G.A. Bredero (1585-1618)

AMOUREUS-LIEDEKEN.

Op de Voys: Van Spaininielette.

Kon ick een recht bedwingen
Mijn vliegend’ wilt gesicht,
Maar ick misbruyck dees dingen,
Daarom is t’hart so licht:
T’ lust altijt na wat varsch,
Verandering is goet,
T’ nieuw maackt my t’ oude warsch,
T’ verand’ren is so soet
Voor een die ’t doet,
Dat werd’ ick vroet
Door wanckelbaar gemoet.

’t Oogh doet mijn cort beminne
Een frisse, suyv’re Maacht,
Een bruynooghd’ Coninginne
Heeft dees weer haast verjaaght,
Heur Hair was langh en blont,
Heur Oogjens swart als Git,
Heur lachend’ roode Mont
Heeft tandetjens snee wit,
Soo blanck als dit
Is elcken lit,
Dat an haar Lichaam sit.

Als t’hart schier heeft vercreghen,
t’Gheen mijn oogh garen siet,
De reeden seyt daar teghen:
Voorwaar ten dient u niet,
Anmerckt wat ghy verkiest,
Ansiet wat ghy begheert,
Hoe haest een Mensch verliest
Daar ghy s’om mint en eert,
Schoonheydt verkeert,
Versochtheydt leert:
Ghy mint dat u meest deert.

Doe heb ick uyt verkooren
’T geen my wel nut syn sou:
Een deuchd-rijck, wel gebooren,
Bescheyde wyse Vrou.
Recht is het dobble rou
Als het komt anden dagh,
Die mogend’ niet en wou
En willend’ niet en mach:
Ick wou wel, siet,
Maar sy wou niet,
Doe bleef ick int verdriet.

Dit duurden eenige poosen,
Dat ick dus was belaan,
Men siet soo schoone Roosen
Wassen, als daar vergaan.
De Schepen of en aan
Syn vast in een waardy,
Wat wil ick mijn verslaan?
’t Versoecken staat doch vry
Een goet ghesel,
Dus denck ick snel:
Wil d’een niet, d’ander wel.

Ick koos een Meysje aardich
Van minnelijck ghelaat,
Van leeven heel eerwaardich,
Van middelbare staat,
Beleefd en heus van praat,
Oprecht, vriend’lijck en trou,
Maar buyten Vrienden raat
Sy gantsch niet doen en wou
En ’t was haar sin,
Maar niettemin
Soo derf ick mijn Vriendin.

Al moet ickse verliesen,
Ick set daerom geen smart;
Ick maack door myn verkiesen
Een Gast-Huys van myn hart.
Verandering van spijs
Maackt lust en appetijt,
T’ verand’ren ick seer prijs,
k’ Verander metter tijt.
Daar syn soo veel
Schoon, Rijck en Eel;
Ick crijgh oock licht myn deel.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.