Spaanschen Brabander Jerolimo

G.A. Brederode (1585 -1615)

Gespeelt op de eerste Duytsche Academie, op het Woort: Al sietmen de luy men kensse niet


Aan den edelen heer, Mijn Heer Jacob van Dijk Raat ende Ambassadeur Ordinaris, Uyt den name, ende van wegen den doorluchtigen ende grootmachtichsten heer ende koning, GUSTAEF den II. van dien name, der Sweden, GOTHEN, WENDEN koning ende erf-vorst; groot-vorst in FINLAND; hertog tot ESTHEN ende WEST- MAN-LAND. Residerende by de Hooge Mog. Heeren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden.

Den Hemel is soo stadich niet behangen met sware bekommeringhen en droevige Wolcken, om dat sy swanger is van een vol-dragen slachregen, of sy vint haar wel eens door den tijdt vanden arrebeyt en lasticheit verlicht, waar op sy dan blinckende en heugelijcke stralen des blyschaps uytgeeft. So ist ooc, Myn Heere, met ’s Menschen gemoet; ten kan niet altijt even swaarmoedig ende druyloorig zijn; al heeftmen schoon de last op den hals van wichtige ende groote saacken: men soeckt wel eenmaal middel om ontslagen te zijn van onze belemmeringen en aartsche moeyelijcheden. Tot sulken eynde, en voor de sulke geloof ick dat de verquickelicke ende lustige PoŽsie is gevonden. De PoŽsie seg ick, die niet alleen als een goddelicke Sonne Hemel en Aarde verheugt, en verciert, maar komt tot inde binnenste onbeschyfelicke delen der zielen te erinneren, en gaat met een blakende glory des vermaacklicheyts tot inde heymelickste en grootste kameren der doorluchtige herten, al waar sy met een hefticheyt van verwondering uytschatert het overtreffelic verstant der geleerder, en van God begaafde Mannen. Als by gelijckenis: wat mensche is so lomp of duyster van vernuft, die sonder beweginge en groote andachticheyt en rechtschapen soeticheyt souw konnen hooren of lesen die goddelicke Lof-sang van Jesu Christo, door den hoogen en uyt-geleerden Daniel Heinsius gemaact? Ick geloof niet datter sterflick mensch leeft, die begaaft is met redelicke sinnen, die ’t selve soude doen. Voor mijn, ick mach wel, seggen dattet mijn hoogste PoŽsie geweest is, daar ick mijn opperste ghenoegen in gehadt hebbe van mijn leven; en so ben ick ooc wel versekert dattet U.E. oock boven allen is. Nu heb ick onder andere oock de Eere gehadt van U.E. dat ghy myne boerteryen hebt vereerlijckt met de heerlicke luyster van u E.E. gedoogsaamheyt en lust, om die by u selven te lesen. Dit maact my, waardige heere, so moedich dat ik u E.E. myn Spaanschen Brabander derf toe-eygenen. Verwitticht en verwust zynde dat u E. Edele genegentheyt myn kleyne gifte niet en sult versmaden, maer van een gedienstich en goet gemoet in danck aennemen. U. E.E. biddende dat ghy hem so wilt stutten met u E. bescheydenheyt, dat hy vrypostelick zijn Vyanden (die hy niet en vreest) mach tegengaan. Op dit vertrouwen wil ick u E.E. inde gunst van uwen koning, met sampt den Koning alder Koningen, in genade bevelen, die u E.E. in alle salicheden, so wel tijtelijck als eeuwich, geluckigh wil bewaren, gelijck u E.E. van gantscher herten wenscht uwen dienstwilligen diender ende vrient.

G.A. BREDERODE


TOT DEN GOETWILLIGEN LESER

Indien de mensch soo goedtaardich waare gheschapen, dat sy vaardiger waren int verbeteren, en tragher int berispen van yemants ghebreken, so souden sy de volmaacktheyt des Alderhoochste nader komen, en haar zieltjes in alle deelen verbetert sien. Maar laas! ons is uyt der natuure die kranckheyt innegeboren, dat wy eer de splinter in eens anders, als de balck in onse eyghen ooghen vermercken. O tastelijck ghebreck! voor gheen ghebreck bekent; een yder liefkoost en vleyt sijn selven in sijne dwalingh, en straft met alle strengheyt de doolingen van sijn even naasten. Wat sijn wy verkeerde, blinde en gunstighe Rechters in het kreucken en bedecken van onse misdaden! En wat zijn wy onrechtveerdighe beulen en helsche tierannen in het uyterste vervolghen en ’t schavoteeren van eens anders leelijckheden! Dit weten wy arem gelijck als of wy Godt daar mede een aangename dienst aandeden, niet eens overleggende dat wy van binnen ons soo veel hebben te herstellen en verschicken, dat wy buyten ons selven niet eens behoeven te treden om werck te vinden, vermidts in ygelijcks tuyn ghenoech te doene valt. Maar wat ist? Een yder siet uyt, en niemant siet in. In dese ghemeende Heer-baan heb ick my soo verre verloopen, dat ick, na de ghewoonte van veel dichters en schryvers, met ander lieden fauten gesocht hebbe te proncken. Want ick stel u hier naacktelijck en Schilderachtig voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt, de ghebreckelijckheyt van onse tijdt, en de kerck- en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man; doch onder andere heb ick mijn eighen bekende swackheyden niet vergeten, biddende den Almogende, dat hy de myne en den uwen ghenadichlijck wil te hulpe komen, want hem ist bekent, dat ick dit niet uythaat, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren, maar om my en alle menschen te verlsutigen en verbeteren gedicht en geschreven hebbe. Isset sake dan dat ick eenighe vrome, oprechte, deghelijcke en deuchedelijcke lieden onverhoets en buyten mijn weten hebbe vergramt, ick versoeck neffend dese ernstelijck, dat sy ’t mijn onbedochtheyt en kleine kennisse wijten, en myne vergrypinghe met een beter verschoonen; soo sal ick ghedwonghen zyn haar goede voorgangh te volghen, en myne haters, achterklappers, en lasteraars beschuldigingen en bescheldinghe gheduldelijck te dragen, en met een wel-ghetroost gemoedt, sachtsinnich opnemen, en soetjes by mijn neder-setten; want soo weynich als mijn de onverdiende lof van myne al te gunstighe my kan vorderen, immers en alsoo luttel kan my schaden den laster der kenschuldighe, der eensydighe, der nydighe, die inghenomen zijnde met quaatwillicheyt en soor-oordeel, gheen dingen, hoe goedt oock datse souden mogen zijn, onveracht noch bescholden laten. Maar daar-en-tegehn de vrye, de sye-loose en verstandige en kreunen sich niet aan onbescheyden vonnissen van soodanigen volckjen; sy onderscheyden, sy schiften, sy siften, sy keuren, sy kiesen, en beproeven der saken waardicheyt aan de ongevalschte waarheyt. Het heeft eenige rechtsche of averechtsche heylighe, ghlieft onse Spaansche Brabander in sijn eere te spreecken, sonder dat sy de man ghesien noch ghehoort hebben. Daar over hebben wy besloten dat wy hem int licht wilden laten gaan, opdat hy hem al de werelt, en insonderheyt mocht verantwoorden tegen de ghene, die met een gheveynsde suyverheyt hem van te schandelijcke oneerlijckheyt by elck een verdacht ghemaackt hebben, op dat hare looghens en syne vromicheyt sich openbaare. Ick, noch hy, en ontkenne niet, of hiuj heeft wle over hem dat te beroepen is, maar wien en wat isser dat volmaackt ieen alles is? Daar en is niets onberispelijcx als Godt. Maar soo de ghemeene speelen van ouwts af niet anders en verhandelden als het gene by de ghemeene man ommegingh, so hebben wy dan, na de kleyne ervarenheyt van de wereltlijcke dinghen, ons volck niet hoogher doen spreken dan sy en verstaan, of daghelijcx mede ommegaan. Dat is: een smit van yser en koolen, een Schilder van sijn veruwen, een Schoen-maker van sijn leesten, het welck ons niet ghevoeghelijck en docht. Nu waren wy ghenootsaackt, volgens ons voorgenomen inhouwt, twee lichte vrouwen sprekende te maken; de swaricheyt wel overdocht zijnde, vonden wy niet beters dan datmen die van hare neeringh ooc souden laten spreken, alsoo ’t oock wel te dencken en gelooven is, dat sy de Schriftuur niet al te kies, te keurelijck en te scherpsinnich door-soecken, en meer met vleeschelijcke dinghen haar bemoeyen, dan datse met over-natuurlijck verstant Landen en Luyden in de Waach-schale stellen. Is haar geylheyt wat ongebreydelt en sloridch, wy zijn de eerste niet: de Griecken, de Latijnen hebben ’t ons wel-lustelijc voorgedaan. Dat blijct aan Aristophene, Plauto, Terentio, en eenige andere onbeschaamde, die nochtans van de huyden-daachsche school-geleertheyt de jonghe jeucht voor klockspijs en leckerny inghegheven wordt. Dit loopt altsamen wel onbesproocken deur, maar ’t gheen op een toneel vluchtich wert verhaalt, wert by elckelijck schier voor doot-sonde gedoemt, daar sy nochtans op straat, binnens huys, en elders, (Godt betert!) dag’lijcx veel erger hooren en doen. Sulcke en dierghelijcke schurfde schapen blaten aldermeest van de onreynicheyt; andere, al te barmhertighe, en mogen niet veelen dat men de godloose vinders van bedroch en schalckheyt wat over de heeckel haalt. Ick kent: het is een slapheyt in mijn, dat ick de eereloose, geen-noot-hebbende-moetwillige-Banckeroetiers (die haar goet aansien en gheloof by de lieden met eereeen misbruycken, en diefs-ghewijs de vromen t’haren onbruyck arm en ellendich maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel Fielen en Rabauwen doen, die de buyt t’samen staan, of an ’t selve evel sieck zijn, en wel lichtelijck den eenen dach of den anderen het op-gheven, en deurgaan sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van gemmoedt, dat ick soo een stuckedrochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery; nich ick en kan niet onbeklaagt noch onbeschreyt laten de ghene die door onghevallen tot een bedroeft verloop moeten komen. Nu heb ick ’t inder waarheyt op niemant in ’t besonder ghemeent, maar heb de kluppel int hondert blindelingh geworpen, luck rack; die ghetroffen is, wolcht het rijpje: doetet u seerm wachtet u meer.

Die beleeftheytheb ick ghebruyckt, dat ick een ander tijdt hebbe ghenomen, op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levende en soude makne, ghelijck ick oock niet ghedaan en hebbe. De Brabantsche Tale heb ick tot geen ander eyndt hier in ghevoeght, als om aare arme hovaardy an te wijsen, dat sy also wel hare lebbicheden heeft als de botte Hollanders, die sy soo wel niet en konnen volghen, als wy-lieden haare mis-spraack. Dit zijn dan, vriendelijcke Leser of Leserin, de oorsaken en de dinghen, die mijn hebben beweegt te doen drucken mijn Brabander, die van veelen lachterlijck belogen is, en die ick wensch datse u so wel mach behagen als sy de beste en braafste lieden voor desen heeft gedaan. Soo ick dat vermerck, sal ick my spoeyen om U.L. eerlangh een kluchtigher en veel gheestigher ghemeen te maken. Hier mede wil ick u niet langher ophouden. Leest met lust, en trect tot uwen dienst het ghene dat u wel ghevalt, en gheeft my voor mijn groote en willighe moeyte een vriendelijck ghesicht; het sal loons ghenoech zijn

Voor uwen altijdts bereyden en jonstighe

G.A. BREDERO


G.A. Brederode, tot den Leser

Ist dat ghy yet merckt, leest of siet
Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.
Ick heb met lust tot leer ghedaan,
En niet om dien wegh in te slaan.
Maar vindy wat dat u wanhaaght,
’t Sy u tot les, ghy knaap of maaght.
Men weet soo noodich het venijn,
Als dinghen die dar goedt voor zijn.
Een Kindtonwetend van verstandt,
Dat loophet in ’t vuyr, alwaar ’t hem brandt.
Dan yemant die wel beter weet,
Die denckt: dat vuyr is mijn te heet.
Hy tastet met yet anders an,
En treckter nut en warmte van.
Soo bid ick dat ghy dit oock treckt,
Op dat het u wat goets verstreckt.
Het oordeel, dunckt mijn, is verkeert,
’t Welck seyt, dat men de sonde lert,
Alsmense eyghentlijck verklaart,
En al de werrelt openbaart.
Ick neem een preker op de stoel:
Als die ontdeckt een vreemt ghevoel
Van een eerloosen snoo sophist,
Of een Godloosen AtheÔst,
Souw die daaromme boosheyt doen?
Of argeren in ’t minst de goen?
Dat sluyt niet. Souw de Magistraat,
De Overheyt, de wyse Raat,
De boosheyt leeren yder voort,
Als sy bestraffen Princen moort?
Of Vrouwe-kracht? Of Dievery?
Straatschenden, of Brantstichtery?
Dat komt met my niet over een.
Soo weynich als in lijf en leen
De sucht of sieckten overspruyt,
Wanneers’ een Doctoor ons beduyt,
Soo lettel of noch mooglijck min
Dringt immer ’t quaat ter zielen in,
Want in een Godlijck goet ghemoedt
En komt oock niet dan alles goedt.
De dinghen zijn dan groot of kleyn,
Den reynen zijn sy allen reyn;
Den quaden dijt alles tot quaat,
Om dies-wil dat het met hem gaet
Ghelijck als met de vuyle spin,
Die ’t goetste neemt ten quaatsten in,
Die ’t honich in fenijn verkeert,
Alst in sijn binnenst is verteert.
Soo doen veel menschen hier te Landt:
Sy spreken van een ander schandt,
Of Lof of Eer: Na haat of gunst,
Maar niet na kennis van de kunst.
In sulcken breyn wert nu ghemaalt
De roem of laster die men haalt.
De ghene die ick heb gheraackt
Onwetens, hebben my ghelaackt;
Ick gheeft haar toe: En voor de smaat
So wensch ick dattet haar wel gaat
Aan ziel, aan lijf, na wil en wensch,
So wel als eenich levend’ mensch.
Maar ghy, verlichte, suyver, net,
Die op mijn wercken lustich let:
Hier hebdy maar een slecht gherijm,
Dat niet en rieckt na Griecksche tijm,
Noch Roomsch ghewas, maar na ’t ghebloemt
Van Hollandt, kleyn, doch wijt beroemt;
Al heeftet gheen uytheemsche geur,
’t Is Amsterdams, daar gaatet veur.
Het Nederlantsche doffe kruydt
Gheeft voor ditmaal niet soeters uyt
Als ghy en siet; soo ’t u niet smaackt,
Soo bid ick dat ghy ’t honich maackt
Met u gheleerde groote gheest,
Die ’t best uyt u Boeck-weyden leest,
En brengtet in u Bye-korf,
Daar ick nauwlijcx by comen dorf,
Om dat ick, ’t welck ick vry beken,
De minste van u Byen ben.

 

't Kan verkeeren.

Ao. 1618, den 6. juny.


Inhoudt van ’t Spel

Onder de wynigh uytsteeckende of geestige Spangjaars en is de maker van Laserus de Tormes nerghens na de minste, maar, mijns oordeels, een van de meeste te houden, want hy seecker en bedecktelijck de gebreecken sijner Lants-lieden aenwijst en straft. Desen ist die wy volghen in sijn eerste boeckje, daar hy de hoverdye, die haer-lie schijnt ingheboren te zijn, levendich afbeeldt in sijn kaale joncker; nu also wy geen Spangjert en hadden, of om dattet de ghemeene man niet en souw hebben kunnen verstaan, hebben wy dese namen, de plaatsen en de tijden, en den Spangjaart in een Brabander verandert, om dies-wille dat dat volckjen daar vry wat na swijmt. Den inhoudt hebben wy na onse ghewoonten in vyven verdeelt.

Eerstelijck, Jerolimo Rodrigo vertelt zijn overcomste uyt Brabandt, zijn oorsaack, het verschil van Amsterdam en Antwerpen, de verscheydenheden van het volck en haar zeden, en sijn voorighe grootheyt, alles met een verwaande hoochmoedicheyt. Robbeknol, een verloopen Bedelaar, neemt hy in sijn dienst, waar met hy nae sijn ydele grootsheyt by der straaten gaat brageeren, tot endelingh in de Mis. Drie ouwe klouwers bewijsen met haar slechte manieren, spraack en kleedinghe de oprechte slechtheyt der Amstelredammers, en de Tijdt, namentlijck de Sterfte over meer dan veertich jaren.

Ten anderen, Jerolimo wel gheveecht zijnde, ontmoedt ande Vesten by de Mont van den Emstel, twee lichte vrouwen, waar by hy den volmaackten Hovelingh speelt. Sij meer gheneycht tot sijn gelt als tot sijn schoone woorden, willen dat hy haar sal leyden op de Klieveniers-doelen; hy alsoo kouwt van Buydel als heet van Maagh, maackt veel blaeuwe en loghen-achtige uyt-vluchten, en scheyt na veel stuypens en nijghens eerbiedelijcken; sy begecken den wech-gande, en verhalen den oorspronck van haar ontuchtich en onghereghelt leven. Den hongherigen Robbeknol tijdt terwijl uyt bedelen, het welck hem soo gheluckte, dat hy sijn ledighen buijck, en sijn eerlijck-hertighe doch arme Meester daar met spijsde, en ginghen voort, wel versaat zijnde, t’samen te ruste.

Ten derde, Robbeknol verhaalt den loop sijns levens en sijns avontuurs, (Jerolimo niet by der hant zijnde) soeckt, vindt en doorsnoffelt sijns Meesters Beurs, dien hij rijck van vouwen en arm van penninghen bevonden heeft. De drie koele Troevers verwijten elck ander haare feylen; ondertusschen luijtmen der Steden-klock, alwaer ter puye wert ghekundicht en verboden op lijfstraffe de bedellerije ende gheraamde ordere over de rechte armen, het welck by elck ghepresen, maer by Robbeknol en sijns gelijcken beklaaght werdt. Een kyve-kater kijft en raast onbescheyelijck, doch sij wert besadicht van twee spinsters, haar ghebuuren. Robbeknol van de noot een deucht makende, kont by dese onwetende wijven de Seven-salmen lesen; soo kreegh hy de kost. Jerolimo vint eenich kleyn gelt, waant hem selven de rijckste die daar leefden, hy stuurt sijn knecht om spijs en dranck. Die ontmoet een Lijck-stacy, hoort eenighe woorden, en loopt verbaast na huys. Doch dat over, doet hy sijn bootschap.

Int vierde vertelt een Koppelaarster haar leven en haar neeringh. Robbeknol gheladen met eet-waren, werdt blydelijck ontfangen, en tyen daatelijck met gragen lust an ’t smullen. Jerolimo vertreckt over maaltijdt sijn afkomst, en meer andere geckelijcke dinghen; ondertusschen komt Gierighe Gerret, sijn Huys-heer, en Byateris de Wt-draaghster hem maanen; na veel belovens gaat den armen duyvvel deur en leyt een banckje.

Int leste deel, de Buuren verstaan hebbende sijn vertreck, gaven de Maanders en Schult-eyschers sijn banckerot te kennen, daar een groote beroerte uyt ontstont; over sulcks de Schout, Notaris en Ghetuyghen gehaalt, ’t huys gheopent, vonden niet dan een oudt beddetje, dat na veel woorden inde Stadtskoocken ghebrocht wiert. Indervoeghen dat sy allegader even veel ontfonghen, en onbetaalt en onvernoeght wech gonghen. Daar hebjet al, seyd’ het Wijf, en sy spooch het hert uyt haar lijf.


Namen der Speelende Ghesellen

Jerolimo Rodrigo de Joncker.
Robbeknol de Knecht.
Joosje & Kontant twee Jonghens.
Floris Harmensz. hondtslagher vande kerck.
Jan Knol, Andries Pels & Thomas Treck. patriotten
Trijn Jans & Bleecke An Twee snollen
Trij Snaps, Els Kals & Jut Jans Spinsters.
De Vrouw van de Dooden een deel stommen.
Byateris een uitdraaghster en koppelaarster.
Gierighe Geraart de Huys-heer.
Notaris, de Klerck en twee Steeboon  
Balich een Tinnegieter.
Jasper de Goutsmit.
Joost de Buurman.
Otje Dickmuyl de Schilder.
De Schout met zijn Rackers.  

Eynde tweede bedrijf.


Verbeteringen en hyperlinks door: J.R. van Wijk, 15 november 1997