.
Gaat henen, Anna nicht, secht hem van mijnent wegen,
Dat het voor dese reys my niet en komt gelegen,
Maar ist dat hem gelieft hy kome t’ achtenoen.

Anna. — Ick wil den Edelman de bootschap garen doen.

Eynde van het eerste bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.