G.A. Bredero (1585 - 1618)

ANGENIET

HET DERDE DEEL.

EERSTE HANDELINGH.

Jupiter, Mercurius, Pallas, Saturnus, Neptunus, Hercules.

Jupit. —

Blinckende Keysers groot! ghy almachige Goden,
Ghy dwingelanden streng van Hemel en van aard,
Die ’k met onsachlijckheyd heb schrickelijck ontboden
Met donder en met vyer; mijn knechten wijd vermaart!
d’Oorsaak, glinst’ringhe Goo’n dat ick u heb vergaart
Hier in mijn wolckich hof, alwaar ghy zijt vergeten,
Sal u volkomelijck in errenst zijn verklaart.
Mijn Heeren sullen noch gesamentlijck wel weten,
Hoe ick den stoke-brand Cupido heb gesmeten,
Geworpen uyt de Lucht beneden op het slick,
Alwaar hy heeft so luyd en so lelijck gekreten,
Dat d’aarden open borst, dit gaf de Hel een schrick:
De vlam-Vorst steech om hoogh in een geswinde blick,
En quam daar op het veld al mymerende waaren,
De loose lecker kon sijn Oom strax op een prick,
Een heeft al schreyend hem vertelt sijn weder-varen.
Na dat de Hel-heer lang verwondert had staan staren,
Heeft hy sijn jonge Neef wel vriendelijck gegroet,
Die geen eerbiedigheyd noch heuscheyd wilde sparen,
Maar viel den swarten God ootmoedelijck te voet,
(Gelijck een ondersaat de grootste Coningh doet)
En bad sijn Godheyd an met bidden en met smeken,
Met so veel treckjes en bevalligheytjes soet,
Dat hy hem daat’lijck swoer sijn ongelijck te wreken:
En s’hebben voort (ick raas!) besloten en besteken
Een valschheyd! een verraat! dies ick van gramschap swel,
En kan mijn dulligheyd met woorden niet uyt-spreken,
Ick heb nauw so veel machts, dat ick u dit vertel,
Hay laster! schant! O wraak! wat goddeloos opstel?
Het houwlijck, O Goon! datmen hier plach te maken,
Dat gaan sy nu bestaan te sluyten inde Hel.
O menschelijck geslacht, hoe droevich staan u saken,
Want niemand van de jeught sal an een gaade raken
So sy niet zijn versien met mogentheyd van goet:
Maar komter met veel goets een vend met mag’re kaken,
Met uyt-gemergelt vleys met stijf bevrosen bloet,
Met uyterlijck gebreck van lichaam en gemoet,
Met een verrompelt vel vol silver-witte haren,
Die geeft den Poel-geest vaak een aardich meysje soet,
Doch ongelijck van schat en ongelijck van jaren:
Wat sien ick, laas! al ramp, door ongelijck vergaren.
Geen grooter quaat geschiet hier op de aartsche bel,
Als daar sich rijck en oud met jong en arrem paren.
Och ’t is een droevich dingh, ten gater nimmer wel,
Het is een huys vol twist, vol ancxsten, vol gequel,
Vol kommerlijcke sorch en vol jeloursche vreesen,
Vol af-gunsts en vol haats, en voorts vol overspel,
Vol moorts en vol verraats en watter meer mach wesen,
Gelijck wy alle daagh in ’t menschen leven lesen.
Maar alsmen wel de grond dier dingen over-siet
So isset nieuwers dan door Cupido geresen,
Die inde Swavel-put oock langh mocht blijven niet,
Al is hy selfs vol vyers, het was hem daar te hiet
O teuter quaatje stout wat dufdy niet beginnen,
Die ’t helsche hof gesin met u vyer-pijlen schiet,
En slingert blixems in de vyerighe Godinnen,
Die voelende de prick de floncker-vlam van minnen,
Heel schichtich vliegen op, (als sullicx ongewoon)
En ruyschen door de roock met brandent hart en sinnen,
Tot dat der voncken voocht, ’t hooft der heyloose Goon,
Den bengel heeft den gront van ’t nare rijck verboon
En flux met stanck en damp van sullepher verdreven
En eewich uytgeseyt; doen sachmen Venus soon
Onder de hemel en boven de aarde sweven,
En dreef voort als een guyt een heel lant-loopers leven,
Met swerven gints en weer, doch end’lingh heeftet wicht
Na wat beraats, ter sluyp, hem met een wip gegeven
In eenen oogenblick in ’t vrouwelijck gesicht:
’t Welck is, gelijck als hy, veranderlijck en licht,
Vol valscheyts en vol soets, daar swaarlijck te vertrouwen,
Van waar hy soo veel brants en so vel moeytens sticht,
Dat yder kermt en klaaght, en niet dan vande vrouwen,
Vermits sy yder man met loosheyt steets anhouwen
Om schandlijck tijt-verdrijf so mijn wel is bekent,
Het welcken ick my schaam, O Goden, te ontfouwen,
Door dien dit heylich huys daar me souw zijn geschent,
Hoe wel ick noch die hoon sal wreken in het ent:
Want siet het was te schelms, ick kan het niet vergeten.
 O vrouwen als ghy meent dat ghy meest sekerst bent,
Dan sal ick openbaar u vuylheyt laten weten,
Ick ben op u bedroch met recht en reen gebeten,
Want ick sie te gemoet der mannen ondergangh,
Die ghy lien vol van trots wel spijtich hebt gesleten
Na de lief-kooserij van heele jaren langh,
Daar u niet anders toe als eygen-wille dwangh:
Hoe wel dat ghy’t so dier en hooghlijck hebt versworen,
’t Vil licht dat ghy in ’t kort een ander Lietje sangh,
Want siet u straffe wert vast metter tijd geboren.
Dat ick de breeden raat, O Goden! heb geschoren
Dat is voornamelijck met dit opmerck gedaan,
Om met voorsichtigheyd de groote val te schoren
Van ’t minne-draghers gild dat qualijck schijnt te staan,
Door dien dat icker veel ellendich sie vergaan,
Die meest een vroege doot voor haar besteck verwerven
En uyt mistroostigheyd hand an haar selven slaan,
Met duysterleye list en vindinge van sterven,
Door strop, door staal, oft gift, door drincken, oft met derven
Van levend’ onderhoud, als voedsel, dranck of spijs:
Daarom beveel ick u, Mercuri en Minerve,
Dat ghy hier eerlijck toont met redelijck bewijs,
Wat dat de vrouwen zijn die ick so seer misprijs:
Van waar, van wat geslacht, wat aart, en wat voor lieden,
En of de snevels snoot vol grouwel en afgrijs,
Door haar of Cupido (of hoe dat sy) geschieden.

Mercurius Antwoordt.
Opperste Hemel-heer, u Coninghlijck ghebieden
Ick met eerwaardigheyt en danckbaarheyt ontfangh.
Ick sal u, luytstert toe, haar afkomst gaan bedieden
Als eerst door hooge vloed en dap’re water-drangh,
De Egyptische Nyl buyten sijn leger sprangh,
Een metsten ’t aardrijck vet met modder, slib en dieren,
Doen wert de eerste Vrouw geboren van een Slangh,
Die door na-bye Son daar overvloedich tieren,
So de by-woonders daar gelooven en versieren,
En dat met goet gelijck nae menschelijck verstant:
Want de nature heeft in besond’re manieren
’t Verschillighe gediert van Water, Lucht en Lant,
Oock in verscheyden plaats haar krachten ingeplant
Tot haar beschermingh, of om and’re an te randen,
Den Arent in sijn beck, den ed’len Eliphant
Die heeftet in de snuyt, den Beyre in sijn handen,
De Stiere in sijn hals, het Vercken in sijn tanden,
Het Krijghs-paart in sijn borst, het Harte in sijn sprongh,
De Hond in sijn gemoed, de Man inden verstanden,
Maar ’t Serpent ende Vrouw die hebbent inde tongh.
’t Is een bedrieghlijck goet, hoe vriendelijck, hoe jongh,
Hoe slechtjes in ’t gelaat, sy zijn vol listigheden.
Voorwaar daar is geen wet die oyt de Vrouw bedwongh,
Noch schaamt die haar betoomt, noch straffe die haar zeden
Verbetert en verstelt, sy achten raat noch reden;
Tot wat een ongeval begeeft hem sulcken Man,
Die met goet onderwijs en voorsienich beleden
Haerlie te stieren meent, want komtet slinx hem an,
Och! al des werelts konst en helpter haar niet van.
’t Is een eenrinstich volck, weerbarstich, en quaat-aardich,
Dat weldaat niet gedenckt, noch spijt vergeven kan,
Dat alle goede raat verwerrept als onwaardich,
Ist datment prijst of smeeckt het wort terstont hovaerdich,
En troeteltmen het niet, so swoegtet strax vol nijt
En speelt de Man een treck so leelijck als lichtvaardich,
Of ’t wert te oevel stout soo hy wat met hun lijt.
’k Sweer dat de slechtste Vrouw meer weet in dese tijdt
Als al de Mannen die oyt op der Aarden waren,
Hoe wel de slechtste Vrou weet somtijdts niet een mijt
En kan haar heym’lijck quaat verswijghen noch bewaren,
En sal een sware saack somwijls heel licht verklaren.
En in ghevaarlijckheydt soo vonnist sy soo rat
En blijft’er by soo vast, als of sy’t hondert jaren
Met goet beleydt en raadt wel over-woghen hadt.
Soo yemandt hem verstout en seyt daar teghen wat,
Die salse eeuwelijck voor hare Vyandt houwen;
En tot een overvloet soo moet ick segghen dat
Het Vrouwelijck gheslacht het minst is te vertrouwen:
Ter werrelt gheen bedrogh of ’t komt van loose Vrouwen,
Die buyten toonen schoon een minnelijck ghelaat,
Waar in het Man-volck, die te nechtigh haar beschouwen,
Wel lief’lijck in ’t ghesicht levend’ gheschildert staat,
Doch daarmen uyt soo licht als uyt een spieghel gaat,
Die de verbeeldingh en ghedaanten stracx vergheten,
En weder op een nieu een varsch aanschijn aan-slaat,
Daarom soo wordt de Vrouw met billich recht gheheeten.
Een grondeloose put die nimmer is versaat
Voorwaar de Man is geck, verwaant, of heel vermeten
Die by een kuische Vrou daar meent te zijn gheseten,
Want’t is een Phenix schoon, of soo een seldtsaam dingh,
Dat daar kroon-draghers raat noch middel toe en weten,
Noch dat de grootste Vorst noyt in sijn hoff ontfingh;
Dat niemandt vinden sal, al waart oock dat hy gingh
En socht sorchvuldigh deur de Aarde met haar spleten,
Soo waart doch te vergeefs, want’t is te sonderlingh.
De jonghe Lamperay is malsem in het eten;
Dat leck’re vleys kost ghelt, en ’t vel wordt wech ghesmeten:
Daar teghen ’t schoone wijf ghelijck’t de Wesel wel.
Die soetjes is in’t oogh, en vinnigh in de beten,
Wiens heele lichaam kost soo veel niet als haar vel.
Tusschen de schoonheydt en de goedigheydt der Wijven,
Want eerbaarheydt of deught en lichte schoonheydt snel
En konnen in een huys niet langh eendrachtigh blijven;
Ick houdt voor loghentaal en al voor beusel schrijven
Al wat men van Lucreets’ of Casandra seyt,
Daarom besluyt ick recht en sla oock wet’lijck dryven,
Dat de Nature heeft haar roeden al bereyt
Om de schaduwen der ghesturven te kastyen,
En dat sy heeft de Vrou met errenst op-gheleyt
De ziele vande Man in’t leven te doen ly’en.
Wat zijn de Vrouwen doch, o Goo’n1 by de waardyen
Des treffelijcken Mans? Maar soo veel onderscheydt
Als wespen gantsch onnut by vruchtb’re honingh byen.
De quaatheydt van de Vrou is by de mensch’lijckhe’en
Een gruwelijck snoo ghesworen Duyvelinne,
Wiens beestigh onverstant tot puyn soeckt te vertre’en,
Met hadderende twist en sonder schijn van re’en,
Het huys daar Reden speelt de rol van Koninginne.
De selifde Natuur die heeft met straffer sinnen
De Man meer als het Vee stief-moederlijck versien:
Want siet, sy doet hem steets sijn vyandin beminnen,
Daar ellick dier nochtans gaat voor sijn Vijandt vlie’n.
O Goden Vader groot! het is een slach van Lie’n
Die ongheregelt zijn in al wat sy voor-stellen,
Die gheen dingh liever doen dan datmen haar verbie’n.
Wien soud’ u konnen doch volmaacktelijck vertellen
Hun loghens, hun bedroch, hun vruntschap en hun quellen,
Hun listigheden boos, hun handelijck verraat,
Hun roepen, hun ontsegh, hun schamperachtigh lellen,
Hun lust, hun geemlijckheydt, hun liefen en hun haat,
Hun valsche dubbelheydt, hun vuyghe vuylheyt quaat,
Hun gheveynst soet onthaal? ja hun onschamelheden
Vol onghebondenheydt is sonder eynd’ of maat:
Wat dinghen dat sy doen sy bruycken raet noch reden,
Terstont zijn sy ghestoort en daat’lijck we’er ghepeyt,
Sy bidden selver en sy willen zijn ghebeden,
Sy weyg’ren dat sy vaack wel wenschen datmen deden,
Sy willen datmen raat ’t gheen ’t ooghe blijck’lijck seyt;
Ellendigh is hy wel die ’t leven met haar leyt:
Want siet dan armen Mensch en heeft noch lust noch vrede
Als in de korte vreught van sijn wellustigheydt.
’k Heb met op-mercklijckheydt en andacht gaan besporen
De oorspronck van dit quaat en waar uyt dat het quam,
Dat het spits-sinnigh volck soo deelijck gingh verloren
En loopt moetwillens selfs brood-droncken inde vlam
De Reden, die daar toe soo heftigh haer bekoren,
Is dat het alder-eerst van’t Vrou-volck voetsel nam,
In wiens gheweyde sy ghegroeyt zij en gheboren
En voorts sacht op-ghequeeckt, ghevoetsert met de mam.
Als sy de borsjes en de kroonde tepels togen
En lurckten met de tongh dat tooverachtigh nat,
Sy hebben met de melck de leempten ingesogen
En de vrou-achtigheydt terstonden an ghevat.
De schalke vrouwe loos die weten in de drucken
Haar eyghenschap en aart in’t kinderlijcke bloedt;
So doen de Slanghen oock, want smijtmen haar aan stucken,
De deelen willen we’er by die haar heeft ghevoedt:
Dit is de saak Jupijn, waarom de minnaars dwalen,
Sy willen an haar helft, sy willen an een wijf,
Elck heeft sijn Cupido als ick het mach verhalen,
d’Een heeft hem in het oogh, en d’ander an het lijf.

Jupyn, Minerve, Mercurius, En d’andere stomme Goden.
Hoe nu geslangde God? waar toe dees boerteryen?
De ernstachtigheyt en grootheyd van ’t beleyd
En mogen nu geen spel noch sottigheyden lyen,
Maar statelijcke re’en, vol degelijck bescheyd.
Nu mannelijcke Maaght, Goddinne der wijsheyd,
Mijn dochter von mijn hooft, u Vaders wel behagen,
Vindersche vande krijgh, heldinne der aanslagen,
Hoe heeft u broeder dit of wel, of niet geseyt?

Pall. — Geduchten Donderaar, ’t verdroot my te anhooren,
De ydelheden van des stouten klapperts stem
En ’t hitsten op mijn moet met rechtvaardige tooren,
My wondert, hoe dat ghy so langh mocht dulden hem.
Sijn vruchteloose mond baar woorden sonder kooren,
En redens vol van kaf en wan van kracht of klem
Treckt taal-man opter tril en soeckt u sotte ooren,
Want weet dat ick u kunst in’t minst niet wel en nem.
Ick vloeck u wetenschap en machse oock wel vloecken,
Vermits dat sy de mensch leyt van den waren God,
En maaktet groot vernuft van d’alder-eelste kloecken
Verduyvelt en verdut, oock breyneloos en sot,
Sulcx de sy nimmer recht met oordeel ondersoeken
De heylige Schriftuur en Goddelijcke boecken.
Hoe souw der dieven vaar die in sijn kintscheyt teer
Neptunus Gaffel en de Koeyen heeft ghestolen,
Die Apoll’ van Admeet te wachten was bevolen,
De sachte vrouwtjes niet berooven van haar eer?
Die selfs de strenge Mars dorst nemen sijn geweer
En die sijn eygen Moer en Susters heeft ontschoolen
Haar hemden, en Vulkaan sijn hamers, tang en koolen,
En Venus gordel en Jupiters staf, dats meer,
Hy had de blixem selfs gekregen in sijn handen,
En had hy niet gevreest voor blaren en voor branden.
Hy! die een schoon Paart stal, en liet een seerich beest
Hy! die een Bruydegom sijn Bruytjen heeft ontnomen,
En deed’er in de plaats een heel ouwt besjen komen,
Waar voor meent ghy, O Goon! dat sulcken kaerel vreest?
Souw die hem oock ontsien der eerelijcker vrouwen
Hooch-prijselijcke lof te kladden met een klieck?
Den snoepert is haar wars, want was hy so vrouw-sieck
Als hy wel eertijds plach, hy souw haar woort wel houwen.
Sy mochten u haar saak als voor-spraak wel vertrouwen:
O taal-kundige tolck, ghelooft vry dat ick rieck,
Dat ghy haar heymlijck haat, misschien dat om een pieck
Van weygeringh of toot die ghy niet kont verdouwen.
Is dit welsprekentheyd, dat ghy’t vrouw’lijck geslacht
Met sulcken schotsen mond so smadelijk veracht?
Die ongesnoerde tong waar nutter wat geteugelt.
Vluchtige Swerver! het is al gevlerckt datmen siet,
U hielen en u hoed, u hooft en hart dat vliet,
U sinnen vliegen, ja u woorden zijn gevleugelt.
Maar ghy doorsichtighe, al-wetende Jupijn,
Die met u helder oogh aenschout het wit der saken
Van menschen en van Goon, wilt onderscheyd doch maken
In ’t ware wesen en de weseloose schijn:
Dat is, in’t groot verschil van Mayas-Soon en mijn.
Al is hy wel geleert en vast in alle spraken,
So heeft hy geen gelijck in’t lasteren en ’t laken
Der vrouwen, want ghy weet wat het voor lieden zijn:
En of hy’t schoon een glans van waarheyd kan anstrijken,
De valscheyd sijnes tichts sal openbaarlijck blijcken
In’t ondersoecken en bevindingh vande geen
Die hy hem niet en schaamt so te verongelijcken,
Indien dat ghy met ernst te degen gaat bekijken
Haar leven en haar aard by zijn te schampre re’en.
De lieden dien hy gaat so schandelijck verachten,
Dat is een lieflijck volck vol uytgenomen krachten,
Wtmuntend’ van verstant, groot-geestich en volmaakt
Van suyv’re schoonheyd en van antrecklijckheyd naakt,
Van poeselachtich vel, van wack’re frissche leden,
Van hoogh-dragend gemoed, van uyt-stekende zeden,
Aanminnich van gesicht, bekoorlijck van geaat,
Van eerbre schamelheyd, en vriendelijcke praat:
Ick acht hem voor een hout en sluyt hem vande menschen,
Die so een schepsel siet en’t selve niet souw wenschen,
Want van al ’t aartsche soet is dit het soetste dingh.
Ten waar dit lieflijck volck, de Wereld die vergingh,
Want ’t mannelijck geslacht dat wert van haar geboren,
En sonder vrouwen waar de menschen-teelt verloren:
Ten mocht geen hondert jaar in wesen blyven staan,
Of d’oeff’ning van Godsdienst en offer souw vergaan:
Bedenckt dan eens, O Goon! hoe veel wy zijn gehouwen
Aan die vrucht-barende en minnelijcke vrouwen,
Die wijslijck komen voor dat niet en gaat te niet
De Godsvrucht, en oock al watmen daar sichtbaar siet.

Jupyn. — Goddin hoe dus verrockt van u gesonde reden?
Voor uwe wijsheyd gaan u ongebondenheden:
Wat dulheyd komt u aan? ghy meld eens anders schand,
Voorwaar dits geen bewijs van een verlicht verstand:
Een hooch en groot gemoed dat sal sich matich breken,
En stichtich met bescheyt van alle saken spreken.
De menschen storen haar door euvelheyd van moed,
Der Goden goetheyd duyd het quade steets ten goed.
Ick hebbe by mijn selfs u wedersydich seggen
Met oordeel vry van sucht getoetst en we’er gaan leggen
U redenkavelingh: Maar alst al is geseyt,
Mercurius schort ernst en u geduldigheyd;
Ghy torent al te licht, en hy boert te besonder,
Doch ’t is der vrouwen schult, dat sweer ick by de Donder.

Pall. — Met oorelof: ghy doolt, want alsmen’t wel insiet,
De vrouwen zijn, Jupijn, voorwaar de oorsaak niet
Van ’s mans onrijpe dood. Wijt dat de drie Godinnen,
Die ’s menschen levens-draat na haar behagen spinnen,
Het sy dan kort of lang nae’t door de ving’ren slipt,
Of naa’t Atropos dunckt nootwendich af-geknipt.
En of de mannen haar moetwillich gaan bederven,
An eer, an goet of bloed, of met mistroostich sterven,
Is dat de dochters schuld? of sullen zijt verhoen
Met stracx de sotte wil der minnaars te voldoen?
So moest de kuysheid wech. De schoonste wierden hoeren,
De rijckste en de grootst voor beed’laars en voor boeren,
De goedste voor de boost, de wijste voor de sotst,
De miltste voor de vreckst, de dweegste voor de trotst;
En of dese wijs van schicking mocht behagen,
Hoe waandy souden sy haar met den ander dragen?
Maar grouwelijck en woest. Ick meen men op den grond
Des werelds in een jaar geen levend’ man en vond:
’t Mocht onbequaam of suf: ’t zy door gebreck in ’t baren,
Of dood’lijck gewond, of veroverlast van jaren.
Der vrouwen dreutscheyd preuts die ghy so spits veracht,
Is de behouwenis van ’t manhaftich geslacht.
Hier hebdy groote God met voorsicht op te letten,
Hanthaaft de suyverheyd met u heylsame wetten.

Merc. — Godd’lijcke Majesteyt verhoort my, die u bidt
Als oock de volle ry die hier vergadert sit,
Dat ghy de vensters van u hooge Hemel-daken
Ontwervelt en ontkrampt, de grendels wilt ontslaken,
Treckt voort de luycken op, op dat plotslijck, in ’t kort
Met nieuwe water-vloed de wereld onder stort,
Tot straffe van al’t quaat. Alleenelijck wilt sparen
De jonghelinghen out ontrent de twintich jaren,
Behoutse in een Tomb: maar ’t vrouw-volck hoe ’t oock is:
Doet dat vergaan, ja selfs haar snoo gedachtenis.
En gelijck ghy het wee, de visschen en de Byen
En ander dom gediert, haar teelingh wel doet dyen,
En leven sonder soch of toe-doen van een vrouw,
So wild’ ick dat ghy’t haar oock waardich maken wouw,
Want ick verseker u so lange alsser wijven
Hier op de ronde ring des aartrijcx sullen blijven,
So sal de beste man hoe schoon van geest en schijn,
Veel erger als een beest of als ellendich zijn,
Om redenen hoort toe. Jup. — Ghy maaktet my te langh,
Oock stem ick gantsch niet tot des menschen ondergangh.
Beteutelt en beducht ben ick in dese swaarheyd,
En wensch nu seckerheyd en kennisse der waarheyd,
Des wereldlijcken loops en hoe ’t daer al mach gaan.

Nept. — Hoe wel ’t my niet en voeght u heyligheyd te raan
Door dien der niet gebreeckt aan u almacht en Godheyd,
So kon u wijsheyd noch nut trecken uyt met sotheyd:
Waart Heer oock ontgerijmt dat ghy eens derwaarts sont
Yemand van dese Goon, doch onder streng verbont
Van eeuwige ballinghschap des Hemels hoogh van waarden,
So verre sy haar last en grootheyd openbaarden.

Jupijn. — Dat woort dat geef ick kracht: doch onder al de Goon
Is geen bequamer als ghy selven en mijn soon,
Daalt ne’er, ten dalewaarts en ick beveel u lieden,
Melt geen geheyme of u vonnis sal geschieden.
So ghy verholenthe’en of onse dingen rept,
So denckt dat ghy al wegh u deel des Hemels hebt.
U stel ick by myn kind, om of hy heet mocht minnen,
Dat ghy dat maticht met u waterige sinnen.
Vaart af Gesanten, vaart, en wilt gedachtich zijn.

Merc. — Vaart eeuwelijck wel. Nept. — Vaart eeuwigh wel Jupijn.

 

Wolcken schickt u nederwaart,
Metter vaart,
Rolt u onsichtbare touwen
Wat geswind en vaardich om,
Want ick kom
Om de wereld te beschouwen.

Merc. —

Ick sie der hooghe bergen kruyn
Del en duyn,
En het spits van kerck en toren.
Ay Neptunus komt en ooght,
Wat een hooght
Isser tusschen ons en ’t koren.

Nept. — Ick verlies Hemel en licht
Wt ghesicht,
’t Land begint hem op te heven.
O de Wolcken blyven staan,
Dat wy gaan
En nae binnen ons begheven.

Nept. — Scherpsinnige Mercur’, doen ick was in het dalen,
Liet ick mijn snel gesicht eens over ’t aardrijck dwalen,
En sach het meeste deel des werelds onbewoond,
Dies wil ick dat ghy my op ’t spoedighste vertoond
’t Volckrijckste deel daar van: want daar de meeste lieden
Bewonen eenigh Land, daar sietmen oock geschieden
De meeste wonderen, dus laat ons derwaarts gaan,
Op dat der Goden wil werd na haar wil gedaan.

Merc. — Neptunus komt, ick sal als bode vande Goden,
U voeren daar ons komst is op het hooghst van noden

G.A. BREDERO

’t Kan verkeeren.

 

Eynde van het derde deel.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.