G.A. Bredero (1585-1618)

EEN SIECKENS KLAEGH-LAYDT.

Stem : O waerde soete Lieveken! &c.

Ghy Maeghden en Jongelinghen,
In stede van yet quaets,
So hoord mijn droevigh singen
En geeft de reden plaets,
U spiegeld, o myn Maets!
Met wien ick plach te swerven
In grondeloos verderven,
Als woeste onverlaets.

Die volght en dient zijn lusten,
Die werd met my geplaeght,
En sonder tijdelijck rusten
Van zijn schuld-worm geknaeght,
Och! dat my heeft behaeght
Des werelds ydelheden
Die Gods ghebodt en reden
Wt ellick band en jaeght.

Ick plach wel eer te wesen
Bly-geestigh en verheught
En heb alsins gepresen
De schijn-vluchtige vreught,
Dies ick oock al mijn Jeught,
Door ’t al te licht bekoren,
In dwaesheyd heb verloren,
So ghy aenschouwen meught.

In ’t luchtigh singen en springen,
Heb ick my vaeck verblijd,
In niet-waerdige dingen
Heb ick mijn seer verblijd.
Mijn kostelijcke tijd
Heb ick tot quaed begheven,
Dies ’t beste van mijn leven
De wraeck der straffe tijd.

Wijn, lust en wil van vrouwen,
Het werelds suycker-soet,
Die ’t innerlijck aenschouwen
Is ’t gal en bitter roet:
Verdwaest is zijn gemoedt,
Die om so snoode dinghen
Versuymt en laet ontspringhen
Het alderwaerdste goedt.

Wat mijn lief plach te schynen,
Is mijn nu doodlijck leyd,
Mijn quelling eet met pynen
Mijn rif en ingeweydt;
Mijn ziel haer nu bereyd
Om d’aertsche vrolijckheyden
Te schiften en te scheyden
Wt al mijn sinlijckheyd.

O Mensch! wild aen mijn leeren
Hoe dat die boosheyd snoot
Gods goedheyd Kan verkeeren
In rechte gramschap noot
Doet my, bedroefde Mensche,
Soo menigh-make wensche
Na die verlanghde dood.

Ick verwacht met verlanghen
De dood, die ellick vreest
Met schricken, te ontfanghen,
Maer mijn benauwde geest,
Die voormaels heeft geweest
Verheught in sotternyen,
Verhoopt sich te verblyen
Na dit min leven meest.

Ghy die met schreyen, klaghen
Beweenen mijn verdriet:
En die met een behaghen
U wellust daer aen siet
Of singers van dit Lied,
Leerd, door mijn droeve klachten,
U doch voor dolen wachten,
Eer u dt oock gheschied.

O Jonckheyd! wild aenmercken,
Met Gods vrees en aendacht:
U seer onsuyvre wercken,
Door lust des vleeschs volbracht
U loonen dagh en nacht.
Vermaend en sticht malkanderen,
Wie sich spiegeld aen anderen,
Die spiegeld hem wel sacht.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.