G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDT.

Op de Wyse: Al van een eerbaar vrou en haren Man.

Seght my, seght my Vriendinne,
Waarom verbercht ghy u?
Om dat ick u beminne,
Syt ghy daarom soo schuu?
Het schijnt ghy crycht een gruu,
Als ghy met siet aencoomen.
Laat my toch weeten nu,
Wat u voor my doet schroomen

Heb ick buyten t’behooren
Teghen u sin ghedaen
Dat u verweckt tot tooren?
Ay, doet my dat verstaan,
Een valsche Tongh of waan
Kan somtijts veel quaats wercken,
Daarom wilt u beraan
En op de waarheydt mercken.

Is dit dat ghy bekende,
Doe ghy my hebt gheseyt,
Dat nimmermeer sou enden
U trouwe sinlijckheyt,
Die ghy hadt doen gheleyt
Op my? maar t’syn maar vlaghen,
Want die lichtvaardich scheyt,
Wat Liefde can die draaghen?

Immers wist ghy te vooren
Hoe hooch dat ick u hiel,
Voor tgroost by my vercooren,
Jae als mijn hart, mijn Ziel:
Och oft noch soo gheviel
Dat ghy u eens wout wenden,
Om my die voor u kniel
Te troosten in d’ellenden.

Ist u, Lief, al vergheeten,
Dat ghy in mijn ghedacht
Mijn werelt plach te heeten,
Mijn ick, mijn al, mijn cracht?
O goude Mensch gheacht
In myne jonghe sinnen,
Hoe onghesien, verwacht
Ick noch u jonst te winnen.

Soo langh sal ick u dienen
Met eerbaarheyt en schaamt,
Als Godt my sal verlienen
t’Leven dat in my aamt.
Och of ghy selfs quaamt
U Dienaars smart aanschouwen,
Ghy sout werden ghepraamt
Met deerenis, mijn Vrouwe.

Maar als my quam bestraalen
Het vlick’ren van u ooch,
Sou dan mijn kracht verhaalen
Alleen door u vertoogh.
Al comt my laat en vrooch
U beelt in mijn ghedachten,
Ick kan de schyn soo hooch
Niet als het weesen achen.

Princesje Lief verheeven
Doot u verborghen haat,
En laat de Liefde leeven
Weer in syn eersten staat,
U rijpelijck beraat,
En wilt gheen waan ghelooven,
Noch snoode clappers quaat,
Die d’eere van my rooven.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 12 december 1997.