G.A. Bredero (1585 - 1618)

Siet hier, mijn goede Vriendt, mijn leege tijts verdrijf
Vermerckt doch uyt wat hart dat ick tot uwaarts schrijf:
Omdat de goede Jonst by ons niet souw vervremen,
Was ick veroorsaackt om de pen in handt te nemen
En schryven aen mijn vriendt so lief en waerde groet,
Als wenschen van mijn hart en gunst van myn gemoet:
De gunst van mijn gemoet, dat is dat u Godt geve
Gesontheyt en geluck en hier na ’t eeuwigh leven.

Leyder (Leydtse vriendt) u leydts vertreck is myn leyt,
Hoe wel verleyt van plaets geen rechte vrientschap scheyt;
Nochtans inder waerheyt so moyt my u afscheyden,
Voornaemlijck dat ghy my niet eens adieu en seyde:
Wat ontscult hebt ghy doch, so ghy ontschuldigh zijt:
Beschuldight niet t’onrecht de vlugge snelle tijdt,
Want dat is niet een mydt, ghy moet daer niet op leggen,
Ghy hadt licht haest den tijt om eens adieu te seggen.
Ick denck dat uwe gheest hier niet en was gerust,
Wanneer ghy beelden voor de behaeghlijcke lust
Van ’t lief geselschap, dat ghy te Leyden hadt gelaeten,
Besonder dat Meysjen daer ghy so veel komt praeten:
Dan dats even veel, genoech oock uyt geleyt,
Want een verstandigh Man is haest genoech geseyt.

Siet hier, mijn beloft en u vriend’lijck begeeren1
Hebb’ ick uyt goede Jonst volkommelijck voldaen,
Die ghy, gelijck ick hoop, in danck suft ontfaen,
En neemt mijn gunst voor kunst, en denckt het Kan verkeeren.
Met hulpe vanden tijdt sal ick wel beter leeren.
Wilt met een jongstigh oogh dit dickmaels schouwen aen,
So sal geselligheyt tusschen ons niet vergaen,
Maer eeuwigh blyven staen: waert anders, ’t soumen deeren.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 januari 1998.