ANGENIET

G.A. Bredero (1585 - 1618)


Aen den Lesere.

Beminde Leser, alsoo ick noch bekomen hadde diversche spelen, ende andere gedichten van onsen Amsterdamschen Pot Garbrant Adriaensz. Bredero, die op weynich na door sijn eygen handt volmaeckt waren, heb ick tot mijn groote koste laten volmaken, van soodanigen Pot der welcker stijl best op sijn onvoltoyde werck paste, daer af den vermaerden Pot Jan Startervolrijmt heeft dit teghenwoordigh Angenietjen. Neemt mijn neerstigheydt in danck. Verwacht korts noch den vermackelijcken sin-rijcken Schijnheyligh; mitsgaders het seer geestigh spulletjen op het oudt ghemeyn Liedtjen Het daget uyt den Oosten ende verscheyden andere Rymerijen, welcke gevoeght by sijne Spullen ende andere wercken, by my voor desen ghedruckt, U.E. een volkomen vermaack sullen aanbrenghen.

U. E. Dienst-willige

Cornelis Lodewijcksz. vander Plasse.


Inhoudt.

Kloridon bemindt met ghedurigh minne de wayfelachtighe Angeniet die hem ontboden hebbende, alle eerlijcke vriendtschap bewijst en belooft hem soo wel mondelingh als schriftelijc om lief noch om leet nimmer te verlaten

De Vader Roosen-daal met sijn Huys-vrou bessluyten haar Dochter ten houwelijck te besteden aan Endimyon weduw’naar, dien hy haar seer aan, en d’andere seer af raat. Waar op sy schijnt ghehoor te geven: ende onthaalt haar tweede Vryer, met sonderlinghe minnelijckheyt te spijt van Kloridon, die op het slagh komt, van wie sy gheen werck maackt, waar over hy hem verontwaardight met grooter moeyelijckheyt ende laat haar by den ander, doch seyt haar in’t uytgaan de oorsaack van sijn vertreck.

Endimyon verheught over ’t beginsel van sijn nieuwe liefde, seyt sijn selven toe een gheluckighe uytkomste, vermidts sijn Liefs-moeder hem seer wel en Kloridon haat. Melimpior sijn Vriendt gheeft hem te kennen sijn Ooms doot, waar over hy rouwigh en vervult met bittere spijt een brief schrijft en laat brenghen aan Angniete, die die weygherdt te lesen, met een ’t samen tusschen den brenger en haar. Hy beklaaght hem aan de Goden, die sijn ghebedt verhooren.

Over de klachten der ghetrouwe ende op-rechte Minnaren doet den Koningh Jupiter den grooten Raadt der Goden vergaderen, om sich wijsselijcken te beraat-slaghen, hoemen best een middel sal ramen om voor te komen alssulcken quaat als hy door de lichtvaardigheydt en strafheydt der Vrouwen te ghemoete sach: Hier werden de Vrouwen ghelastert en verantwoordt. Endelingh sluyt den Raat twee Gesanten (te weten Mercurius en Neptunus) nederwaarts te sturen die de oorsaken der dingen souden gaan besichtighen met strengh Verbodt van de Hemel te verliesen en eeuwigh te derven, so sy haar selven of eenige van de Hemelsche verholentheden openbaarden.

Kloridon ten hooghsten vertwijffelt aan de minne van zijn Jouffrou, behelpt hem met een oude Koppelaartster die daar gaande leelijck afgeset en van daar gejaagt werdt, ende keert wederom na Kleridon en vertelt hem hoe zy by Angeniet ghevaren is.

Des anderen daaghs ’s morghens ontmoeten de twee Goden de voorsz. dochter daar sy op met vierige liefden ontstecken sulcx dat sy haar selven verghetende, leeren de krachtighe woorden die haar opwaarts door windt en wolcken, dien sy soo vaardigh naseyt, dat sy ten Hemel stijght, alwaarse de schild-wacht en ’t Goddelijck hoffghesin in rep en roere brenght, die haar ghevanghen en endelingh inde Maan gelaten hebben: waar over de Verspieders balllings des Hemels zijn verklaart so dat Mercurius hem nootsakelijck onder de Koopluy most begheven, en Neptunus hem van spijt in de Zee ghestort heeft, waar van hy noch voor de Vader ghehouden werdt, en den armen Kloridon van sijn Angnieta versteken, siet haar somtijds en dat ter nauwer noodt van verre in de bleecke Maan al waar sy haar woon-plaatse heeft verkoren.

 


PERSONAGIEN

Roosen-daal Angenieten Vader.
Klaremondt Angenieten Moeder.
Angniet De Vrijster.
Kloridon De toot-ghesette Vryer.
Anna Angnieten Nicht.
Endimyon De Vryer.
Melimpior Kloridons vriendt.
Beatrix Een out Besje.

JUPITER.

NEPTUNUS.

PALLAS.

SATURNUS.

MERCURIUS.

MARS.

HERCULES.

VULCANUS.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 november 1997.