G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDEKEN.

Stem : Als ick uyt wandelen gae, &c.

Goddinne, die de naam van ’t schip-rijck Eylant voert,
Die met geen Tooverkracht Hemel en aart beroert,
Maar die met u ghesicht en Goddelijcke kunst
De grootste man beweegt doen snacken nu u gunst,

De grootheyt van u macht ick noyt soo hooch en hiel
Als ick de hoocheyt doe van u verheven ziel,
Die op den top des Lofs ten pronck des werelts staat,
Sulcx dat de Zon beschaamt syn ooghen neder slaat.

Als hy eerbiedich u eerwaerdicheyt aenschout,
Hy schimmert en hy staart: en tciert sijn hooft met gout
En bromt soo voor u deur daer hy een lonckje pracht,
Waar met dat hy volnoecht voldoet syn groote jacht.

Smorgens voor dauw voor dach en in den dagheraat,
Wanneer hy opghetoyt uyt syn slaepkamer gaet,
Als ghy noch legt en slaapt met al u Huysghesin,
Dan komt den brallert aen door glasen Vensters in.

Hy kijckt, hy wederkijckt en siet u schoonheyt door,
U Silverblancke vel vergult hy met syn gloor,
Ghy voelt de luwte van syn straalen soet en sacht
En toont hem als het t’gunt hy meest op Aarden acht.

Hy doet al wat hy wil en wat hem best behaaght,
Dan gaet den snoepert deur, hy schent so menich Maagt,
Waer dat die Vrouwe Man maar steelwys een insluypt,
Hy vint gheen Vrouwtje die hy niet in slaap bekruypt.

De leste reys Goddin al hy u wel besach,
Doen ghy in diepe rust en onbekommert lach,
Doen stal hy uyt u Hooft, op ’t aardichtst dat hy kon,
U ooghen en hy liet voor elcken Ooch een Son.

Soo komet by Goddin dat ick en alle lien
Die dese Majesteyt vol Heerlijckheden sien,
Door ’t blincken van u snel en weesselijck ghesicht,
Waar met dat ghy mijn siel inwendicht noch verlicht.

Dit is myn hooghste vreucht daer ick my in verbly,
Dat ghy u ooghjens slaet uyt goetheyt eens op my;
Als u ghenade my eens vriendelijck aensiet,
Ick ruylden dat gheluck om al de Werelt niet.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.