G.A. Bredero (1585-1618)

LIEDT.

Op de Stem: Iets moet ick u Laura vraghen.

Ach Florinde mijn beminde!
Wanneer sal ick ’t loon eens vinden
Die mijn dienst van u verwacht?
Dat mijn hart op hoop doet leven
Kunt ghy aen u Dienaar gheven,
Soo ghy wilt, ghy hebt de macht.

g’Hebt de volheyt van u jaaren,
Waerom sout ghy niet vergaaren,
In het hartje van u tijdt!
Ghelooft mijn Liefje, dat de oude
Ons gheluck en trou weerhoude
Niet om u maar haar profijt.

Princes syt ghy by u sinnen,
Waarom soudy niet beminnen
Dien ghy aldermeest verkiest
En op ’t hoochste pleeght te setten?
Saaghdy aan een anders wetten,
U geliefde ghy verliest.

Keurvorstin van u ghedachten
Cundy beeter Heyl verwachen
Als vernoegingh van u Ziel?
Om u Vrienden te behagen
Reedt u self gheen eeuwich klaaghen
’t Sou mijn deeren soo t’gheviel.

Coningin van mijn begeeren
Pleeghdy my niet wel te sweeren
Dat gheen ander boven mijn,
En sou sitten in u harte?
Maar (helaas!) ick sie met smerte
Dattet niet dan woorden syn.

Heemel! mocht mijn seecker vresen
Slincx en loghenachtich wesen:
Dat mijn Hoop schielijck verrees!
Die nu Ziel tocht om te sterven,
Mits ick wantrou te verwerven.
Ach! dit is mijn grootste vrees,

Dat ghy hebt voor mijn verkooren
Een van hoogher stam ghebooren,
En driedubbel wel soo Rijck,
Een van langher lijf en leeden
En van goonscher grootsche zeeden
Doch in Liefd’ gheen mijns ghelijck.

Heeft natuur mijn niets geschoncken
’t Geen voor ’tvolc weyt doet proncken
Van Erfgoen, noch van gheboort,
Dat wil ick gheduldich draghen,
t’Is maar schijn en valsch behagen
Dat de Sotten licht verdoort

Laat u sulicx niet beweghen,
Doch mijn Rijckdom is gheleghen
Niet in ghelt maar int ghemoet:
Dat sal u o lief wel gheven
Een gheruster liever leven
Dan al ’t aarts en ’t Werelts goet.

Sou Jupijn soo licht bewegen
Met een cleene Goude reghen
d’Ysere Grendels van dit Huys?
De wachter op hoop van winnen
Den schender sou laaten binnen
By de saerte Danae cuys?

Die om ’t gelts wil hier verkiesen,
’t Alderbeste goet verliesen,
Dat’s de smaack van alle dingh,
De vreed’, en de soete ruste,
De Vrientschap en lieve luste,
d’ Onvereydeld’ vereenigingh.

Hier op volghen stadich knaghen,
Naeberou en droeve daghen,
Harten leet en langh ghequel:
Twisten straf en quaade vloecken,
Overspel en t’boos versoecken
Rasery, opt lest de Hel.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 13 januari 1998.