G.A. Bredero (1585-1618)

BRUYLOFTS-GHEDICHT.

TER EEREN GUILLEBERT DE FLINES ENDE ANNA CORNELIS VAN GROOTEWAL.

ONDERTROUWD OP 25 MAART 1612.

Corts als de vaack en slaep mijn ooghen sacht bestreden,
Bestormden sy mijn hert, bestormden sy mijn leden:
Mijn slappe lichaem liet zijn ampteren bevreest:
Als my de vaack verwan, vervloogh mijn vlugge geest;
Recht als de Toover-riem de Collen doet verscheppen,
Die vlieghen inde schijn, en ’t dood lijf niet reppen.
Soo lach mijn aartsche block, soo lach mijn laffe romp,
Onweerbaer, af-gheslooft, verstandeloos en plomp.
    Een labber-koele-wint die heeft mijn gheest gheheven
Van d’aarde flucx om hooch en door de Lucht ghedreven
Tot in de hooghste plaats, tot inde hoochste tip
Van waer ick over-sach ’t onmetelijcke begrip,
Van waer ick over-sach den grooten Raadt der Goden,
Die juyst op dese tijdt daar waren t’ saam ontboden.
Een yeder heeft sich in zijn setel neer-gheset;
Sy keurden daar een keur, sy stemden daar een wet,
Een lieffelicke wet, dat al de Dochters souwen
De eerbaer Jonghmans reyn vry vriendelijck aenschouwen;
En wie uyt bellich-sieckt dat weygherde te doen,
Die sou dat boeten of, ten minsten met een soen;
Wie op een goede vraagh antwoorde dreuts of koentjes
Die mocht dat coopen af met vyf en twintigh soentjes.
    De Goden hielden dit den mensch te wesen nut,
Op dat voor alle twist sy souden zijn beschut
En dooden soo door Liefd’ het nydich fel vergrimmen.
    Cupido ’t cleene wicht gingh op een heuvel climmen,
Met Boogh en Cooker vol van Pijlen hardt verstaalt,
Die hy eerst vande Smits nieuws-gierigh had ghehaalt.
Gheegt lust (sprack hy, o Goon!) g’hebt recht in u ghesetten;
Maar reden ist dat ghy voldoet u eyghen wetten.
Sy deunden met het Kind en namen ’t niet in ’t goedt,
Dat Venus haren Soon soo stout had opghevoedt,
Dit speet hem euvel seer, hy nam een van zijn pylen,
Die hy op voordeel had drie-cantich laten vylen,
Hy sleep het vinnich punt en leydse op zijn boogh,
Die door zyn styve treck hem snorrend ontvloogh
Tot in Jupijn zyn borst, daerse vast schuddend’ lilden;
Syn wel-ghetroffen hert stont als de pijl en trilden,
Hy voelden in zijn ziel een jeuckerige pijn,
Die maar van Juno cost alleen genesen zijn.
    De jeugdelijcke Godt (begaeft met ’t licht der Sonnen,
Die Python ’t ysselick Serpent had overwonnen)
Drang door de dichte schaar, tradt met een trotse tred
En heeft zyn grootsche gangh nae Cupido gheset.
(Hy sprack:) douw Hoeren-soon, gheeft hier dyn gulde boghen
Dijn handen zijn te weeck, te kindts is dijn vermoghen;
Soo grooten gaven zyn aan dy doch niet besteed,
Ick hebbe clem en kunst die die te hand’len weet.
    Cupido nam zijn wraack van’t smadelick verachten,
Twee pylen scherp en spits, doch van verscheyden crachten:
De een onstack in Min wie hy daar mede schoot,
Den ander, wien hy trof, de Min met angsten vloot.
Den Jonghen sprack, wel-aan, ghy sult tot voor-beelt strecken
Der ghener die met mijn of met de cleyne gecken;
Met schoot hy d’ eerste pyl in Phœbus herte diep,
Maar Daphne kreegh de schicht die voor de Minne liep.
Hy moes-janckt, claaght en bidt, die eerst soo dapper swetste.
Soo haast Cupido cleyn den braven Schutter quetste,
Sant hy een heeten straal na Pluto bles en grijs,
Die zynde gantsch verdoort, sich elck waant te wijs.
Het oud’ verkleumde bloed en cost dit niet verdraghen,
Hy socht door ’t eene vyer het ander te verjaghen:
Hy woelden te vergheefs, hy woelden al om niet,
Tot Proserpina quam hem blusschen zyn verdriet.
De grillighe Neptun’ Cupidoos Toortsen puften,
Hy spotten met de Goon dat sy soo schielick suften,
Maar desen snorcker stracks oock klaaghden van een wee,
Die hy niet lesschen con met water vande Zee.
Hy dompelde zyn hooft, hy is geheel ghedoken,
Syn brand de koude vloedt deed’ preutelende koken.
    Dewyl dat dit gheschach, soo gluurden over dwars
Den forschen Wapen-heer, den strenghen Strydt-god Mars,
Maar als Vrou-Venus hem eens lieffelijck belonckte,
Syn Krijghs-bloet-dorstigh hert vlam-vyerigh hem ontvonckte.
De lachende Goddin, als sy vermerckte dit,
Bewees hem meerder jonst als haar beroockte Smit.
De sachte Venus door de Troetel-kunst verkeerde
De handen die wel eer de Worstel-grepen leerde,
De handen die wel eer dobberde in het bloet,
Die creghen doen de weet van ’t minne-stroken soet,
De Moeder nam haar Kint, de Moeder nam haar sluyertje,
Blint-hockte soo syn hooft en sant hem om een kuyertje
Doe schoot hy blindelingh zyn pyelen inden hoop;
Daar baten niemants vlucht, daar baten niemants loop.
Wat wasser een krioel! men snobbelde, men kusten,
De Diamanten Saal die brande vande lusten,
Het was my daar te heet, jae dat ick door de vlam
Beangst en wel verhetst weer tot my selven quam.
    Cupido riep my nae met vriendelijcke woorden,
Die ’k tuymelende nauw, maar dit nochtans wel hoorden:
    Seght uwen Bruyd’gom doch, dat hy zyn lieve Bruyt
Myn Moeders Wonder-boeck heel naacktelick beduyt;
En seght de nieuwe Bruyd, dat sy nu moet begheven
Den Maaghdelicken staat om een veel soeter leven,
Hy sprack: Ick coom beneen; met daalden hy seer licht
In ’t lieffelijck gheslacht haar minnelick ghesicht.
Nu Bruydegom siet op, siet op ’t loer-ooghend gluren,
Die steel-wys u de Bruyd soo heymelick gaat sturen.
Siet hoe de suyv’re Maaghd met schaamte sit en prijckt,
Haar held’re schoonheyd nu met aandacht wel bekijckt:
Hoe tockelt haar ghelaat, hoe stryen in haar sinnen
De koude vreese en de soete brand van minnen!
Haar hertjes springht van vreucht, haar hertje angstich trilt;
Als sy ghedenckt dat sy moet in het Vrouwen-gilt,
Soo murmelt haar ghepeyns met een bedwonghen swyghen,
Om dat sy die niet mach dan om haar Maaghdom kryghen
Wat is den Maagdom doch? Niet anders als een woord,
Datmen van ouder Eeuw eens segghen heeft ghehoord.
Vrou-Bruyd weest niet beducht en twifelt niet, want diese
Dus eerelijck besteet, en canse niet verliesen:
Maar ghy krijght voor uw’ gunst nu we’er een heele Man,
Die van een Maaght alleen veel Maaghden maken kan.
    Den witten dach die dringht door glasen en door spleten,
Wilt doch Speel-maaghden niet u plicht noch ampt vergheten:
Leyd die ghecranste Bruyd na het gheluckigh bedt,
De jonghe-lieven doch haar lusten niet belet.
Staat op, o waerdigh Volck! staat op, staat op Jofvrouwen
En wilt ons waerde Bruyd niet langher teghen-houwen:
Sy staat, sy gaat, sy staet; sy schoor-voet, sy staet stil,
Ach! haar eergierigh hert en weet niet wat het wil.
Sy gaat na ’t lieflijck endt van al ons bitter lyen,
Sy gaat na ’t lieflijck endt van al ons heftich vryen.
Speel-nootjes maacktet cort, gheeft haer de leste soen;
„Het ander, dat ghy laat, dat sal de Bruygom doen.”
    De Bruyd’gom sit en peynst met een inwendigh malen,
Hie hy syn lieve Bruyd op ’t soetste sal onthalen.
    Daar zyn de Maaghden weer: nu Bruydegom gaat voorts
En sweet met vreuchden uyt u sonderlinghe Coorts.
Nu Bruydegom treet aan en pluckt de soete vruchten
Van ’t daghelijcks gheklagh, van u verliefde suchten.
Nu Bruyd’gom saeyt en plant in u ghewenste Oest,
Op dat het vruchtbaar land verwellickt noch verwoest.
    Vaart wel en leeft met vreucht ghy twee vereende menschen
Onseg-baar is de gunst die wy u beide wenschen,
Maar als ghy ’t loon gheniet van uwe soete pijn,
Ons arme strijers wilt dan eens ghedachtich zijn.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 3 januari 1998.