G.A. Bredero (1585 - 1618)

ANGENIET

PR∆LUDIUM OFTE VOOR-SPEL.

De Gordynen op-gheschoven zijnde, sitten al de spelende Maats, die dit spel sullen uytvoeren, op het Tonneel stil. De Maaght In Liefd’ Bloeyende spreeckt in volghende wijse de neghen Musen aan.

L Bloy. —

Hoe seer word nu verkleynt de grootheydt van de konst
Die eertijdts Keyseren kon trecken tot haar gonst!
Ha! als ick aan de tijdt, soo langhen tijdt verleden
Aandachtelijck gedenk! hoe zidderen mijn leden!
Want doen, als Maro in het Roomsch Theatrum tradt,
Stondt yder over end; geen Koningh stille sat,
Ja selfs Augustus rees in’t midden van sijn Heeren
Om eerentfestelijck Virgilium te eeren.
Doen wierd de Const gheacht, en een PoŽt gheviert
Met Goddelijkc cieraad van yder een gheciert.
’tOrakel liet men oock tot Delphos in die daghen,
Wie dat de wijste mensch ter Werelt was af vraghen
Het gaf tot antwoordt we’er: De wijste die ick weet
Is ons’ Euripides, die gheestige PoŽt.
Maar nu, o PoŽsy! die elck soo plach te groeten,
Waar is u luyster nu? hoe leght ghy onder voeten!
Bedroefde Musen! maar ick noch bedroefder Maaght!
Wie ist die voor ons eer nu eenigh sorghe draaght?
Eens wat tot groot vermaack en blijdtschap van ons allen
De soete Bredero ons tot een lot ghevallen,
Die door de gaven van sijn hoogh-begaafde gheest
De roem van onse roem is in sijn tijdt gheweest,
Want hy was een PoŽt in ’s moeders lijf gheboren.
Maar ach! dien hebben wy te schielijck nu verloren,
De Doodt en gunden hem die kleynen tijdt noch niet,
Dat hy volmaken mocht sijn spel van Angeniet.
Nu leydt hy vast en waard, en kan niet veylich rusten
Eer hy het heete vuyr gheblust sie van sijn lusten.
Hy sweeft vast om end’ om tot dat hy yemandt vindt
Die sich ’t opmaken van sijn wercken onder-windt
Holla de aarde swelt, de damp begindt te stijghen,
O hier komt Bred’roos gheest: nu Musen laat ons swijghen.

Bred. — Na dat ick langh ghenoech heb om end om ghemaaldt
En yeder een de lust van mijn ghemoedt verhaaldt,
Ben ick by Starte op het alder-laetst gekomen,
Die heeft, ghelijck een Vriendt van mijn, het aan-ghenomen
En ’t eenemaal volvoerdt volkomen na mijn sin,
Soo dat ick groot vermaack en blijdtschap schep daar in.
Nu, In Liefd’ Bloeyende, ben ick we’er op-ghesteghen,
Ghy weet dat ick altijdt was tot u gonst gheneghen
En soo ben ick oock noch: dies lever ick mijn spel
Aan u van Angeniet; Ick bidt vertoont het wel.
En ghy, o Musen! wilt my doch die gonst verleene
(Het is mijn laatste beed) dat ghy uyt Hypocrene
Een handt vol waters neemt, besprenght daar mee ’t ghesicht
Van dese jonghe maats, soo sullen sy mijn dicht
Stracks krijghen in de kop, en datelijck het speelen,
Het welck een groote rust voor mijn ghemoedt sal teelen,
En daar op daal ick we’er, met een ghewis vermoen,
Dat ghy de billickheydt sult van mijn eysch voldoen.

L Bloy. — Thalia hy heeft u, soo langh hy was in’t leven
Een over groote glans door mijn Ghedicht ghegheven,
Beloont dat nu we’erom, ghy hebt u kruyckjen ree,
Steeckt daar u handtjens in, besprenght de maats daar mee.

Thal. — Wat my belanght, ick sal mijn naar sijn wille voeghen,
Besonder als ick u kan door mijn dienst ghenoegen.

Thalia besprengt de Maats, die datelyck na de besprenginge eerbidighlyck op-staan, en binnen gaan.

Nu heb ick haar besprenght met Hypocrenis sop,
Het welck ick selver brocht van Heliconis top,
Soo dat sy na ’t ghebruyck der treftighste PoŽten
Volkomen uyt de vuyst een spel te spelen weten.

L Bloy. — Ick doe mijn hooghelijck bedancken voor de gonst,
Het welck ick wederom met alle vlijt en konst,
Soo langh ick adem heb, sal soecken te beloonen,
Waar ick gheleghentheydt vind om u gonst te toonen
En ondertusschen laat ons binnen gaan, en sien
Van boven, wat bene’en sal van de Maats gheschien.

J. Starter

Gonst baardt Nijdt.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.