G.A. Bredero (1585-1618)

LOF VAN ARMOEDE.

Ghy Gheesten, die niet gaaren rust,
Gheeft doch wat stilt en hoort met lust
Een leeck een wonder spreuck bewysen:
Want ick wil, dat ghy ’t wel verstaat,
De Armoed’, die een yder haat,
Voor goedt en boven Rijckdom prysen.

Want d’ Armoed’ is van outs gheweest
Een op-weckster van kunst en gheest,
Een Dienst-boo van Philosophye,
Een goede gaaf van Godt den Heer,
Een Lief-hebber van Lof en Eer,
Een vyandin der hovaardye.

D’Armoede gheeft steets goeden raadt.
D’Armoede is een seeck’re staat,
D’Armoede is onbesorght en veylich,
D’Armoede is nucht’ren en nut,
D’Armoede oock veel quaats beschut,
D’Armoede maect de Menschen heylich.

D’Armoede let de Helden niet
In staat te styghen, soo men siet
Aen Eumenes Schalck en Schrander:
Dees Voer-mans Soone wel begunst
Quam door gheswindicheyt en Kunst
Aen ’t Swagerschap van Alexander.

En Tamerlaan, die grooten Heldt,
Was eerst een Herder op het Veldt,
Die Bajazeth verwon met stryeen;
Dees al van joncks tot hoocheyt clom,
En keerden Coninckrijcken om,
En brachtse tot syn Heerschappyen.

Virgili den kloecken Poeet
(Die voorst van de Latynen treedt)
Was Soone van een Potte-backer.
Horatius Vader was een Slaaf,
Maer niettemin soo was hy braaf,
Jae groot van Gheest, aardich en wacker.

Den Coninck Cresus machtich Rijck,
Die niemant waanden syns ghelijck,
Quam Solons spreuck eerst in ghedachten
Als hy ghebonden lagh op ’t vier:
Te weten, dat men niemant hier
Voor dat hy sterft sal salich achten.

Want Policraten den Tyran
Waar soo gheluck’ge Rijcke Man,
Dat hy noyt ong’luck heeft ontfangen:
Dees Mensch, die noyt in ramp en viel,
Die liet nocht ’t leven of de Ziel,
Daar ’tlichaem aen een koort bleef hangen.

Het is voor groote Heeren quaat
Te treffen of te houden maat:
Haar vryheyt doet haer schendich doolen,
Den schralen Man soo vaack neit dwaalt,
Vermits ’t aen macht van ghelt hem faalt:
Door Armoet blyft veel quaats verhoolen,

Daer hier den Brasser of den Vraat
Sijn holle Maagh tot swalpen laat,
En ’t eel vernuft in Wijn verspillen,
Daar leeft den Armen heel ghesont,
Sijn oogh en twist niet met de mont,
Sijn rechter hant met slincxsch willen.

De schrufden Laz’rus laf en lam
Quam in den schoot van Abraham,
Al wiert hy eerst so strengh en schamper
Van slempers slaven straf ghedriest:
Wie wellust soect zijn Siel verliest,
Laas! met den prachtighe Slampamper.

De Armen vinden kunst en raat,
Sy schrandriseren vroegh en laat,
Als den paf-sack weydelijck coppert
En smetst en smult en snorckt en slaapt,
Of als hy na syn asem gaapt
Recht als een ruygh ghevoeten Croppert.

Sy hebben lust noch rust in ’t lijf,
Haar hart en hooft dat is al styf,
Haar ooghen bol doen niet dan staaren,
Haar ooren groeyen toe van smeer,
Sy kennen Godt, noch Wet, noch Leer,
Doch Bachus Feest sy vieren gaaren,

Dies sy verbuyst en dorstigh zyn
Na sarpe of na geyle Wijn;
Dees doet verhit na boelen gyllen,
Daar ’t Lichaem licht’lyck van ontfanckt
Veel vuyle sucht, ja leempt of kranckt,
Die ’t met veel sweets weer moet uytquylen.

De Armen zyn hier meest af vry,
Want starcken dranck, noch leckerny
En port haar tot gheen boose lusten,
Want dien syn kost wint in syn sweet,
En cleyn Bier drinct, den droogh broot eet,
Die wenscht niet meer als wel te rusten.

De grootste quelt de grootste schrick,
Want rusten sy een ooghenblick,
Het minste dingh dat steurt haar slaapen:
Sy vreesen voor haar Rijck of Kroon,
Of datmen haar in ’t bedd’ sal do’on
Door list of kracht van snoode Knapen.

Den Armen in syn grauwe Py
Banct onbeschroomt zijn Wat’ren-bry
Tot onderhout van ’t swacke leven.
Men leest seer veel van Prinschen-moort,
Maar niemandt heeft noch oyt ghehoort
Dat eenich Arm Man in vergeven.

De Mensch, die hier int Claag-huys sit,
En Godt met ernst ghestadich bidt,
Is die niet wel duysent maal beter
Als dien int Lachuys vrolijck slempt
En met den Armen scharst en schempt?
Dan vragh ick elck verstandich weter.

En seyt de Schrift niet claar en naact:
Weest nuchteren, ja bidt en waact?
Vergeefs en staat oock niet gheschreven:
Siet dat ghy u niet verbrast,
Noch dat gh’ u ziele niet verlast
Met sorghe van dit nietich leven.

Den Rijckaart licht zyn leven krenct:
Met sorgen leyt hy ’s nachts en denct
Hoe dat hy dit of dat sal winnen:
Want goet en stopt gheen giericheyt,
Maar als den Armen neder leyt,
Soo rust syn Lijf, zyn Ziel en sinnen.

Of als den Rijcken waact en braact,
Op dat gheen Dief met list hem taact
Zyn Huys-raet, Kleed’ren of Juweelen,
Soo leytden Kalis bar gheponst
En ronct soo sorgh’loos dat het gonst:
Daar niet en is, can men niet steelen.

Door Leghers van Moes-koppers quaat
Den Armen Bloet al singend’ gaat
Vry en vranck d’onvaylige straten;
Mar comt een Coopman in het Wout
Met fijn ghesteent en Oosters-gout,
Hy moet het gout en ’t leven laten.

Een Arm Mecht (Rijc van goet verstant)
Acht al de Wer’lt syn Vaderlant,
Al is hy Ballinghslant ghebannen,
Hy Pligimmeert in syn ghemoet,
Acht yder een zijn naasten bloet:
Sijn dat gheen rechte Rijcke Mannen?

Alchemenas Soone grof en groot
Heeft Monster-Dieren fel ghedoodt,
Oock Reusen ruych en snoo Tirannen;
Maar stercker wert met recht gheacht
Die zyn ghemoet neemt in zijn macht
En ’t quaat met reden can uytwannen.

d’Een leeft vernoeght in Cel en Cluys,
Den ander in syn stroyen huys
Is met zijn Armoed’ wel te vreden,
Woont by zyn Vroutge saart en kuys
Met grooter vreucht en cleynder kruys,
Als wylen ons voor-Ouders deden.

Den Schoen-minck, glat en welbeteert,
Wel louter singt en quinckelleert,
Als hy de Kosgie maar mach winnen;
De Coopmans gift had hem ontstelt,
Hy bracht hem weer zyn sorgh’lijc ghelt:
Hoe minder goet, hoe blyer sinnen.

Hoe meerder goet, hoe minder rust,
Dat is den Vroeden wel bewust,
Dies sy niet tydelijcks verkiesen,
Maar houden ’t al voor Eb en vloet,
En, recht alst is, voor anders goet:
Die niet eygent, van niet verliesen.

De Schat, die men met moeyt verwerft,
Met sorgh’ besit, met droefheyt derft,
Doet menich mensch tot quaat bekoren,
Tot dieft, onkuysheyt, twist of nydt:
d’Edele Ziel en duere tydt,
Laas! Minst gheacht, wert meest verlooren.

De Doodt met bitt’re smarte quelt
Den Rijcke die zyn herte stelt
Op der Fortuynen blinde gaven;
Gheen grooter schrick is hun alst graf;
Maar den berooyden naackt en laf,
Dien is de Doodt een soete Haven.

Hoe Salich is den Armen man,
Die sich tot Godt wel gheven can
En wederwaardicheyt can draghen
Met een stantvastich vroom ghemoet,
Die even neemt het suur alst soet:
Wie mach oock so een Mensch beclagen?

D’Armoede is ghewisselijck
Van zonden arm, van deughden Rijck,
Dies is sy alder eeren waardich.
Socrates maact sy vroom en vroet,
Epaminodas strengh van moet,
Homerus kunst-rijck en goet-aardich.

Attalus en Diocletiaan
Sijn willich uyt haar Rijck gegaan
In onghedwongen Arremoede.
De Armen leven onbenijdt,
De Vorsten zijn niet sonder strijdt,
Noch sonder vrees of quaat vermoeden.

Door overromp’len van een stadt
Gheracken somtydts uyt haar Schat
De Burgers rijck en oock d’Edelen,
Die men haer huys en Hof verbrant;
Dies doolens’ over Zee en Sant:
’T zijn al gheen Guyts die gaan beedelen.

De Trotsers die met macht ghebien
Sijn al gheen Deughdelijcke Lien,
Hoewel sy’t veel tyts willen blycken.
De grootste Dief ( ’t is te snoot!)
Verwyst de kleynste vaack ter doot:
Wat oordeel wil daar Godt op strijcken!

Maar die in weelden is ghewent
En ploft, bedooven in ellent,
Laas! met veel broodeloose buycken,
En zyn Ellende morrend’ draaght,
En over Godt en Mensche klaaght,
Die can syn Armoed’ ooc mis-bruycken,

De dinghen, die men sichtbaar siet,
En zyn voor seecker anders niet
Alsmense neemt of can verhand’len:
De reynen zyjn alle reyn,
De Sotten doen sy int ghemeyn
Op slim on-weghen wand’len.

De Armen vinden troost aen Godt,
Als haar de Werelt schots bespot
Verachtet als onnutte slaven:
Ghy Vroomen weest doch niet bedroeft
Als u de Heer door Armoedt proeft:
De goede Godt gheeft goede gaven.

Godt maact ons Arm na den Gheest,
Op dat ons honghert aldermeest
Na ’t Hemels broot (de Spijs der Zielen).
Sijn levend’ Salich-makend’ Woort
Soo wy dat nutten als ’t behoort,
Hy sal zyn Rijck ond mede-dielen.

Dat worde waer.

So wie met smaack dit hoort of leest,
Of die het lust hier op te schryven,
Sijt ghy begaaft met hooger gheest,
En laatet inde Pen niet blyven,
Maar toont u leerlijck Rijm of Dicht
Voor elckerlijck verstandelaar:
De Kaers bestolpt en gheeft gheen licht
Als op den vryen Kandelaer,
Ghelijck de Son voor elck wandelaar.

Anno 1614, Den vierden Januarij.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 januari 1998.