G.A. Bredero (1585 - 1618)

ANGENIET

VIERDE HANDELINGH.

EERSTE UYTKOMST.

Kloridon. —

Ach albesiende Goon, die door u mogentheden
Onsichtbaarlijck bestierd de landen ende steden!
In wiens verholen boeck geschilderd is’t geval
Dat in dit losse rond den mensch bejeg’nen sal:
Wat staat daarin van mijn en mijn geval beschreven?
Of sal ick niet als ramp op dese werld beleven?
’t Schijnd ja: want wat ick doe, of waer ick henen gae,
Het ong’luck volght mijn staegh ghelijck mijn schaduw’ nae.
Ick swem in pijn en rou, ick baed mijnin verdrieten,
Mijn oogen puylen uyt, de bracke tranen vlieten
By dese wangen neer, gelijck een souten stroom.
O Goden! matight eens mijn pijn met redens toom.
Licht-voetige Fortuyn, hoe wanckel zijn u staten!
Hoe weinigh magh een mensch sich op u gonst verlaten!
Dat speur ick inder daed, dat voel ick selfs in mijn,
Die nu een kaets-bal moet van u genuchten zijn.
Ha lichte Angeniet! die eertijts tot u minne
(Gelijck een zeyl-steen) trockt mijn ongebonde sinnen,
Door den gemaeckten schijn van u verliefd gelaat,
Hoe komt dt ghy mijn nu dus klackeloos verlaat?
Waarin? waar aen? waar door gingh ick mijn oyt te buyten?
Wat pord u, om mijn liefd uyt u gemoed te sluyten?
Heb ick u niet gevierd, gediend als een Goddin?
Of ergens als aen u geofferd mijne min?
Hebt ghy myn trouwigheyd nu niet twee volle jaren,
Volkomen, onvervalscht en sonder vleck, ervaren?
Heb ick mijn liefd niet van een yeder af-geleyd,
En die alleen op u gegrond-vest en geheyd?
Ghy waert mijn vreughd, mijn al, hier was het dat ghy woonde,
Het welck ghy uyterlijck oock weer van mijn betoonde.
Maer lacy! d’uyt-komst wijst my aen de valsch ontrouw
Van u, O Crocodil en eer-vergeten Vrouw.
Wast hier niet dat ghy swoerd met tranen in u oogen,
By al wat leven had, jae by de blauwe bogen
En by de Goden selfs, dat eer de donder dy
Verpletten sou, eer dat ghy soud verlaten my?
Waar blijft u toesagh nu? waar ’t kracht van uwe eden,
U eden segh ick, daar met ghy my aengestreden
En toegesworen hebt so dickwils, datter in
U min noch valscheyd was, noch dubbelheyd van sin,
Maar dat ghy mijn alleen gekofferd en besloten
Had in u suyver hart, daar mijn niet uyt sou stoten
De schat van d’heele werld, noch nijdigheyd noch konst
Van klappers sonder ziel; jae dat ghy selfs d’ongonst
Van uwe ouders niet soud schreumen te verwecken,
Als ghy maar mijne min en gonst daar door mocht trecken.
O als ick u op-treed (door ’t komen en het gaan
Van d’oude Endimyon) dat ghy my soud verraan,
En endelijck sijn min soud in u harte plaetsen,
Hoe wist ghy mijn die bal stracx weder toe te kaetsen!
Hoe seer verachten ghy dien af-geleefden geck!
En noemden hem een uyl, een knorre-pot, een wreck
Een lichaem sonder lust, een pijn-banck van u sinnen,
Dien ghy in eeuwigheyd niet kond noch wilde minnen;
Maar ick wast al in al, ick was hy, die u ziel
Vermaakten, en alleen hart-grondelijck beviel:
Hem hield ghy maar alleen om and’re te beletten!
Om als een molick in de Karse-boom te setten,
Op dat ghy u daar door mocht velen aan u zy,
En maken u alleen met mijne minne vrolijck.
En nu, nu neemt ghy tot u man dien selfden molick!
Nu sult ghy in u arm lief-kosen alle nacht
Dien suffert, dien ghy hebt so schrickelijck veracht!
Dien bleeckten magher-kaack! en ick sal moeten kiesen,
In plaatse van u min, een hoedt van geele biesen.
O Goden wat ick hoor! o Hemel wat gheschiet
Op dese werrelts kruyn (door u toe-latingh) niet!
Wie sal voortaan op ’t woordt der Vrouwen mogen bouwen,
Die hare mont in’t hart, vol duyvelsch valscheyt, houwen,
En ’t hart noyt in de mont? g’lijck my van Angeniet
Ghebeurt is, die haar soo schoon voor mijn oogh gheliet,
En heeft niet eens ghedacht het gheen sy heeft ghesproken;
Maar trou, met eed bevest, meyneedighlijck ghebroken,
Veel lichter als het lichtst dat men ter werrelt vindt,
Ja lichter als een pluym ghedreven van de windt,
Doch was sy doe soo licht, licht is sy noch ghebleven,
Waarom sou sy hem dan niet we’er soo licht begheven
Als sy mijn heeft ghedaan? dat hoop ick sal gheschie’n,
En dat ick noch de wraack sal van haar ontrou sien:
Ick heb een oude Vrou (beslepen in de reden)
Met gheldt daartoe bekocht en vriendelijck ghebeden
Haar alder-hooghste vlijt met list te wenden aan,
Om dese We’er-haan we’er te locken om te slaan,
En komt die haar te spraack, ’t sal moogh’lijck wel gheschieden,
Want sy haar laghen sal seer swarelijck ontvlieden,
Sy is te wel bespraackt, en wat een oude Vrouw
Of wat een Paap niet wel te weghe brenghen sou,
Sou oock de Duyvel nau (soo ’t spreeck-woordt seyt) versinnen:
Dies hoop ick hare gonst door dese list te winnen:
En daar op stel ick mijn gherust, tot op de nacht,
Wanneer ick hare komst en antwoordt we’er verwacht.

Vierde handelingh; tweede uytkomst.

Beatrix, Angeniet, Kloridon.
En Angenietje, kijnd, ick arme ouwe Sloof,
Wat wort ick machteloos, sit neer moer, ick ben loof:
Maar wat ic segge sal, sit ick nu by een Bruytje?
’t Is huyen my eseyt, of is het meer een fluytje,
Die yemandt om de deun my slechts het wijs emaackt?

Ang. — Neen Besje, ghy heb ’t wit daar al op’t hooft eraackt.
Ick heb my inden Echt ten laatsten eens begeven,
Door dien mijn Ouders sulcx begeerden by haar leven.

Beat. — Wel Schaapjen dat’s t’ ondieft! Ick wensch jou g’luck en vreught
En dat ghy langh en soet te samen leven meught;
Dus hoor ick staagh wat nieus wanneer ick by de luy kom,
Maar kijnd met wie? hoe is de naam doch van jou Bruygom?
Is’t oock een Burghers seun? misschien heb ick sijn kundt.

Ang. — Ja, ’t is Endymion dien d’Heer my heeft ghegunt,
Hem heb ick tot mijn Lief en waarde Man ghekoren.

Beat. — Ja Mater wat ick hoor! och was ick doof geboren!
Maar Angenietje ick geloof dat immers niet.

Ang. — Gelooft het of ghy wilt, het is nochtans geschiet.
Het schijnt den Hemel dat soo in sijn raat besloten het.

Beat. — Wel, heb ghy Kloridon soo schand’lijck dan een toot eset?
Laat ghy dien e’elen baas? en maack ghy jou een wijf
Van een, die niet een lidt het aan sijn hiele lijf
Daar leven, of belul, of giest in is met allen?
Ja lieve kijnd het is te mal om af te kallen:
Ick sach hem gisteren doen hy de straat op gingh,
’t Was offer ien pis-pot tusschen sijn beenen hingh,
So stijf-bient, wijt-biendt, zijdt-bient, met sijn kuyten binnen
Quam d’oude Droogh nap aan; ja maar wat meugh ghy minnen!
Die dove Quartel, die Knor-pot, die rechte Vreck,
Die mag’re holle loer! ghy bent werentigh geck

Ang. — Nu Besje doet ghemack: wat schempt gy op sijn leden?
Hy is my schoon ghenoegh: ick hou meer van de zeden
Als van een trotschen gangh, als van een schoon ghelaat,
Manieren cieren als des schoonheyts roem vergaat.

Beat. — Manieren had ick ehoort! Hy is een biest der biesten
En Kloridon die is een giest van alle giesten,
Van alle man bemint, van wijse luy ghe-eert,
Van hooghe en laagh gheviert, by d’opperste begheert,
Die altijdt lustigh is, vermakelijck en vrolijck,
Endimyon is daar by maar een op-rechte molick:
Dan dat noch ’t mieste is: gedenckt eens aan den eed
Dien ghy aan Kloridon, dien wack’ren Jongh-man deed,
Dien ghy ghetrou altijdt te blijven hebt ghesworen.
O Angenietje vrees ghy dan niet voor Gods toren?
Godt heeft de Echt ghemaackt, o kijnd! geckt met hem niet
Die alle harten kent en alle dinghen siet,
Of ghy sult noch op’t lest al deur jou bed-stroo druypen:
Ghy meught de straffe Gods ontduycken noch ontsluypen:
Ick hebber wel soo veel erkent die met de trou
Soo weyffelden als ghy, wat was heur eynd, als rou,
Verdriet, elend, altijdt een knagingh in’t ghemoede,
Verlies van alle vreught so wel in goedt als bloede.
O deynckt eens dat ghy hebt met hem twee Jaren langh
Soo lieffelijck verkiert; o soeten omme-gangh!
En kittelen jou niet de tockelende lusjens,
Wannier ghy over-wickt de suycker-soete kusjens,
De tuylerytjes, en de vrye vryigheydt,
Meer tusschen u ghepleeght als ’t oorbaar is gheseyt?
En jammert u niet als ghy treedt in u Geweten
En denckt, soo langh heeft hy sijn waarde tijdt versleten
Alleen om mijnen’t wil; ick heb hem toe-ghelonckt,
Ick heb hem aan-ghehaalt, ick heb sijn hart ontfonckt,
En hy heeft mijn ghevolght, niet wulpsch noch gayl van sinnen:
Maar lief’lijck, en daar by gantsch stadigh in sijn minnen:
Wy beyden waaren een; ick toonde mijn soo vry,
Ja vryer teghen hem als hy sich teghens my?
En dat ghy nu die gheen die u van harten mienden,
Hem die u meer als Slaaf, dan als u Vryer, diende,
Die u sijn leven langh in’t minste oyt mis-deed,
Dus schandelijck verlaat gantsch teghens trou en eed’:
En waarom? om een Bloedt! die ghy neemt om sijn gelletje,
Maar gheensins om sijn deught, veel minder om sijn velletje,
Daar ghy u leven by sult slijten in ghequel,
En hebben binnen’s huys een pijnelijcke hel.
Denckt om u Kloridon, ach! hoe sou die u vieren,
Ghy soudt u al te mal by hem niet keunen tieren:
Ghelijckheydt in de Jeught in d’ Echte vrede baard,
O kijndt dat sou u zijn een Hemel op der Aard:
De lieffelijcke vreught speelt Kloridon on d’ ooghen:
Hoe sult ghy Angeniet hem doch vergheten moghen?
Wat! laat Endimyon, dien ouden suffert, staan,
En neemt u Kloridon, u soete hartjen aan.
Hem hebt ghy eerst bemint, laat hem de eerste blijven,
En laat Endimyon dien styven droomer drijven,
Op dat ghy uwe trou en uwen eedt betracht,
En beyd’ by Godt en Mensch wordt eerelijck gheacht.

Ang. — Soo ick niet waar gheweest begheerigh om te weten,
Of ghy, o snoode Vrouw’! u soud’ soo veer vergheten,
Dat ghy dit schand’lijck stuck soudt legghen my te voor,
Ick had u nimmermeer ghegunt dit langh ghehoor.
Wat meynt ghy vuyle pry, sot boven alle sotten.
Dat ick om Kloridon mijn Ouders sou bespotten?
Om Kloridon, dien ick slechts om mijn tijdt-verdrijf
Soo langh heb aanghehaalt, om noyt te zijn sijn wijf?
Of hy al gheestigh is, en vry wat schijnt te weten,
Gaat van die gheestigheydt en wetenschap eens eten.
Ick en mijn Ouders, die beyd’ wijs zijn en bedaart,
Wy houden ’t met het goedt; dat’s daar men wel af vaart,
Dat heeft Endimyon, dies hoeft hy’t niet te winnen:
Ey! wat sou Kloridon, die jonghe wulp, beginnen?
’t Is waar, ick heb hem tot een koelingh van mijn lust
Twee jaren langh ghetroont, veel duysentmaal ghekust:
En mits ick schiep vermaack in sijn seer gheestigh vryen,
Wou’ ick sijn omme-gangh noyt van het mijns af-sny’en,
Tot op het laetste toe, en swoer hem, als een Vrouw,
Dat ick tot op mijn dood hem blyven sou getrouw:
Maer ick heb staegh gemeend met die gemaeckte eeden
’t Genot van myne gonst: maer nimmer van mijn leden.
En gonstigh ben ick hem, ick gun hem dat hy krijght
Een die in rijckdom mijn seer veer te boven stijght.
Gelijck ick heb een man (door Ouders raed) bekomen,
Die hem gaet dapper veer te boven in rijckdomen.
Maer ’k gun hem nimmer yet wat al de rest belangt,
Hy heeft genoegh als hy mijn mag’re gonst ontfangt.
Dus vuyle Tooveres wilt yligh van myn wijcken,
Of ick sal u de le’en so dapper doen bestrijcken
Met ongebarnden asch, dat ghy u nimmermeer
Sult onderwinden in mijn huys te komen weer.
Wel aen, ick gae: en gaet, o schuym van alle Wyven!
Eer dat ic u onscaht doe van de deure dryven. In.

Beatr. — Wel dat’s een kats-vel, volck, wat dunck jou van die pry?
Dat ’s ierst een giet-logen, is dat een Vrou-mensch? fy
Dat sucke dubbelheyd in Vrouwen word bevonden!
Hoe, sy het eer noch schaemt, sy past op schand noch sonden.
Ach! hoe sal Kloridon toe-hooren, als hy weet
Dat sy so dubbeld weet te weyf’len met haer eedt. Klor. uyt.
Holla! daer komt hy aen, ick moet hem openbaren
Hoe schendigh dat ick ben by Angeniet gevaren.

Vierde handelingh, derde uytkomst.

Kloridon, Beatrix.
Wel Bestemoer hoe is’t gelegen met de Bruyt?
Is sy ’t ? of si sy ’t niet? wou ’t woordtje daer niet uyt?

Beatr. — Wel hart’lijck is sy ’t, en sy deynckt het oock te blyven.

Klor. — Kond ghy met reden den gantsch niet by haer bedryven?

Beatr. — O neen sy past gantsch niet op eeden noch op re’en,
Haer onbeweeglijck hart is harder als een steen.

Klor. — Waerom socht sy dan selfs mijn tot haer min te trecken?

Beatr. — Om dat ghy tot haer lust en tijd-verdrijf soud strecken.
Sy had behagen in u soete vryery.

Klor. — Sint felten schen die Meer, wel spot sy dan met my?
Waer toe hiel sy my op? Beatr. — Om dat ghy hare lusjes
Soud blussen met u praet en aengename kusjes,
Want ghy seer geestighjes kond spelen met u tongh,
Waar uyt sy groot vermaack in haere geest ontfongh.

Klor. — Heeft sy mijn dan alleen gebruyckt twee volle jaren,
Voor hare korts-wijl om haer sinnen op te klaren?
Wat wulpscher Meer is dat! wat seyd die valsche vrou
Dan daer af, dat sy swoer my staegh te blijven trou
En my haer’s liefdes gonst niet weer in eeuwigheden
’t Ontrecken? Beatrix. — Daer heeft sy’t genot van hare leden
Noyd (seyd se) mee gemeend: maer van haer gonst alleen.

Klor. — So hael de duyvel haer met al haer dubbeldhe’en.
Maar waer toe streckten dan haer Crocodille tranen?

Beatr. — Om u te focken so dat ghy geen argh soud wanen.

Klor. — Te focken! ey waerom gekoesterd sulcken bloed,
En Kloridon versmaed? Beatr. — Alleenigh om het goed.

Klor. — Heeft sy dan om het goed beyd lijf en ziel versworen?
Hoe groot mijn rijckdom was, dat wist sy wel te voren,
Waer toe heeft sy met mijn dan so langh omgegaen?

Beatr. — Om dat Endimyon niet eer quam nae haer staen.

Klor. — Sy swoer nach dat sy mijn sou nimmermeer verlaten,
Maer altijd minnen, nae dat hy by haer quam praten.

Beatr. — Sy mind u (swyd sy) noch, en wenscht u oock daer by,
Dat g’lijck sy heeft een man die rijcker is als ghy,
Ghy oock tot uwe Bruid een vrijster mooght verkrijgen,
Die haer in rijckdom wijd te boven soude stijgen,
Maer sy en koos u noyt tot haren Bruydegom.

Klor. — So gingh de duyvel selfs dan met haer backhuys om,
Doen sy haer tranen liet op mijne wangen vlieten,
En wenschten dat Jupijn syn donder af mocht schieten,
En plettren haer tot stof, so veer sy immermeer
Koos yemand tot haar lief als Kloridon, haer heer,
Haer hart, haer ziel, haer al: Meyneedige giet-logen,
Houdt ghy’t gebod van God, noch eer, noch schaemt voor oogen?
Vreest ghy dan nergens voor? ontsiet ghy niet mijn pen?
Ick sweer dat ghy lang sult speuren wie ick ben:
Jae al de wereld sal met u bescheylijck weten,
Dat niemand te vergeefs mach gecken met PoŽten.
O overvalsche pry! ’t is vremd dat ick niet baes,
Jae dat ick teenemael van gramschap niet en raes,
So tomlen door malkaer mijn recht versteurde sinnen,
Ach! kond ick doch mijn selfs met lijdsaemheyd verwinnen:
Maer neen! mijn bloed dat koockt. Wel aen dan, Angeniet,
Dees trots is nu aen my door u ontrou geschiet,
Tot loon van al de gonst en groote dienstbaerheden
Die ick u heb betoond, gantsch buyten alle reden.
Ghy spot noch met my toe, ghy blijft al even trots,
Ghy vreest mijn toren, noch de gramschap uwes Gods:
Maer beyd, mijn wraeck, al heeft hy misschien loden voeten,
Sal u meyneedigheyd u strengelijck doen boeten.
En ick sal blijven noch de ghene die ick was,
Als ghy van elck geacht word voor een lichte tas.
Dus Besjen, daer is ’t loon. Beatr. — Och ick bedanck jou hooglijk,
Ick had heur graeg verkeerd: maer vaer, ’t was my niet mooglijck.
Sy vloeckten as de droes, jae dreyghden mijn te slaen
Soo veer ick daet’lijck niet woud van haer deure gaen:
Dus vryer goeden dach, ey weest doch wat geduldigh. In.

Klor. — ’k Sal doen het geen ick na des redens plicht ben schuldigh.

Eynde van de vierde handelingh.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.