G.A. Bredero (1585-1618)

AENDACHTIGH GEBEDT.

O Levendige God! eeuwigh, goed en almachtigh,
Aenschouwt me-lyellyck my droeve en neer-slachtigh
En uytgequeelde man van soberen gestalt.
Gedooght niet dat hem nu de wan-hoop overvalt,
Die doch een vyandt is van Hemelsche genade,
Want sy mijn arme siel sou eeuwelijcken schade.
Ontfangt, O Heere! doch het suyverst’ van mijn hert,
Gheeft dat my myne sond niet toe-gerekend wert.
Neemt my (die hier op aerd’) als vremdeling most swerven)
In ’s Hemels Borgery na een God-saligh sterven.
Ach! dat u lieven Soon, met zijn onschuldigh bloedt,
Voor myn ken-schuldige, de borrecht-tocht voldoet.
Och! ick ben uytgeteert en ga me smart betreden
Den algemeenen wegh van d’ouwde lang verleden.
O Heer! ick kyve niet, doch hadder niet met u.
Het sterven is mijn lief, ist U behaghelijcke nu,
Want ghy hebt my gemaeckt en mooght my weer ontmaken,
Wanneer ’t u wel gevalt. O God! voor alle saken
Beveel ick U mijn Ziel, O Salighmaker goed!
Ick geer geen ander vreughd, ick soeck geen ander soet,
Geen andeer blydschap, ach! noch oock geen liever lusten,
Als by den Bruydegom van mijnen Ziel te rusten.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 30 december 1997.