G.A. Bredero (1585-1618)

EEN LIEDT.

Op de Wyse: Ghy Lodderlycke Nimphe soet.

Ay Gulde Maan hout u jacht,
Laat ick mijn Lief in deese nacht
Mijn afscheyt gaen berayen
Op dat ick bly mach schayen.

Goddin de wyl ick schayde moet,
Ghedoocht dat ick mijn lusten boet
En jont mijn dat de reeden
Geniet de leste beeden.

Ick bid, indien het weesen mach,
Dat ghy vertoont den klaren dach
Van u vercierde Ooghen,
Die nu de Son vertooghen.

Gheluckigh sal ick schayden dan
En achten ooc gheen sterflijck Man
Onder veel duysent lieden
Soo waard’ oyt kan geschieden.

Maar neen, u hert blyft hart als steen,
Als wint en damp syn myn ghebeen
Voor u verstaelde Ooren,
Die nit syn om becooren.

Jofrou ic ga, ick schay van hier
En laet tot pant u een Revier
Van uytghestorte traaen,
Waar in mijn Ziel moet baanen.

Nu slaapt, indien u slaepen lust,
Blyft langh ghesont in soete rust,
Adieu, adieu Goddinne,
Mijn Vrou en Coninghinne.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 16 december 1997.