G.A. Bredero (1585-1618)

BRUYLOFT.

Stemme : Yets moet ick u Laura vragen, &c.

Geliefkens eer ghy waert geboren
Sydy van den Heer verkoren
Om te samen wesen een:
Gaat en doet na zijn gebieden,
Wat hy wil dat moet geschieden,
Daer en zijn geen tegen-re’en.

Wilt ghy God en mensch behagen,
Leert malkander toch verdragen,
Gaet den ander te gemoet
Met bescheyde, wyse reden,
Tracht doch na de rijcke vrede,
Dat’s het beste Bruylofts-goet.

Wilt uw’ kinders met uw’ leven
Deughdelijcke lessen geven,
Goede voor-gangh leert so soet,
Meerder als de straffe dingen;
Die zijn selven kan bedwingen,
Dunckt my dat niet qualijck doet.

Leert haer, eer dat sy gaen slapen,
Waer toe dat sy zijn geschapen,
Dat’s tot lof van God den Heer.
Brenghtse op tot synder eeren,
Gaet met haer in ’t huys der Heeren,
Tot de ongevalschte Leer.

Recht gelijck de steene kruycken
Nae de vetticheyd sal ruycken,
Die men eerst-mael daer in doet;
Soo gaet het met onse sinnen,
Soo wy met de jeughd beginnen,
Soo gedytet quaed of goedt.

Even als van goede boomen
Nimmer quade vruchten komen,
Soo is ’t oock in een geslacht,
Die den Heer Godvruchtigh vresen
En niet anders willen wesen
Als sy willen zijn geacht.

Reyn van herten en van wandel,
Trou en recht in haren handel,
Sullicken die zeghent Godt,
Met veel tijdelijcke have,
Met gewenschte schoone gaven,
Die haer soo vallen te lot.

Een gheluckich salich leven
Wil de goede Godt u geven,
Met al wat men wenschen mach,
Dat geoorloft is te wenschen
Voor de alderbeste menschen,
Tot in en na haer sterref-dagh.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 3 januari 1998.