G.A. Bredero (1585 - 1618)

ANGENIET

VIJFDE HANDELINGH.

EERSTE UYTKOMST.

Angeniete. —

So dickwijls als ick denck om d’onverdiende smart,
Die Kloridon nu lijd, knaecht my een worm het hart,
So dickwijls als ick by mijnn selven overpeynse,
Hoe goddeloos ick hem verblind heb door mijn veynsen,
En hoe oprecht hy sich in sijne minnery
Daer tegens heeft altijd ghedragen neffens my:
Soo dunckt my dat ick (als een schand-vleck aller vrouwen)
Niet langer waerdigh ben den Hemel aen te schouwen.
Het huys is my te bangh, want waer ick mijn oock wend,
Elck plaets maeckt op een nieu mijn ontrou mijn bekend.
Mijn kamer, dunckt my, seyd, als ick daer in kom treden,
O schaemt u Angeniet vanu lichtvaerdigheden:
Hier riept ghy God tot tuygh, O eer-vergeten vrou!
Dat Kloridon alleen u liefste wesen sou.
En sien ick dan rondom, stracx dunckt my dat de wanden
Beklad zijn over al met vlecken van mijn schanden:
Hier hoe dat ick hem kus, daer hoe ick met hem speel,
Gins hoe ick hem toelonck en daer hoe ick hem streel.
Wat verder by mijn koets hoe ick hem heb bedrogen,
Alwaer ick hem de hand met oprechte oogen
En brandende gelaet uyt vrye wille geef,
Hem swerende getrou te zijn so langh ick leef,
’t Sy wat ons overquam in hooghe en lage staten:
En nu heb ick nochtans lichtvaerdich hem verlaten;
Maer dat noch ’t slimsten is, ’k heb daer geen reden toe,
Jae weet op ’t alderminst niet waerom ick het doe.
Sijn deughdlijck ommegang heb ick genoegh ervaren
In sijne vryery van twee volkomen jaren.
De lof van sijne geest is treffelijck bekend,
Van Nederlands begin tot haerder grensen end.
De Grootste van het Landt die prijsen sijn ghedichten
Voor d’eelste die daar zijn, in ’t boerten en het stichten
’T is waar, Endimyon is rijcker in het goedt;
Maar Kloridon munt uyt in rijckdom van ghemoedt,
In gaven des verstands, die geensins zijn te koope,
Al hadtmen al de schat des werelts over hoope,
Het is een rijckdom die sijn Meester noyt verlaat,
Maar blijft hem altijdt by als al sijn schat vergaat.
Nu waarom heb ick dan mijn Kloridon begheven?
Hy deedt mijn noyt een hayr te kort in al sijn leven,
Van leden was hy schoon, in ’t bloeyen van sijn Jeught,
En d’edelste Fonteyn van d’eerlijckste vreught.
’t Is waar ick heb ny met Endimyon ghekreghen
Meer goedt als Kloridon wel had: maar daar-en-teghen
Verlies ick nu mijn Eer door ’t breken van mijn trou,
Soo schijnt het dat ick meer van ’t Goed als d’Eere hou,
En Eer gaat boven ’t goed by treflijcke Verstanden.
O sinneloose Maaght hoe kroont ghy u met schanden!
En waarom doet ghy dat? was ’t u om ’t goedt te doen?
Van Kloridon was vry wat treftighs te vermoen:
Sijn ommegangh was by de beste van de Steden,
Den Oppersten van ’t Landt behaaghden sijne zeden,
Elck had hem grondigh lief, den eenen om sijn deught,
De tweed’ om sijnen Gheest, de derd’ om sijn gheneught:
Dies had of d’een of d’aar (door goede gonst ghedreven)
Tot eenich treflijck ampt hem eer yet langh verheven,
En hy, hy was het waardt; want mennigh bock bekleedt
’t Aansienlijckt ampt van ’t landt, die helft te minder weet,
En klimpt alleen daar toe door trappen van de gonsten,
Hy sou daar door waardy op-klimmen van sijn konsten.
Dus siet, Angnietje siet, wat doet ghy u al leedt:
Ghy breeckt gantsch noodeloos u hoogh-ghesworen eedt:
Dies siet ghy te ghemoet niet anders als verdrieten,
Daar ghy de grootste vreught des werelts kondt ghenieten
Met uwen Kloridon, en swemmen in een Zee
Vol alle lieflijckheydt en aanghename vree.
Holla! wien sien ick daar? d’onsaghelijcke Goden
Neptunus en Mercur’: so is het my van noden,
Dat ick mijn after’t groen hier wat verborghen houw,
Sy komen misschien mijn bestraffen om mijn trou.

Vijfde handelingh. Tweede uytkomst.

Neptunus, Mercurius, Angeniet.

Nept. — Mercurius ick sou noch dapper mijn beswaren
Om op mijn oordeel aan de Goden te verklaren
Waar uyt d’onheyelen droef oorspronkelijke zijn,
Wt Pluto, uyt de Vrou, Cupido of de Wijn
Om welcken oorsaack wij van d’Hemel zijn ghesonden:
Want ick heb noch te veel verscheydenheyts gevonden.
Dan doch Cupido heeft, dunckt mijn, de meeste schuldt,
Mits hy het meeste deel des werlts met minne vuldt

Merc. — Neen Water-God, ghy dooldt: want, wilt gy’t wel versinnen,
Der Menschen onheyl spruyt uyt on-min, niet uyt minnen:
Cupido heeft gheen macht: want Pluto d’Helsche Heer,
Die Godt des rijckdoms is, vernielt al sijn gheweer,
Dies is hy oorsaack oock van al die onghelucken
Die ’t Menschelijck gheslacht so deerelijck verdrucken:
Seer selden paren nu door liefd’ de jonghe Lie’n,
Want daar wordt meer na’t goedt als na de deught ghesien.
Al heeft een jonghe Maaght besteedt haar sinlijckheden
Op eenig jeughdigh quant vol treffelijcke zeden,
Wtmuntend’ in’t verstant, en gheestigh in’t ghemoedt,
’t Is niet: so veer hy haars ghelijck niet is in’t goedt,
Sy krijght hem nimmermeer; maar komt er aan-ghetreden
Een rijcke sagghelaar, al is hy slim van leden,
Versuft en afgheleeft, die op sijn schaduw’ knort,
Die nau een lidt aan ’t lif heeft daar niet wat op schort,
Die nimmer vrolijck is, die sal dees jonghe mensche
Verwerven door sijn goedt en trouwen naar sijn wensche.
Wanneer dan soo een Maaght, in’t schoonste van haar Jeught
Verknocht wordt aan een Vreck, een vyandt van de vreught,
(Haar vel is poeseligh, het sijne so verkrompen)
Datmen een druppel nats uyt sijn lijf sou pompen,
Sy loddrigh, hy verkeert, sy soet, hy stuur en straf,
Sy rommelt van het bedt, hy mymert van het graf)
Sal’t weeligh jonghen dier, ’t zy dat de gayle kusjes
Die sy ba and’re siet, haar tock’len tot de lusjes,
En prick’len so haar vleysch met kittelende weeldt,
Dats’ uyt een vreemde kraan een een vreemder slockjen steeldt,
Of dat sy garen sou een Erfghenaam verwerven,
Om namaals, als de Vreck, den Esel, quam te sterven,
Deelachtigh aan sijn schat te wesen, ende dan
Te trouwen met sijn goedt een jongh en schoonder man,
Gaan springhen buyten spoor, en met een Landst-knecht waghen,
Al sou den ouden man daarom thien hoorens draghen:
Het is vergheefs ghekalt, de Jeught die moet’er uyt,
De vlam moet voor den dagh, hoe mense nauwer sluyt,
Hoe krachtigher sy wast: gheen sloten zijn te vinden,
Soo sterck dat sy de min vermoghen in te binden.
Wat spruyt dan, o Neptun! hier uyt, als hoerery,
Echt-breuckt, meyn-edigheytdt, ghevolght met jalousy,
On-endelijcke schandt, doot-slagen, moorderyen,
Verlies van eer en goedt, ja lijf en ziel te ly’en:
Dies segh ick, Pluto is de oorsaack van’t verdriet
Des menschelijcken gheslachts, Cupido is het niet.

Ang. — Helaas! die selve Godt is van mijn valsche Eden
De oorsaack oock alleen, ick heb gheen and’re reden.

Merc. — Holla! wie sien ick daar? is dit een aardtsche Vrouw?
Noyt sagh ick sulcken beeldt in’t Hemelsche ghebouw.
S’is Goddelijck van kracht, ick voel haar stralen breken
Door’t eelste van mijn ziel en in mijn harte steken.

Nept. — ’t Bloed koockt my in het lijf. Merc. — Mijn sinnen zijn vervreemt.

Nept. — Laat ons haar spreken, eer sy ons de spraack beneemt.

Merc. — Kroon-draaghster van de glans der schoonst’ uytmuntendheden,
Niet min bevalligh in’t ghelaat als schoone leden:
Wt-stekende Juffrou, die door u braaf ghesicht
Een blakerende vlam in onse boesems sticht
En so ons sinnen hebt ghebonden en ghekluystert
Aan uwe schoonheyts glans, die alle glans verduystert,
Dat wy u slaven zijn, en om u dienst te doen
Meer souden wenden aan als ghy selfd soud’ vermoen

Nept. — Jonck-vrou so veer ghy ons u minne wilt betonen,
Wy sullen u dat meer als menschelijck belonen:
Want ghy en kent ons niet: Maar siet ons neerstigh aan,
Soo siet ghy (schoone Maecht) twee Goden voor u staen)
Bereyd’ tot uwen dienst, ghesinnicht u te eeren,
Gheneyght om uwe vreughd’ en wellust te vermeeren,
Begheerigh om u soo gheluckigh op der aard
Te maken, dat noyt yets gheluckighs is ghebaard
Dat u ontbreken sal, dus, lief, laat u niet noden,
Want ghy betoont dees gonst geen menschen, maar de Goden.

Ang. — So veer ghy Goden zijt (ghelijck ick vast vertrou
Door u aansienlijckheydt, daar ick seer veel van hou)
Gheeft het my dapper vreemt, daar ghy so met Godinnen
Versien zijt, dat ghy meught een aardtsche Maaght beminnen:
Want buyten twijffel is het Hemelsche cieraat
Een schoonheydt, die het Aartsch gheheel te boven gaat.

Merc. — O neen soet-aardigh dier, die ons door uwe ooghen
(Hoe wel wy Goden zijn) bedwinght naar u vermoghen:
Wy achten ’t Aartsch ghebou (om dat ghy lieve beeldt,
Dat selve willigh tot u woon-plaats hebt erweeldt)
Gheluckigh op het hooghst, en d’Hemel daar en teghen
Voor ongheluckigh; of het schoon leyt schoon ghelegen.

Ang. — Waarom, o groote Goon! dat woud’ ick dat ick wist?

Merc. — Om dat het u (me-Vrou) en uwe schoonheydt mist.

Nept. — Wy achten gheen gheluck noch vreughden te ghelijcken
By u; want voor u vreughd’ moet alle vreughde wijcken,
En by so veer ghy ons vol-doen wilt in het stuck
Dat wy u leggen voor, wy sullen u gheluck
Soo hoogh als ghy begeert, ja hoogher noch doen steyg’ren,
Dus schoone wlt u gonst den Goden doch niet weyg’ren,
Wat ghy tot wederloon gelieft ons te gebien,
Sal datelijck, Princes, naer uwe wil geschien.

Ang. — Verliefde Goon, dewijl ick sie u Godlijckheden,
Ghedaelt tot op der aard; Ey seght my door wat reden,
Of middel, ghy om laegh van sulcken hooghte sijght
En hoe ghy van beneen, weer naer de wolcken stijght.

Merc. — Wy konnen al te saam een Hemelsch liedt verhalen,
Dat ons, als’t ons belieft doet na beneden dalen,
Een ander konnen wy, als een van ons dat singht
Daalt datelijck een wolck die hem ten Hemel bringht.

Ang. — O Goden! so ghy mijn tot vrientschap wilt bekoren,
Laat mijn dat Liedeken uyt vrientschap doch eens hooren.

Nept. — Lief dat kan niet gheschien, het is ons vande Go’on,
Eendrachtelijck vergaart, uytdruckelijck verboo’n.

Ang. — Of ick dat al een hoor, kan u seer weynich deeren,
’t Is my niet moghelijck dat Liedt soo haast te leeren.

Merc. — Eyscht van ons anders yet, wy derven het gebodt
Niet over-treden vande Groote Donder-Godt; (Jupiter)
’t Geheym des Hemels mach men aan gheen mensch ontdecken.

Ang. — So moocht ghy oock van mijn wel datelijck vertrecken.
Hebt ghy mijn niet gheseyt, dat ghy, wat ick begheer
My gunnen soud’ tot loon, dat ick u gun mijn eer?

Nept. — Wy dochten niet dat ghy soud’ tot u loon verkiesen
’t Gheen ons nootwendigh sal den Hemel doen verliesen.

Ang. — ’t Sal heym’lijck zijn by mijn, wie weet dat ick het weet?
En wilt ghy het niet doen, siet dan ghy mijn vergeet.

Merc. — Hoe vlucht ghy so, mijn Schoon? mach niemandt Angeniete
Noch hare gonst, als door zijn onder-gangh ghenieten?

Ang. — Of ick het Liedtjen hoor, ey seght wat dat beduyt,
’t Gaat my het een oor in en ’t ander weder uyt:
Ick wist daar van gheen woordt, ick laat staan ’t liedt onthouwen.

Nept. — Ja die de dubbelheydt der Vrouwen dorst vertrouwen!

Ang. — So ick het immermeer aan Goo’n of Menschen meld,
Mijn dan voor eereloos of voor meyn-edigh scheld.
Ick ben so dubbeld niet (al waend ghy’t) Hemel-Heeren.

Nept. — Wel, by so veer wy ’t doen, sult ghy dan ons begeeren
Volkomen komen naer in ’t geen u is bekend?

Ang. — Ja datelijck so haest het Liedtjen is ge-end.

Nept. — Wel dan Mercurius, wat sou u meenigh wesen?

Merc. — Men hoeft voor haer, noch voor haer dubbeldheyd te vreesen,
’t Is haer onmogelijck, al is sy wel ter tael,
Dat sy het daedlijck kan onthouwen al te mael.

Nept. — Wel schoone Angeniet! laet ons dan binnen treden,
Daer sul ghy hooren al des Hemels heymlijckheden,
Vervat in een Gesang, en ’t wijsjen is niet swaer.

Ang. — Ghy Goden, treed dan voor, ick volgh u yligh naer. Goden in.
Ick wed ick sal de Goo’n met mijn meydeedigh liegen
So wel als Cloridon, uyt-strijcken en bedriegen. In.

Binnen word een gesongen het Liedtjen dat Angenietjen in dese naervolghende uytkomst singt.

Vijfde Handelingh, derde uytkomst.

Angeniete, Neptunus, Mercurius, Jupiter, Saturnus, Phœbus, Vulcanus, Hercules &c.

Ang. — Dat Liedeken heb ick so yv’rich aengehoord,
Dat ick het daedelijck na sal singhen tot een woord,
En doen de Wolcken voor mijn voeten neder zyghen
Om met haer, nae mijn wensch, ten Hemel op te styghen.
Nu Goden dat’s u voor na ’t Hemelsche gebou,
Betroud hier namael weer wat heymlijcx op een Vrouw.

Angeniete singt, de wolcken dalen, sy styght daar in, en word voorts ten Hemel opgehaeld.

Stem: La Chime

Dubbelde Wolcken ontrold uwe kle’en,
Phœbe suigt voort al u water daer uyt,
Op datse sacken wat drooghjes bene’en;
Met haer gespickelde mistige huyd;
Wy, die ghy weet,
Staen hier gereed,
Wachtende; willende dat ghy daeld
Op ’t logge aerd
En metter vaerd
Ons in de hooghste Hemelen haeld.
Jupiter onse gebiedende God
Sond ons beneden (dat weet ghy wel)
Om te volbrengen syn noodigh gebod:
’t Welck oock geschied is naer syn bevel.
Nu komen wy
U wederom by,
Goden u boden syn al gekeerd
’t Is al geschied
Naer u gebied,
Juyst so ghy’t op haer hadde begeerd.

De wolcken ghedaeld zijnde, treedt Angeniet daer in, ende word al singende ten Hemel gevoerd. Neptunus en Mercurius verbaest uyt.

Nept. — Mercurius helaes wy zijn bedroghen,
Want Angenieta word ten Hemel opgetogen,
Door ’t singen van het lied, sy heeft al geleerd.

Merc. — Komt laet ons singen oock, en sien dat men haer weerd.

Angenieta singht so vaerdigh voort, dat de Goden haer niet volgen konne, dies sy voort ten Hemel op vaert, ende de Goden blyven mistroostigh op der aerden.

Ang. — Chaire zeu, Kurie toon ournoon.
Vrolijcke wolcken nu stijght om hoogh,
Voert nu u vrachtennaer d’ opperste throon,
Dichte by Phœbi gulden oogh.
Anelthousa, Alleluya,
Singhen wy, roepen wy wel gemoet,
Hemelsche Goo’n
Weest van u Boo’n
Vriendelijck al te samen gegroet.

Jupyn. — Wat vreemdigheydt is dit? wie steyghert in mijn Throon.
Dien de Verburghentheydt bekent is vande Goo’n,
Ons nochtans onbekent? Is yemandt van de Reusen
Dien ick met Blixem liet de kop aan stucken kneusen?
Neen, die zijn wel bekent: ist den de Droes? nu spreeckt.

Sat. — Neen Jupiter, hoe wel daar weynich aan ontbreeckt,
S’is anders Droes ghenoegh om Mannen te vertoornen.

Jup. — Wel, wat ontbreeckt haar dan? Sat. — Niet anders als de hoornen,
Die set sy in ’t ghemeen de Mannen op de kop.

Jup. — So ist het dan een Vrouw’. Wel, hoe komt ghy hier op?

Ang. — Met vreught, al singhende. Jup. — Wie leerden u dat singen?

Ang. — Neptunus en Mercur’. Jup. — O watte vreemde dinghen!
Neptunus en Mercur’! Soo hebben sy’t ghebodt
Gantsch klack’loos overtre’en van haren Donder-Godt.
Wel, ick keur haar voortaan met onse Godd’lijckheden
Onwaardigh om den vloer des Hemels te betreden.
Schiltwachten, ick ghebiedt dat ghy naar desen tijdt
Haer komste nimmermeer in onse wooningh lijdt.
Ick ban haar uyt mijn Rijckl; sy blijven voort beneden,
Beklaghende den ramp van hare sotte zeden.
Maar Goden! hoe sal ick’t met dese Vrou an gaan?
Dat sy hier by ons blijft en dunckt my niet gheraan:
Want sy sou ons altijdt met nieuwe twisten quellen.
En d’Hemel dagh op dagh in rep en roeren stellen,
Ja wecken onder ons een doodelijcken haat.

Sat. — ’Tis best dat men haar we’er beneden voeren laat.

Jup. — Dat dunckt my niet gheraan; sy sou dan alles klappen
Wat sy heir had ghesien: want Vrouwen willen snappen,
Besonder als men haar het kakelen verbiedt,
Soo lieten sy luy doch het om haar sterven niet.

Mars. — Wel helptse van een kant! wat staat ghy langh te dromen.

Jup. — Dat waar wel: maar haar tijdt en is noch niet ghekomen.
Vulcanus wat dunckt u daar mede best ghedaan?

Vulc. — Was ick des Hemels-vooght, ick steldens’ in den Maan,
En lietse daar altijdt tot op haar sterf-dagh woonen,
Om aan Endimyon haar mag’re gonst te toonen,
So raackt sy uyt de weegh, en wy sijn onghequelt.

Jup. — Wel, dat sy daat’lijck in de Mane werdt ghestelt:
Neemt ghy daer van de last, en laet ons voort bewaren
Den Hemel, dat ons dat niet meer mach wedervaren.

Den Hemel word opgetrocken.

Vijfde handelingh, vierde uytkomst.

Neptunus, Mercurius.
Mercurius, is’t nu niet wel met ons gemaeckt,
Nu wy, door vrouwen list, uyt d’Hemel zijn geraeckt?

Merc. — Vervloeckte Angeniet! wy moghen wel beklagen
Dat wy u schoonheyd oyt met onse oogen sagen:
Wat wonder ist dat ghy u Kloridon verriedt,
Meyneedige, nu ghy de Goden niet ontsiet?

Nept. — Mercurius, ’t is niet of wy met sware klachten
Uytstorten inde windt den grond van ons ghedachten,
’t Is beter om te sien, met oogen van verstand,
Wat ons op ’t nodighst dient genomen by der hand.
Voor my: ick denck mijn in het water te begeven,
Om daer gerustelijck in eensaemheyd te leven.

Merc. — En ick gedenck mijn te geneeren op de Aerd
Met ruyme koopmanschap, daer mennigh wel van vaerd.

Nept. — Komt, gaen wy dan terstond, ’t is nood’loos lang te dwalen.

Merc. — Eerst moet ick Kloridon ons tegenspoed verhalen.

Gordynen toe, Angenieta word ondertusschen inde Mane gesteld.

Vyfde handelingh, vyfde uytkomst.

Kloridon. — O wat gebeurter oock al vreemde vreemdigheyd!
Mercurius heeft my daer datelijck geseyd
Dan Angenieta, door een loos bedachte logen,
Neptunum en hem beyd so schendigh heeft bedrogen,
Dat sy den Hemel, door die valsche Duyvelin,
Verloren hebben; en sy selven sit daer in.
O groote dubbelheyt der dubbeld-lichte vrouwen!
Wie sal na dese tijd sich op haer eed vertrouwen?
Wqant sy (o schricklijckheyd!) ontsien noch God noch mensch,
Noch eden, noch bedroch, als sy maer tot haer wensch
Daar door gheraken; o Fonteyne van mijn klachten!
Meyn-edigh’ Angeniet vol Duyvelsche ghedachten,
Hoe helder doet ghy mijn dat teghenwoordigh sien!
Maer beyd, ghy sult de straf der Goden niet ontvlien,
Die hebben u een plaats rechtveerdighlijck ghegeven
Die onghestadigh is: want soo is oock u leven,
Te weten, in de Maan: de Maan die ghy bewoond
De ware schildery van u ghedachten toond:
Men siet gheen schepsel door de duyst’re wolcken springhen
Van Son, noch Starren, dat soo vol veranderinghen
Is als de lichte Maan; gheen schepsel op der Aardt
Is oock soo licht als ghy, o Angheniet! ghebaerdt.
Dies woont vry in de Maan, daar sal ick u aanschouwen
Niet minnelijck, maar als een schand-vleck aller Vrouwen:
Niet eerelijck als een die eer heeft in ’t ghemoed,
Maar een die eer en trou verquanselt om het goedt,
En daarom denckt, soo vaack ghy inde Maan komt treden,
Dit is het beeltenis van mijn lichtvaardigheden,
Hier sta ick tot een pronck, hier sta ick als een spot
(Om mijn meyn-edigheydt) ghelijck een lichte sot.
En midler tijdt denckt vry dat sonder schaad’ of schanden
Ghy niet ontkomen sult de gheestighe Verstanden
Door mijn verlies gheterght: En ben ick die ick ben,
Angnieta wacht u voor de wrake van mijn pen,
U trouweloose daad sal ick soo wel beschrijven,
Dat het een stale smaad voor u end’ uw’s sal blijven,
En of ick schoon soo seer ter harten nam dees spijt,
Dat ick daaromme sturf voor mijne rechte tijdt,
Eer dat ick mijn van u volkomen had ghewroken,
Eerdat ick had mijn hart ten vollen uyt ghesproken,
Eer dat ick uwe smaad’ geheel hadt af-ghemaalt
En u meyn-edigheydt aan al de werlt verhaalt:
So denckt daaromme niet dat het sla blijven steken,
Veel minder dat u sal u recht loon ontbreken:
Al ’t menschelijcke gheslacht sou eer zijn sonder spraack,
Eer een bekend Pot sou sterven sonder wraack,
Besonder als de smaad aan sijn persoon bedreven,
Hem had door spijt berooft van ’t aangename leven:
Want dan sal datelijck den een of d’ander Geest,
Die in mijn leven is met mijn bekendt geweest,
(Geterght door het verdriet, dat hy de snackerrijtjes,
Het aangenaam gerijm, de soete boerterijtjes,
Die ick vaack deelden uyt in ruymen overvloet.
En hy nu door mijn doodt geheelijck derven moet)
Op-stijghen, en mijn Spel, daar ick het heb ghelaten,
Ghedreven door een lust, we’er op een nieu aan-vaten
En varen daar mee voort, en schilderen u of
Als ick het docht te doen; en eer het hem aan stof
Ontbrecken sou, sou ick we’er uyt den grave komen
En doen hem inde nacht gantsch ooghen-schijnlijck dromen
Al ’t ghene tusschen u en my oyt is geschiet.
O wacht u dan voor schaed’, siet toe dan Angeniet!
Dan sal hy u ten toon voor al de werelt stellen,
Want ick, ick sal niet eer op-houden hem te quellen,
Ja gunnen hem gheen rust eer dat het is gedaan,
Blijft ghy meyn-edighe soo langh wat inde Maan.

EYNDE.

J. STARTER.

Gonst baard nijdt.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.