G.A. Bredero (1585-1618)

EEN LIEDT.

Op de Wijse: Nu leef ick in ’t verdriet, &c.

Goddin, o Venus schoon,
Verwect in mijns Liefs hart
Een soet gherechte loon
Voor mijne droeve smart,
Ick kan doch langher niet leeven in dit ellent,
Ick brant, ick brant int vier der minne sonder ent.

Eer ick u schoonheyt kon
Of oyt met Ooch aensach,
So docht mijn nieuwers Son,
Ter werelt scheen geen dach,
De Lucht was sonder Gout of sonder braef cieraat
Daar sy, daar sy nu op het hoochst verheeven staat.

De Nevel en de Mis
De dagheraat verjoegh,
Dampen en duysternis
De schoone middach sloech,
Het aarderijck dat lach ghewentelt in een klomp,
Ten had gheen ooch, het scheen een maxselloose romp.

Het Hemels vier, docht mijn,
Was doof en gans ontgloort,
Het scheen wel doot te syn
Of gans en al versmoort;
De vlammen sterck, vol schijn, vol leevens en vol brands
En sagh ick niet of nau wat flick’ring van haer glands.

En ’t waater wel eer bly
En quix en snel ter loop,
Dat stont bedroeft ter sy,
Ghestaapelt over hoop
Met Wolleken en wint verselschapt en door sprenght,
Want Aart, want Lucht en vier was t’eenemaal vermenght.

Maar even alsoo vaack
Als ghy o Son verscheen,
De groote Heemel brack,
’t Licht quam met u beneen,
De aarde neech en stroyde Lovers en groen kruyt
En waar ghy gingt of stond quam een versch Bloempjen uyt.

De wyde lucht gekleet
Met Starren, Son en Maan,
Die stelden haar ter zeet
Om op u dienst te staan,
Doch eer sy sitten gingh soo schonck sy u dat licht,
Dat licht, dat licht, dat my betoovert int ghesicht.

Het heylich vier bevreest,
Doch suyverlijck en reyn,
Vereerden met syn Geest
U Lichaem en u breyn,
Dus quam de wackerheyt in u verheeven Ziel,
Daar eerst mijn Oogh en mijn ghenegentheyt op viel.

De wilde blancke Zee,
Aenziende dit ghebruyck,
Die quam oock seer ghedwee
Aenbieden u de Pruyck,
Die op u eedel Hooft soo heel en glintstrich straalt,
Dat noch Goddin, noch Nimph int minste by u haalt.

O Lief! o nieuwe Son!
Ick Offerden u op
Mijn Zieltje soo ick kon
Met deese Goude Kop,
Drie Roemers dronck ick uyt, hoe kranck oock dat ick schijn,
Als ick dan mocht u slaaf en u lijf eyghen zyn.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.