G.A. Brederode (1585 -1615)

Spaanschen Brabander Jerolimo

DERDE DEEL.

EERSTE UYTKOMEN.

Robbe. —
Men seydt: Die wel drinckt, slaapt wel, en die wel slaapt, en doet gheen sonden.
En die geen sonden doet, die wort sluytelick salich gevonden;
Maer ick heb wel geslapen, en eens ghenoech gebanckt.
Dan ick heb mijn gelucksalicheyt noyt noch seer bedanckt.
Wat loopt een mensch op aarde verscheyden avontueren!
Wat moetmen al kommerkans en ongemacks besueren!
Weet dit niemand niet? Die vraechtet, die vraechtet mijn,
Die alleen weet en proeft wat wy onderworpen zijn,
Door de versochtheyt vande ramp by my gheleden,
Van hongher en van dorst, en meer elendicheden,
Van swerven gints en weer by vyant en by vrient
Wat sonderlingher volck so heb ick oock ghedient?
Wat meester dat ick kreegh, hy was suynich en spaarich,
En d’een was altijdt meer als d’ander vreck en kaarich,
En nu heb icker een die geeft men spijs noch broot,
Maer die ick self de kost te gheven ben van noot;
Nochtans heb ic hem lief, want siet, daar staat geschreven:
De geen die niet en heeft, die kan oock niemant geven,
En of ick schoon ghebreck op ’t alderhoochste lee,
So had ick steets met hem noch medelijden mee.
Daar is den armen bloet stracx in zijn hempt gheloopen
Hier achter op ’t ghemack. Ick moet zijn buyl eens stroopen,
En snoff’en die eens deur, so raeck ick uyt ’t vermoen.
Holla, ick most in zijn broeck eens gauw huyssoeckingh doen!
Nu in zijn wambesje, en nu eens in zijn mouwen.
Gants doot! ick heb de beurs, zy heeft wel duysent vouwen,
Dits niet, niet, niet, niet, niet, niet, niet, nichil is hier meest;
Het schijnt datter geen gelt in lang in is gheweest.
Och, dits een armen droes! Voorwaer, hy is rechtvaerdich
Om zijn armoede mijn meedoogenheyt wel waerdich,
Maer ick haat wel met recht mijn blinde gierighe Miester,
En die ongheluckighe en nauw ghesette Priester.
Den een die kreegh de winst van mijn gheleerde tongh,
En lieten my dar toe van scharpen hongher sterven.
Ick sal, dat kenne Godt, gheen Hof-joncker sien swerven,
Of ick sal dencken: stracx, wanneer hy mijn ontmoet,
Het gaat de kalis alst mijn arme meester doet,
Die ick doch liever dien met zijn behoefticheden
Als d’andere, en dat om mijn voorgaande reden.
Maer een dingh wild’ ick wel: dat hy kende zijn staat,
En dat hy niet en gingh so trotsch ghelijck hy gaat.
Dan ’t schijnt wel: ’t is een wet die stip wert onderhouwen
By het Brabantsche volck, so mannen oock als vrouwen.
Al dat verloopen goet zijn al joffers en monseurs,
Al hebben sy, als ick, gheen pennin inde beurs.
De Heer die wilt versien, eer sy ons oock verderven;
Of sy sullen, so ’k vrees, noch in die sonden sterven.
Nu ick wil binnen gaen, eer dat hier komt mijn heer,
En vrouwen daer de beurs in duysent ployen weer.

DERDE BEDRIJF.

TWEEDE UYTKOMEN.

Jan, Andries en Harmen.

Jan Knol. — Bon’s jours, wat roester? Wat nieuws, Andries en Harmen?

Andries. — ’t Gaet so wat heen, maer niet alst hoort, het landt is vol allarmen;
De een wil ons hier, en d’ander daer op ’t lijf, o dit is quaat werck;
Daer toe inlandtsche twist, en scheuringh van de kerck.
Als de kickvors ende muys dus t’samen hassebassen,
So mocht de kuyckendief wel schielijck haar verrassen.

Harmen. — De saacken vande werelt die gaan wat wispeltuur.

Jan Knol. — Wat schaat dat, Harmen, voor u? ’t Gelt u de waghen-huur.
Jy bint van Twent en Drent op een stroowis komen dryven.

Harmen. — Maar dat is niemendal, ick ben so goet als jy met u vyven;
Ick heb hier meer ghebrocht als juy, verstaje dat, Jan?
Ghy quaamter met u kaale gat, en ick hadt mijn klieren an.

Andries. — Dats waar, al wel betaelt, wil jy met de vreemde gecken,
Dat sou ick en sommighe mijn wel dapper antrecken.
O lieve Jan, hadden wy ’t, en een ander, niet gedaan,
Het sou hier moghelijck nerghens na so wel niet gaan.

Jan Knol. — So qualijck niet, seght so, want met de waar van buyten
So kreghen wy int landt veel afgherechte guyten,
Want dat ons is ghebrocht, of datter is gehaalt,
Dat is, Godt betert, hier te kostelijck betaalt:
D’ouwde eenvoudicheyt, daer wy soo veel van spreecken,
Quam door het nieuw’ bedroch wel haest den hals te breecken.
Waer is nu dat gheloof en die Hollandtsche trouw?
Die is so ver van honck voor diese soecken souw.
Doen was een woort een woort, nu moetmen listich schrijven,
In dien men wil bewaart voor losse lidsers blyven.

Andries. — Wie brocht hier de neeringh en koophandel als wy?

Jan Knol. — Wie brocht hier de valscheyt en boevery als ghy?

Harmen. — Wie brocht hier de scherpheyt in u onbeslepen sinnen?

Jan Knol. — Wie brocht hier de boosheyt om onse deucht te winnen?
Wanneer ick dit gedenck in waarheyt, soo dunckt mijn
Dat wy noch verre an de quaatste koop noch zijn.
En wat wissel dat wy met vreemdelinghen sluyten,
Soo weten sy altijdt de burghers wel te snuyten.

Harmen. — Het spul dat heet: siet toe, maar alsment wel besiet,
De Hollanders en zijn op ver de beste niet.

Andries. — Het moet al duyster zijn daar dat volckje sal dwalen.
Gants lichters, dat ick mocht, ick souwje wat verhalen!

Jan Knol. — Andries praat soo gaarn van alle menschen quaat.

Andries. — En om een loghen, Jan, soo weetje lydich raat.

Harmen. — Wel ick bedingh dat wy onder ons drien spreken
Eerbare woorden, en van allemans ghebreken,
Doch of ick wat vertrock, niemant en treckt hem an,
Maar lacht en denckt: hy mient voor my een ander man. <--- Tot het publiek.

Jan Knol. — Wel, sullen wy dan quaat van al de luy versinnen,
Soo isser best dat wy van ons selven eerst beginnen.

Harmen. — Dats waer, dats recht, maar Jan, ’t is yegelijck bekent,
Dat ghy een snuyver en een groote dronckert bent.

Jan Knol. — Dat lieghje niet, Harmen, maar ick en smijt gheen vrouwen;
Men weet wel wat voor huys dat ghy hier plecht te houwen,
En is hier een hijlick te roffen in de stadt,
Daar heb ghy, Andreis, het makelgelt of gehadt,
En wasser een banckeroet, dat wist ghy juyst te maken,
Maar daerom hiet ghy oock de voorspraack van qua saken.

Andries. — Also; laat ommegaan, soo krijcht mijn vaar oock wat.
Hoe langh ist wel gheleen dat ghy de pocken hadt?
Dats nou al eveliens, doen ghy soo slinger-biende?

Harmen. — Met die kaats ist achtien! Elck bidt hier voor zijn vrienden!
Waar bleef het kleyne kijnt van u suster de non,
Die by nacht so fijntjes by heeroom lopen kon?

Jan Knol. — Verklaart hier een, Harmen, voor dese goede mannen,
Waarom datje bent te Ditmars uytghebannen;
Dat was niet om u deucht? Harm. — Holla Jan, dat is te hooch!
Hoe na mienje, begut, dat ick dan niet en dooch?
Neen, bylo, praat soo niet, want ick ben vanden vroomen

Andries. — Vroomen? Ghy slacht de stronckt, ghy benter af ghekomen.
O lieve man, men kan jou wel, en jou gheslacht!
Wie isser toch die jou, of die de jouwen acht?

Harmen. — Ja, acht oft niet gheacht, daer leyt niet an bedreven;
Mocht ick met elcken kint een tonne gouts maar gheven,
Ick wed dat ick eer langh oock op het kussen sat,
En dat de best van al my om mijn dochter badt.
Men weet het hedendaachs soo abel te besteken;
Elck soeckt de slechte luy soo deeg’lijck te bespreken!
En al waren d’Amsterdammers niemendal graagh,
Soo souwer wel een Zeeuw, of een van ’s Graven-haagh,
Hoe wel dat sy niet veel vande Koeckeeters houwen,
Alsoo een macke moer minnelijck garen trouwen,
Alsser maar gelt en was; ’t is nu een ander tijdt:
Al waar ick Turck of Jood, ick worde wel ghevrijdt.

Jan Knol. — Ghy secht de waarheydt, maer men macht somtijdts niet segghen,
Want daar is een volckje die wetent so uyt te leggen,
Dattet sondt en schandt is; ick hebbet self besocht
Aan dingen die ick van mijn leven niet en docht;
Lijdt en mijdt, swygen best, soo hoeftmen niet te sorgen.

Harmen. — Segt ons, Andries, wat nieuws hebben wy van den morgen?
Wat isser ommegaen, gisteren of te nacht?
Isser neiamnt gevangen of verkracht?
Geroesmoest, ghequetst, geranckoolt, noch glasen uytgesmeten?
Ghy bent een man die alle dingh eerst pleecht te weten.
Ghy bent des morgens vroech voor dach al op de brugh;
Daar neem jy de tijngjes uyt de nest eer sy zijn vlugh.

Andries. — Maer, Jan, ick heb ghehoort en oock van daagh vernomen,
Datter goet excellent Engels bier is ghekomen;
En gister avont laet isser een jonge meyt
Op de Haerlemmerdijck van een knoet neereleyt.

Jan Knol. — Knoet? Van een Westfaeling, zoo heb ick hooren spreken.

Andries. — O bloedt, krijcht hem de schouwt, dat wil hem suur opbreken.

Harmen. — Al kreegh schouwt hem al, hy maackten dat wel of.

Andries. — Het Hof Provinciaal krijght selden daar yet of.

Andries. — Een meyt neegheleyt? Foey! dat hoorden ick noyt segghen.
De droes, wat schelm is dat? Een meyt neer te legghen!

Harmen. — O lieve Andries-Oom, dat ghesciet nu soo veul.

Jan Knol. — ’t Is ghebeurt van een hals-heer van Haarlem, de beul,
Schoppen Jen-oogh; op een rat moet hy rusten.

Andries. — Of aan een diefsche gallich, na zijn eyghen lusten.
Melis Mal-mongt het gisteren een koontje ehadt.
En ongse Jan die kreegh het luyer an zijn gat.
Dirck het Elsje sulcke ontyghe stucken verweten,
Ick segje dat een hongt en souwer niet of eten;
En sy sprack hem weer toe, aars noch aars ofs’em vong.
Dat wijf het de nicker of zijn speulnoot in heur tong.
Joost Dircksz. is van daagh na Vlaand’ren ghevaren,
En zijn buyr-vryer Klaas die sal zijn wijf bewaren,
En sluyten het voorhuys te deghen na sijn sin,
So komter niemandt vreemts by nacht of onty in.
O ’t is een veersient manl hy weet dat wel van buyten,
Datter niemandt in en mach als Klaas de poort wil sluyten!
Och, de voorsichticheyt is wel een groote deucht;
Sulcken wijsheydt was hy al in zijn jonghe jeucht.
Warenar het zijn pleyt en ’t groote recht verlooren.
En met Gran Marchand daer staetet qualijck gheschoren.
En Hillebrant Droochnap die het een sulvere schaal
Van dese nacht versoent an Elsjen en Pruys-ael.
Dorst’ghe Dirckje die wil zijn ghelt niet verspeulen,
Maar wel verquans’lenhier aan een malle meulen.
Dat kleyne mannetgen dat op d’excusy loopt,
En de plockjes haalt op d’erf-goet datmen verkoopt,
Bleef gister-avont an een groot huys hanghen.
En Jan de Pypestelder is vande ratel-wacht ghevanghen,
En Harmen de Raser is van kranck-hooft ghequetst.
En ons aller Hans Jongh is verlooft an een ouwe best.
En Broer Karnelis is getrout an een Waterlantse tuytmeyt,
Maer sy wil hem niet, nu sy hoort dat hy zijn ayeren uyt-leyt.

Jan Knol. — Andries, jy weter of, waar haaljet al van daan?
Ick loof niet of ghy moet onder en boven d’aarde gaan.

Harmen. — Wel, wat hoor ick daar? Wel, wat wil dit wesen?

Andries. — Het is de ste-klock wis, men salder wat of-lesen.

Robbeknol met een heel deel jacht van volck

Het volck loopt na den Dam; wel, wat of dat beduydt?
Daer sal justicy schien, want de ste-klock die luyt;
Daar moet ick me na toe, en siense wat of-smeeren,
Maar ofmense kastijt, selden sy haer bekeeren.
De kussens raken uyt; daar is men heer de schouwt
Met de secretaris; siet dat jy de mont wat houwt.


Alsoo myne E.E. Heeren vanden gerechte der stede Amstelredam: aanziende het groot bedroch en toeloop der stercke luye ledichgangerren, vagebonden, onnutte bedelaren en menigte der vreemde armen, waer onder sich ooc verschuyen en behelpen verspieders, nacht-roovers ende dieven, om welcker verraet, dief-stal ende plondering, als ooc de godloosheden van tuysschen, spelen, vechten, droncke drincken ende hoerdom te vermyden, mitsgaders de weynig vooraets van kooren, en d’apparency van dien, en de dierte die consequentelijc vallen moet, tot groote beswaarnisse der gemeynte, ende tot verkortinge van onse eygen rechte behoeftighe: so ist, dat myne E.E. voornoemde Heeren hebben geordonneert en gestatueert, als sy ordonneren en statueren expresselijc by desen, dat nu voortaan geene bedelaars, lantloopers, bayert-boeven, troggel-sacken, huyckevaken, ’t sy out ofte jong, blint, kreupel, manck, melaats, ofte anders, en sullen moghen ommegaan, omme de aalmossen te vergaderen, op marcten, bruggen, voor kercken, poorten, hoecke van straten; maar dadelik te vertrecken, op peene van openbaarlick geschavotteert en strengelick gegeeselt te werden, Ghebieden oock myne E.E. Heeren dat niemant hem vervordere de Sergianten, Provoosten, en opsienders, die tot sulcken eynde sullen verkoren worden, eenighe molesten, ghewelt ofte verhinderinghe te doen in ’t executeren en ’t apprenderen der moetwillighe luye boeven en leechloopers, op peene als boven. Voorts dat alle rechte armen sullen gehouden wesen haar namen, staet en woonplaetse aen te gheven aende vaders, daer toe gestelt om de waerheydt daer van te vernemen, ende des noodt zijnde bequamelijck inne te versien. Aldus gedaen by de raden deser stede. Actum den 18. Meert. Presentibus mijn heer de schout, ende al de schepenen.

BREDEROOD


Andries, Jan, Harmen.

Andries. — Wat dunckje daar of, Jan? Is dat niet wel bedocht?

Jan Knol. — Daer is in langhen tijdt gheen beter werck ghewrocht.

Harmen. — Ja, hoe wel datmen doet, noch salt yemant berespen.

Andries. — Ja wien? Een deel ghespuys van fielen, schudden, wespen,
Of ander gorlegoy van onschamel gheboeft?

Harmen. — Neen, van eerelijcke lien die d’arremoed’ bedroeft.

Jan Knol. — Te beter ist voor haer die hier rampsalich leven,
Indien sy haar ghebreck en commer maer angheven:
Men salder in versien; ’t is goedt na mijn verstandt;
So bantmen voegelijckst de schelmen uyt het landt.

Andries. — Als men den armen dus sou over al versenden,
Werwaerts so souden sy int leste dan be-enden?

Jan Knol. — Daar laet ick heur voorsien; hoe spreeckt ghy heur so veur;
Hoe na vreesje dat ghy oock stracx sult moeten deur?
De luy die worden moe van dus en so veel ghevens;
Sy verluyen daer op, die Jottoon en kromstevens;
Sy zijn de oorsaeck van der rechter armen noot,
Die treurichlijck verkoopt sijn schaemt om dat drooch broot
En onder alle die de huyssitten hier spysen,
En suldy gheen twintich burghers kinderen wysen.
Haar hart is haar te groot. Maer moffen, poep en knoet,
Dat zijn troggelaars, tot bedelen opghevoet;
Dat bewijst de Rietvinck, en noch de Ouwe Wael uyt;
Maer die Haarlemmer-dijck, o bloedt! die levert ael uyt:
Wat woont daer een ghesnor van volck van wijt en sijt;
Daar is nauwlijcx een dach datmer niet vecht en smijt.
Wat comter vrydaachs en gherit ter poort indringhen,
Van revelduytsche en van vreemde hommelingen.
Al ghesonde wyven, met besieckte doecken om,
By hiele vaendels vol, doch met een stille trom,
De Nieuwendijck langhes, en voort door alle straten.
Het volck is hier goedt gheefs, ’t blijckt an haer karitaten;
Elck werpts zijn aalmoes wech, want is het niet van ’t mal
Datmen lieden gheeft die ’t verkaetsen met de bal,
Sundaachs ’s morghens voor de poort, of daer yewers buyten?
Of verdobb’len met rabouwen en met guyten?
Of ver-evenhoutent, of hutselen met mekaar?
Of int kuyltje, of opschieten, of lechtmese daar?
Wat voordeel doet haer ’t gelt? Niet, al zijnt kop’re duyten,
Men sieter bloetstortingh en doodtslaghen uytspruyten,
Ja moort en dievery. En wordense ghevat
Van schouten, dienders of soldaten vande stadt,
En raken sy int gat, so sullen de vis-wyven
Dit eerloose volck noch voorsprecken en voorschryven;
Of ’t recht dat wort door ’t geldt gheblintdoeckt en verdreyt,
Door den yver van haar sotte barmherticheyt;
En noch en machmen niet op dit misbruick eens schempen,
Noch schrollen op die gheen die ’t geldt onnut verslempen,
En laten wijf en kint in commer en in rouw,
Daer men het vlytich voor den noot bewaren souw.
O, kon den Overtoom of de Kathuysers spreken,
Of Sloterdijck, wat souwer een bommel uyt-breken.

Andries. — De arrebeyers en de draaghers ande straat,
Dat is een volckjen dat haer op den dronck verstaat.
Wat dunckje, byget Jan, en zijnt gheen leckre boeven,
Die niet van waar ’t bier is, maer van wat merck is konnen proeven?

Harmen. — Sy benaerstighen steets de middelen van ’t landt.

Andries. — Sy benaarstighen steets haar eyghen sond en schandt;
Sy misbruycken den dranck en oock de goede suyvel;
Sy vorderen het landt, hoe? Sy vorderen de duyvel;
Sy helpen de Schoyer en Sluycker wel an ghelt,
Maer dat baat het landt noch pachters niet een spelt.
Wat boeren datter zijn, worden sy medestander:
Den eene fiel die zal ’t dan stelen van den ander.
Maar dese brouwers, of de ghene die ’t beschoyt,
Of die het sluycken ’s nachts, sy blyven noch beroyt.
Behalven de koopluy die eerlijck willen schynen,
Die kelders verhuuren an Frans en Rijnsche wynen
En halen door een deur somtijts een vaatjen wijns,
En stelen jaar op jaar also den heer het sijns.
So daer de magistraat niet beter op wil letten,
So sullen sy het landt dapper ten achter setten.
Daar zijn wijnkoopers die oock setten een ghelach,
En draghen stoutelijck een heele nacht en dach;
En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,
Sy souwen in so kort gheen groote huysen bouwen.
De vromen kijcken toe, en sien dit an met leet:
haar neringh werdt verkort, ghelijckmen siet en weet.
Waerachtich, ’t is al laat, ick wil nu t’huis gaan eten.

Harmen. — Ick heb oock etens lust, want ick heb niet ontbeten.

Robbeknol. — O bloet! Nu machmen sien de vasten van ons huys,
En d’inwoonders zijn soo stil, soo stil als een muys;
Wy spreken niet een woort, soo seer sijn wy bedroeft;
Niemant weet vandenoot, dan diese treurich proeft.
Wat raat gaat mijn doch an? Och, ick van niet versinnen
Waar mede dat ick best de schaam’le kost mach winnen.
Maar noch ben ick zoo seer beladen niet met mijn,
Als ick nu met mijn heer bewoghen wel moet zijn.
Waar sal hy, armen man, van nu voortan of leven?
Hy heeft noch gelt noch panckt, en niemant sal hem gheven.
Maar ’k weet niet wat hy eet, noch ick kan niet bedencken,
By wie dat hy mach gaan, die hem het noenmael schencken.
Of leeft hy by de wint, ghelijck het kameljoen?
En nietemin, alsmen hem siet komen op de noen,
Soo steeckt hy op zijn hooft soo rustich over emden,
Ghelijck een wackre wint van schoone swacke lenden.
Robbert, nu is het tijdt dat ghy middel versiert;
Gheen beter als mijn ampt dat ick jongh heb gheliert.
Ick wil mijn evenjely gaan halen uyt de hoecken,
En gaene by de buurt mijn broot met eerren soecken.

Trijn Snaps, Els Kals, Jut Jans(Spinsters)

Trijn. — Dat roert jou niet, hoortje dat wel? Jan Kurckevaar,
Jou wijf mach een hoer wesen, of jou dochter, of jou snaar!
Loop heen, ghy hoere-dop, jy gatvinck, by jou wortel-teef.
Ghy hebt groot gheluck, malle pis-dief, dat ickje back-huys niet an mortel wreef.
Ick ben een vrouw met eeren, en so goet as jy of mijns ghelijck.
Wat rijtmen dese rekel! De duyvel dienje, binje rijck.
Is mijn man een veughel? Jy selt jou mont beteughelen.
Komter uyt, hebjet hart, jy schrobber, ick selje lieren veughelen!
Jy sult niemandt veughel hieten, Jan hanghgat, verstaje dat,
Of blaest hem ierst een pont veren...de rest in ’t sout-vat.
Ick seght noch eens, op mijn burgherschap: jy selt niemandt veughel heten,
Of jy sult ierst, walbarcken aensicht, van zijn eyeren etten.
So siet. Ick sel jou dat veughelen nock kornen uyt je gat,
Isser, by gans wongden, anders maer recht inde stadt.
Komt en reys voor den dach, hontsklinck! komt eens uyt de koocken;
Al het mijn man in zijn jeucht en reys een huys oppe broocken,
Wat schaat dat? Dat schaat niet, al even goet vrient.
Al is hy en reys egiesselt en ebrantmerckt, hy haddet verdient.
Ick weet het also wel als jy, dat ick jong voor hoer liep;
Al was ick jong, ick was so wijs dat ick een om mijn moer riep;
Ick was om mijn veertien jaer al mans ghenoech voor een man,
En of ick niet deugen wil, wat, hondert guldelingen, gatet jou an?

Els. — Nou Trijntje, nou, nou, ’t is hoogh ghenoech, ’t is lang enoch ghekeven;
Het hy watte seyt, ’t is hem leet, men moet vergheten en vergheven.
Hy is best die best doet, weetje nt? Een hoer is een vrouwe naam:
Die ’t niet en is, en trecktet hem niet aan. Trijn. — Ast is, mijn faam!
Mijn eer! mijn eer! mijn eer! mijn eer! die sal hy my verbeteren,
Of ick sel hem, sie daer, met dat mes na zijn gat verteren,
En of in de stadt van Hooren mijn ooren staan an de kaack,
En offer mijn vaar ghehanghen is, is dat so grooten saack?
Daar hangt so menighen vroomen man, daer leyt niet an bedreven,
Hy brocht hem, God-dack, noch selver niet om ’t leven,
Als sommighe luy. Wat gafjer wel om, waer ghy
Noch met rabraken en met verbranden vry?

Jut. — Maar Trijntje, wat kal is dit? Wat soumen doch so kijven?
Hetty watte seyt en watte daen, ’t sal an hem selfs beklijven;
Wees ghy de quaatste niet, nou stil, weest stil, mijn moer.

Trijn. — Wel, wat duyvel het hy te seggen van mijn jongste broer?
Al staat hy na ’t Beulschop, hy doetet met God en met eeren;
Mach hy alsoo wel als een aar niet een request presenteren?
Hy is een Burgers kijnt. Maer ’t hof gaater soo wat me deur:
D’eene vreemdelingh of d’ander, die gaat altoos veur;
Draaght hy hem wel, het Dief-leyer-schop dat sellense hem wel beschicken,
Maar hy moet eerst een neerlaagh, of een maant vijf ses verklicken.
Men komter so niet an, lieve moer, op en stel en op en sprongh,
Of men moet vry wat voorloops hebben van ouwt en jongh.
Men mach segghen watmen wil, kijnt, het is een eerlijck officy,
Het is een diender van Godt en de heylighe justicy;
’t Is een smeerich ambacht; waren sy wat goet spaars,
Sy mochtender hondert pont groot op verteeren ’s jaars.

Els. — Ja seecker, dats geen kleyne maater; isser sooveel me te winnen?
Soo gheeftet me wongder, datter gheen meerder dief-leyers sinnen.

Trijn. — Wat doeje, spinje wat? Dat is seker hiel goed vlas,
’t Is een garentje als een sijt. Wel trouwen, sy spint wel ras.
Waar haalje de streentjes, op de Nieuwendijck of in de Halsteegh?
Of op de Luysemarckt, en op de Burgh-wal, daar ist al leegh;
Wat geefjet pont? Waar brengjet? Of heb ick jou huysen?
Ick heb hier wat werck te heeckelen en te pluysen;
Heer, ick kent so moytjes doen, also wel als onse Hilletjebuur,
Al seggen de luy datset puyckje, en ’t ammeraaltje is van de buurt.
As ick begin, so heb ick noch niette daan, dat soumen seggen;
De heeckelsters vande Varckemerct mogender heur broeck by leggen.
Ick ben al mier asje mient, ick slacht Jan Bruynen neus.
Jutje Jans, met oorlof, wat sinje: Benist, Papist, Arminiaens of Geus?
Wat isser nu al te doen, niet waar! Met gheloofs saken!
Dat het an ons drien stong, wy souden dat hylick wel maken.
Wat noch prijs ick mijn? Ick spreeck wel een haastich woort,
Maar daar me ist ghedaen. Och moer, ick weet hoet hoort!

Jut. — Elsje kaacks, datt’ an ons stondt, wat dunckje, souwt dan beter wesen?
Swijght, swijght om Godts wil, kijnt, heeren boecken zijn quaat om lesen;
Och dat is ons dingen niet, laten wy ons moeyen met onse werck.
Elsjen Kals, hebje nou een lootjen van de ouwe of niewe kerck?
d’Alemosseniers dielense ’s weecx wat uyt voor de arme luytjes;
De luy werpen nou so niet over, sy bestellent nou met duytjes,
Die wel eer guldens gaven; doe ginge de vaars grof.
Trouwen, ’t is nou een duere tijdt, ’t macher nou so niet of.
Kijck, alle dingh is duur, maar Anne Klaas in de Drie teste
Die doet veel goedt, God loontser, hier ande vesten;
Ghy wetet niet, hoe veel boogjes datse ’s jaers wel huurt,
En daarse all sondags warmis, kool, erreten en boonen stuurt,
En stockvis, en bry, och s’is soo goet arms, jen hebtje leven;
Datse selfs een rogghenbroot was, ick loof niet, of sy souwer self wech gheven;
’t Is, ’t is dat ickje niet seggen en kan, ’t is te goethartighe wijf;
Sy souw verseepertjes huer hert wel duwen uyt huer lijf,
En gheven ’t an een aar. Stuurdese daar gistren niet so veel laken
Datter Lobberich, Dibberich en Gerberich een roc of souwen maken.
Sy haalden eensdaags een groot linneweb uyt het middelste bom.
Wat gingse doen? Maer, sy dielden daart noot was rustich om.

Els. — Ja sulcken ien ken icker oock, ik moeter deucht of spreken.
Och, hoe dickwils het sy wel in mijn spynt en tresoor ekeken.
Offer oock yet ghebrack, of watter was van noot;
Daar kreegh ick noch flusjes een pot met botter, en een broot,
Met een sle met turf, en een mant met spaenders, en vyven-twintich eecken houten,
Met een kinnetje harings, en met lustich en wel ghesouten
Aal en labberdaan, en se het mijn kyeren gnapjes ekliedt en eriet,
En sy stuurtse int groot school, ’t is van sen leven niet eschiet.

De lesende Robbeknol, Els Kals, Trijn Snaps, Jut Jans.

Robbeknol. — Uyt ist, siet daer blijf ick, buur-wijfje, siet daer by dat titteltje.

Trijn. —; Maar hoe reyn is dit ooc! Komt, me vaar, leestmen noch een kapitteltje.
Jesus, Marye, maar kyeren, God segen ons, is dat Gods woort?
Ja wel heer, ick wort schier aars, ick hebt mijn leven niet ehoort,
Ic ken niet een A voor een B, mijn ouwers lietent my noyt lieren,
Hope moy leest die knecht, hoe keunent de menschen versieren?
Houw daer, mijn vaar, ay lieve, leest dan noch iens
Een evangelye uyt de schrift, je weet wel, dats nou alliens.
Ick ben me Rooms-Katelijck, en ick gae wel inde preecken;
Maar wat ist? Hier eseyt: ick macher mijn hooft niet me breken,
Of daar een paap staat en praat int Latijn, en haaltet wel so vart;
Ick laat mijn noch staan, maar dat hyer selver in verwart...
Men hoort ons slecht en recht en eenvoudich te leeren;
Wat weet ick, of mijns ghelijck, van ’t aalwaarich disputeren?

Els. — Nou, mijn ridder van ’t sint Joris, nou, mijn vryer, assen man,
Leest nou een reys van dat heyligje, moytjes van vooren an.

Robbeknol leest.

Jutje. — Maar woondje daar, men vaar? Heer, je keunt, je hebt wel annenomen!
Mijn koningh, jy moet wat dickwils en wat mier ankomen;
Ghy komt al te luttel uyt, ’t is niemendal, hoorje dat wel?
Siet, dat geef ickje, nou, neemtet vry wat, dats ien gesel!
Jy bint ien man als speck en speck is so goet als gelt; altijt als jy komt lesen,
So sel ons eten so wel voor jou, als voor ons selven wesen.

Robbe. —
Ick bedanckje, buur-wijfjes; onse lieven Heer is het loon,
Die so veel menschen spijsden met vijf garsten broon.

Trijn. — Gaet heen, mijn engeltje, mijn snobbeltje, och! hy is so soet;
Dat jou onse lieven Heer inden hemel halen moet;
Komt altoos an, al wast een kaars in nacht. Dat waren woorden!
Wat dochtje, Jutje, wast anders ofje een propheet hoorde?
Ay, komt me binnen, en praat wat, ich keb so moyen vier.

Els. — Wel an, ick koomje by. Jut. — Al waar ick doot, so bleef ick doch niet hier.

Jerolimo, Robbeknol.

Jerolimo. — Moor hoe voriabel en sunderling, dat ’s avontuurs beloop is!
En weet niemant van ouwlien, goeliens, of Amsterdam te koop is?
Ick wilt betoolen niet op termijnen, maer met argent kontant.
Puf koopliens, puf mannekens, ick ben de grootste van ’t lant.
En waren de stooten niet ge´pescheert met facieuse soken,
Ick sood versoecken de Haarlemmer-meer drooch te moken,
Op myne kosten, ick sood doen, ock joock, och Jesus joock! Ba ’t Jan,
d’Hollandsche botmuylen sioen sr. Jerolimo voor een slechthoot an.
Ja wel, kijckt iens, en wordy niet sot? Waar ic te Brussel gebleven,
De grave van Egmont had my zijn zuster of zijn nicht wel gegeven,
En noch paasen dese Ollandtsche moeyers van Amsterdam,
Dat ick kick om hoor schoon ensicht uyt Brabant quam.
Ba, schaamt ou, gay kladdekens, en moockt daer af geen mency,
Of’k en doe ou van mayn laeven gheen honeur noch revernct,
En weest danckboor aan Jerolimo, die hem so loogh vernert,
Dat hy uwe stadt door de grandese van sijn presency eert.
Ke vuyltjens, ke ne ke ne gheen lust tot houwen,
Al mocht ick de princes, de koninghs dochter, trouwen.

Robbe. —
Ghy hadt al groot gheluck, hadje noch een beerstekers wijf;
Ja wel, dat mal sier deed, jy hoefde een playster over je hiele lijf.

Jero. —
Moor Robbeknol, sie door, ons Heer doet buyten mayn hopen
Zayn goeyertieren handt altans mildelijck open.
Goot henen op de mert, koopt vlees, broot en fruyt,
So steken wy de rijckeliens en de duyvel het oogh eens uyt;
En dat meer is: so wil ick dagge ou sult verblyven,
Want ick he van daach een ander huys ghehuert veer besyen;
Ick blijf hier langher niet in dit ghesworen nest
Als dese loopende moont, en saterdach is de lest.
Vervloeckt soo moet hy zijn die ’t hout daer toe bereyde,
Of die de eerste steen op desen gront in kalck leyde,
Want tot mijn ongheluck so quam ick in dit huys,
’t Welck is ghedistineert tot mysserie en tot kruys;
By gort, van d’uur dat icker quam, dat moe gay weten,
En proefden ick noyt een dronck wijns, noch ’k heven gheen mondt vol vlees gheten.
Noch ’ken ha noyt wa rust; oock ist so quolaijck gebouwt,
En ’t esser so doncker en so droef datter een mensch voor grouwt.
Loopt, loopt, loopt, Robbert, en wilt gheduerich draven!
Wy sullen nu eten en bancken als jonge graven.

Robbeknol. —
Och lieve Heer, hebt danck! Och dits wel ghemaackt!
Maar hoe is mijn joncker toch an dit ghelt gheraeckt?
Hebt danck, hebt duysentmael danck, o Heer alder Heeren!
Die onse droefheydt haast in blijdtschap kan verkeeren.
Maer hoe sel ick het best nu aenlegghen met het ghelt?
Laat sien, hoe veel isser wel? Ick heb niet eens ghetelt.
Dit is ghelt alliens oft een execusijs plockje was!
Datter an den Damsluys nu wat ghebraens tot dat kockje was,
Dat waer immers wel goedt, maer ’t ventjen is te duur.
Ick wil gaen koopen een pan-aaltjen van Jannetjen Hoyschuur.
Neen, dat is te oudt-backeeen, ’t het al te langh in de son estaan;
Ick eet so garen haasje koddette sluyta van Piere le Son edaan;
Maar dat goetjen is wel lecker, maar ’t is so verbrancxst tey.
Ick mach gaan halen tot Pauwels een moye venesoen pastey.
Ick heb niet ghelts genoech, ganslyden, dat rijt sijn lappen!
Wat sal ick in dese pot Lonsbier of Dele-wijn laten tappen?
Dat dient mij niet voor al, want worden mijn meester buys,
Hy sloech de pottebanck om stucken, en al de glasen in ’t huys,
Want waer hy niet dol eweest, hy was noch te Leuven Pater.
Waar sal ick dit broodt halen, inde Veughels-dwarsstraat, inde Deuvekater?
Dat wijf is so vies, ick weet niet en hoe. Ick moetme wat berain.
Ick hadd’ garen goet koop, want ick sou niet garen alle daaghs te merckt gain.
Daerom, als ick het doen wil, so doen ick het met een gracy.
Wel hey, hier komt een doodt, by gants bloet, die is een stacy.

Het Lijck, De Draghers, De Priesters en de Vrouw, de Mannen, Robbeknol.

Vrouw. — Mijn heer, mijn man, mijn goedt, wat is my dit een kruys!
Helaas, waar brenghtmen u? In ’t ongheluckigh huys?
In ’t droef, in’t doncker huys, int huys van het vergheten,
In het huys daer men weet van drincken noch van eten?

Robbe. — O mijn, wat hoor ick daar? O mijn! mijn pols die slaet!
Mijn dunckt warachtig dat hemel en aerdt vergaet;
Sy brenghen dese doodt in mijn huys, dits mijn vresen,
Maer, o popelency! daer sal ick noch voor wesen!
Wapen! wapen! moort! moort! moort! moort! brant! brant!
Helpme! wapen! bran! de duyvel is in Hollant!
Och miester! Joncker! Heer! helpt, helpt my beschermen!
De deur! de poort! de deur! of jy seltet bekermen.

Jero. — Wel jonghen, wel hoe dus, hoe komt dagge so krijt?
Wat isser dagge so furieus de deur toe-smijt?

Robbe. — Och joncker! Ey komt hier! Ick ben de deur niet machtich.
Want men brengt hier een doodt in ons huys, ja warachtich.

Jero. — Een lijck? Een doot? Wel hoe? Robbe. — Sy quamen my te moet,
En siet, de vrouwe sprack: mijn heer, mijn man, mijn goet,
Helaas, waer brenghtmen u? Int huys van het vergheten?
In het huys daer men weet van drincken noch van eten?
Int ongeluckigh huys, in ’t huys seer droef en doncker?
Och, och, sy brenghent hier, komt helpt my doch, mijn joncker.
Ick sta hier met mijn righ en dringh teghens de poort.

Jero. — Ick kan van lachen nau spreken een enckel woort.
Och, ach, ick lachmen doodt, ick kan ’t niet langher harden.

Robbe. — Ja wel, lach jy der om, ick souwer dol om warden.

Jero. — Het is wel woor, Robbknol, al heb ick wa ghelacht,
Ghy hadt reden te dincken dagge hebt ghedacht,
Doen ghy hoorde ’t gheen de droeve weduw seyde,
Die hoor afghestorven man weenend’ ter aerde leyde.
Moor dewyl dat ons Heer het alles heet versien,
Doet op en haalt ons spijs; ou sal gheen leet geschien.

Robbe. — Och laetse eerst, mijn heer, een weynich zijn vertrocken.

Jero. — Nu Markolfus, maeck op, malkus, hoe salt hier locken?
Doet open, lacker, flucx, wech uyls-kuycken, loopt wech,
En haalt ons den ontbijt; en hoordy niet wa ick segh?

Robbe. — Nu joncker, ick sal gaan, al blijf ick wat staan temen;
Wie kan een ander hier de vrese doch benemen?

Eynde derde deel.


Verbeteringen en hyperlinks door: J.R. van Wijk, 15 november 1997