G.A. Bredero (1585-1618)

LUCELLE

EERSTE DEEL

EERSTE HANDELINGE.

Baron en zijn vrunt Adellaar.

Na dat ick ’t in de schaal mijns kennis heb gewoegen,
Vind ick hier voor de mensch het opperste genoegen
Gelegen int gesicht: want huyden morgen heeft
Oochschijnlijck my vertoont de schoonste die daar leeft
O ongelooflijck ding! die swinck die gaf my tevens
In een blick tijts meer vreuchts als de de lust mijn levens.
Onmogelijck is het my, uytdrucklijck met bescheyt
Te schilderen het beelt van haar uytnementheyt.

Adel. Vr. — Al waar genegenheyt het oordeel is bevolen,
Siet men de oordelaar int vonnis dickwijls dolen.
De Minne die is blint en oordeelt onvertsaacht
’Tgoet voor quaat, ’tlelijck schoon, na dattet haar behaacht.

Baron.— Neen ’t is geen onverstant dat my verkeert doet roemen,
Sy is gelijck de roos onder de schoone bloemen,
S’is als een Diamant uytmuntend en verweent,
Die door haar deucht verwint al’t edele gesteent.
Recht soo als deze twee al d’andre gaan te boven,
Soo moet men dese Maacht boven de Maachden loven.
Het Eylandt Kossen roem, en Prins der Schilders eel
Apelles diergelijck noyt maalden met pinceel.
Haar hayr, soo ick haar sach, lach saartelijk gevlochten
Wiens blickeren en glans de goude Son verpochten
Door kracht van’t levend gout, en weerschijn gaf het gloor
Op ’t hooge voorhooft, blanck als mellick wit yvoor.
Ick gis dat van zyn Moer de schutterlijcke jongen
Dit gout-draat tot een net de Minnaars heeft bedongen.
Den uchtent root-gekaackt, die ons den dach aen brengt,
Is met soo helder blos, als sy is, niet besprengt.
Roosen en Lelien, en een bevallich wesen,
En al het menschlijk soet dat kan men in haar lesen.
O schoonheyt ongemeen! onder wijnbrauwen net
Staat dat behoorlijck goet, die oogjens schoon geset:
Wat sech ick, oogen? neen, twee tintelende starren,
Waar de beschouwers haar ontwetend’ in verwarren,
Mits daar de kleene Godt al steels-gwijs bepiet
En vangt de gene die te nechtich haar besiet.
Haar Neus is soo beknopt, geschickt en wel gemeten
Dat niet daar op de Nijdt te schrollen soude weten.
Haar lipjes van Koraal die geven soetjes uyt
Een lieffelijcker lucht dan ’t voor-jarige kruyt.
En wanneer syse stelt om lieflijck te ontfoncken,
Betoovert sy het breyn, en maackt de ooren droncken
Door duysent treeckjes vol van schrandre boertery
En aarticheytjes loos, met een gelaat daad by,
Dat niemant wie hy zy, hoe oudt of jong van jaren,
Of hy snackt na een kus, of wenscht met haar te paren.
De kin, de keel, de krop, ja beyde borstjes mee
Die zyn soo wit, dat sy beschamen selfs de snee.
van’t ander swijch ick, als van onbekende dinghen.
Daarom sla ick u lof tot drie en viermaal singen
O Minne! die mijn sin geleyt hebt op een Maacht
De schoonste van Lyon, of die de aarde draacht.
Dies ick door mijn geluck my meerder mach verfroyen
Dan om de Grieksche vrouw den Konings soon van Troyen.
Want siet myn Nimphelyn is suyver, ongheschent,
Wiens maachdom dat ick hoop te plucken op het endt
Door trouw of anderszins. Adel.— Ghy roept alre gewonnen,
En hebt noch slach noch stoot, noch niet met al begonnen.
En ymmers weet ghy wel, wie eenich Stadt of plaats
Innemen wil met kracht van ruyters of soudaats,
Dat diese moet voor eerst opeysschen oft ontseggen
Ten viere of ten swaard, eer mense gaat beleggen:
Maar weygert men verdrach van vruntschap of van vree,
Dan wert bernadert en becingelt stracx de Stee
Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwercken,
Dan kat men kat op kat. Sta vast dan Toorens, kercken,
Het grof geschut dat komt. Dan treet men in de strijdt
En hitte des gevechts, om eens te zyn vrerblijdt
Met seeges lauren kroon, met ware rust en reden
Der ouweling lijfs gevaar en sware moeyelickheden.
Dit is de naaste wech die ghy moet wandlen in.
In ’tstuck van u Belech en soete vyandin.

Baron. — Haar schoonheyt heeft myn ziel alrede so gedwongen,
Dat ick de Min de plaats te laten ben gedrongen;
Daar heerschapt hy na lust soo treffelijck in mijn.
Dat soo ’k den strijdt-God was, sy souw myn Venus zijn.

Adel. Vr. — Doet wech dat misverstant, weecht over in u sinnen
Met wien ghy hebt te doen: ’tis d’al te stercke Minne.
De meester van de Goon, de dwinger van de mensch.
Die onse sinlijckheit bestuurt na wil en wensch.
De min is sichtleoos, kindts, veynsend’, logenachtich,
Wetteloos, trouweloos, onsuyver, onwaerachtich.
Sijn pijltjes zyn gedoopt in gift, in bloet of smeer,
Het wondt al wie het raackt, wie ’t raackt die heeltet weer.

Baron. — De alderbeste lien, voornamentlijck de Grooten,
De koude suffers meest verwerpen en verstooten.
Als ongeestich en boers, sy dencken in haar sin,
Dat sy zy onbequaam tot sake vande Min.
Sy oordeelen, dunckt my, om reden, seer rechtvaardich.
Want hy is Godlijck, meer als menschen eere waardich,
Vermits den Chaos eerst hem in de weerelt bracht,
Geboren met ontsach van heerlijckheyt en macht.
Gelijck een overheer en vader van de Goden.
Syn grootheyt sonder maat, syn eeuwige geboden
Werd gehanthaaft steets van al de Burgery
Des gulden hemelryckx, van welcken rijck dat hy
Van eeuw tot over eeuw en eeuwicheyts verouden
Tot heden op den dach de voochtschap sal behouden.
Het serffelijck geslacht der aarden, dat ontsiet
Syn heylicheyt, syn kracht, syn mogende gebiet:
Want als een aardtsche Godt wert hy hier aangebeden,
Tot een erkentenis van syn grootdadicheden.
Ick tart de gene die haar moeder op de test
Branden en blakeren, sy doen vry al haar best.
Met al de lange sleep van de neuswys kloeckers:
Van woorden-sifters, en van scherpe ondersoeckers
Des vruchtbaren Natuurs, dat sy met reden my
Eens seggen, wat de Min in eygen wesen sy.

Adel. V. — Ick ben verheucht en blijdt om dat wy syn getreden
In een so nutten als vermakelijcke reden:
Ist dat u heusheyt my soo veel gehoors verlient
Ghy wert na krancke kracht van my hier op gedient.
Dat uyt den Chaos eerst de Liefde is ghekomen,
’Tis waar, maar vaack wert de Min voor de Liefd’ ghenomen.
En dat wert by ’t verstant voor een faal-greep ghedoemt.
De Liefde die is Godt, oft Godlijk, na men’t noemt,
En hoort veel hoogher ’thuys als in die beuselingen.
De Liefde is de strick en d’eendracht van de dinghen.
’Tsy Hemelsch, oft ’tsy Aardtsch, Maar de Liefd’ die ghy raamt,
Die wert van yeder een Cupido meest ghenaamt,
Dat is gheseyt soo veel als dierelijcke lusten,
Of redeloose wil, veroorsaackt met ontrusten
In ’sMenschen teder hart, door’t peynsen dach en nacht
Op het geminde ding, datmen ter weerelt acht
De Min berooft de mensch van vreuchden en vryheyden,
Hy swackt de kracht des lyfs en doet de geest verscheyden,
Hy is der ouden doot en vyandt van de jeucht,
Hy ist die’t goede hart afleydt van’t perck der deucht
In eenen moortkuyl woest van sonden ongenadich,
Hy is en blijft in ongestadicheyt gestadich.
Hy wert geschildert vaack kints, moedernaackt en blint,
Om dat hy niet en weet wat dat hy wil of mint.
Maar andren om hem meer en beter te vertoonen,
Die doen hem schijnen een seer lieve, overschoone
En kuysche jonge Nimph, van’t hooftscheel af, tot daar
De buyck syn eynde neemt: het ander daar daar naar,
Als achterlijf en start, is van een draack fenijnich.
Dit Dier, of ongediert, lieflockend’ en schoonschijnich,
De menschen bloemtjes en de soete honich biet:
Maar wie dit bittre soet eens proeft of inne giet,
Die voelt zijn ingewant verscheuren en verschenden.
En hy besluyt zijn tijdt met een ellendich ende.
Wie dat de Min zyn hart op hoop van loon verhuurt,
Tis selden dat hy niet zyn suycker stracx besuurt,
Syn vreucht met droeve druck, syn winst met schand’ en schade,
Syn weelde met verdriet, syn jonst met ongenade.
Wel dunckt u noch de Min als ghy u inne beelt?
Wie meest de Min inruymt, zijn selven meest ontsteelt,
En ruylt zijn menschlijckheyt en edeldom grootgeestich
Aan boersheyt onbeschoft, en woesticheden beestich.
Homerus heeft daarom versiert en toebereyt
De lichte Circe, Vrouw van d’ongebondenheyt,
In dartelheden gayl en wellust opgetrocken:
Wie sich met haar vergreep, veranderde in Bocken,
In Beeren, Swijnen, en dus ander dom gediert.
Hier door ist sproockje eerst van IŲ oock versiert,
Die in een witte Koe al stommeling bequeelde
Het ongeoorloft werck dat sy met Jupijn speelde.
Maar doch dit fabel-boeck dat ons dien Heyden gaf,
Dat soeckt den Mensch door leer van’t quaat te leyden af.
Alexander, de grootste die d’Aard’ heeft gedragen,
Als hy het Persisch heyr en Darius had geslagen,
En wilde tVrouw volck niet, hoewel gevangen, sien,
Maar groetse: want siet, hy docht misschien,
Soo ick haar schoonheyt wil wat deeger gaan beschouwen,
Villicht werdt ick een slaaf van mijn gewonnen Vrouwen.
Daarom seyt eener wel: het sien en is niet goet,
’t Anspreken dat is quaat, noch slimmer die wat doet,
Amjanus Bisschop heeft zyn oogen uytgesteken,
Om dat hy al te nauw de Vrouwen had bekeken,
Een Roomsche Leo, Paus, hield af zijn eene handt,
Om dat hy had daar de Vrouwlien aengerant.
In’t kort de Minne doet verwelcken en verflenschen
De jonckheit en de jeucht, en wackerheyt der menschen.

Baron. — Ghy neemt der Minnen gront, dunckt my te qualijck in:
Maar my wispelt de spreuk des Schrijvers in mijn sin,
Die ick u heden wil verkonden en verklaren,
Die seyt: de liefde komt als twee op d’ander staaren
En dat het swinckje recht elckander wel gemoet,
En springt van oog in oog, en sackt in beyder bloet,
Tot binnen in de maach, en prickelt voor het harte
Vol nuwe wonden en vol angename smarte.
O soete bitterheyt! o heugelijcke pijn!
Ghy kunt door ander raadt (ach!) niet genesen zijn,
Dan door’t genaken van twee liefjes gelijksinnich,
Die d’ander lieven soet recht vriend’lijck en aanminnich,
Al spraackt ghy scharsend laast dat spreeckwoordt overluyt:
De Liefd’ gaat boven in, seyt ghy, en onder uyt.

Adel. V. — Ick heb mijn dagen noyt niet beters noch gelesen,
Als hem, die daar beschrijft de liefde dus te wesen:
Een ding, ick weet niet wat, het komt, ick weet niet hoe,
En ’tgaat, ick weet niet waar, waar door of waar na toe.

Baron. — Ghy spot noch met de Min, soo ich u hoor vermanen,
En over wijl en tijdt d’oude Athenianen
Die vondense so goet, soo heylich, ja so dat,
Dat sy hem joegen uit de vryheyt van haar Stadt,
Die niet beminnen wou, de burgerlijcken Rechten
Die dwongen tot de Min Mans, Maachden ende Knechten.

Adel. V. — Ick sech niet dat de Liefd’ is scheldens waart of quaat,
Maar dat haar wegen zijn vol nevels in der daat:
En dat de gene die haar waanden best te kennen,
Haar lieten allereerst bedriegen ende schennen,
Als Adam, David, Salomon, Absolon, Samson,
Hercules, Achillis, ja Paris en Iason,
En ontallijck veel meer van die vermaartste Helden
Der eeuwen afgeleeft: die al ter neder velden
D’ondrachelijkste Beul, de Minne, die Tyran.

Baron. — Met oorlof, Adelaar, waarom vervolcht ghy dan
Met sulcken naarsticheyt de jente Valleriecke,
Om wien ick so dick sach blosen en verbliecken?
Wanneer sy onversiens u ergens quam te moet,
Sach ick een groote storm en onweer in u bloet.
Hoe dick sach ick u staan gelijck als uytgetogen,
Ontreddert en ontmant van menselijck vermogen,
Als ghy de schoone saacht, de vrouwe van u siel,
Daar hart en harsens bey soo heftich op aanviel,
Dat ghy noch lijf noch le’en, noch spieren niet en roerde,
En niet dan het gedacht zijn ambacht uyt en voerde,
En staarden al gelijck als levendloos, tot dat
De sinnen uytgedacht van’t wondren waren sat.

Adel. V. — Tot mijn leetwesen, laas! soo maackt ghy u vertooning,
En bruyckt tot voorbeelt my, want ick heb geen vertooning,
Vermits ick al te diep hier in getreden ben,
Soo dat ick nu te ruch niet weder komen ken.

Baron. — Wel mach men dan de Min niet bruycken na u seggen?

Adel. V. — Men mach, maar men moet sien waar datmen die gaat leggen.
Beneffens dien acht ick het raadsaamste te zijn,
Dat men-se besicht als de vreugtmakende wijn,
Die soberlijck genut versterckt de Lichaams krachten,
En weckt de doffe geest tot schandere gedachten,
Vol snelheyt des vernufts: maar wies’ in tegendeel
Heel gulsich innegulpt, en swellicht door de keel,
Die smoort sijn sin en wet; en d’alder-eelste geesten
Veraarden onbesuyst in onreedlijcke beesten,
Waar van ons namentlijck dees twee voorschriften zijn:
Actaeon door de min, Alxander door de Wijn.
Daarom so moetmen sich na wijsheyts maat beheeren,
En doen voorsichtich als die’t swemmen willen leeren,
Die nimmer verder in het water sullen gaan,
Als daar sy inde noot wel seecker kunnen staan,
Of daar sy gants vermoeyt van’t woelen mogen rusten,
En tre’en te landewaarts, na ’tboeten van haar lusten.

Baron. — Wy vint dan nu gants eens, Heer Adelaar mijn Vrundt,
Ick ben op ’thoochst verlieft, en wil het minste punt
Voor u verswijgen niet: want ick vont niemant trouwer:
De Raadts-heer Kaponi, de groote Wissel-houwer,
Dat is de Vader van de welgheboren Maacht
Lucelle, die mijn hart verholen liefde draacht.
Doch k’ minse suyverlijck die Parel aller Vrouwen,
En hoopse tot mijn Bruyt oock wettelijck te trouwen.
Of schoon de Vader haar rijcklijk uytgeven sal,
Wat is zijn macht by’t mijn? och lacy, niemendal.
Mijn waardicheyt, mijn goet, mijn edelheyt van bloede
Doen ongetwyffelt my gelooven en vermoede,
Dat ick so kleyen saack, of hoe groot sy oock sy,
Versoecken sla aan hem, of hy en sla het my,
Om mijn grootachtbaarheyt, toestemmen en vergunnen.

Adel. V. — Sy souw geen meerder eer waarlijck ontfangen kunnen.
Daarom soud’ ick u raan
Eens mondeling te gaan
Den Vader selfs te spreken.
Soo hoefdy niet te smeecken,
Te vleye; ’tis te kints
Te breken so veel wints
Om ’t Meysje te behagen.
Ick salt de Ouders vragen,
Soo haast als ick het mien
Een endt daar af te sien.
Want als die willen lijen
Dan ist geen kunst te vrijen.
Als waar de dochter schier
Het aldertrotse dier,
Haar strafheyt is te breken
Met lang en lieff’lijck preken.
Maar buyten vrienden raat,
Hoe schoontjes datmen praat,
Hoe wel datmen can veynsen
En decken zijn gepeynsen,
Hoe seer de jonge Lien
Malkander mogen sien:
Of beyder sinnen vallen,
Het is al niemendallen.
Al hebmen ’twoortje Ja,
Het blijft al even na:
Dat weten sy die’t proeven
Met hartelijck bedroeven.
Maar trecktmen opter loop,
Soo raacktmen wel goet koop
Ten aldereersten swanger
Dat maackt dan noch veel banger.
Elck kijckt den ander an,
Sy hebben niet waar van
Om eerelijck te leven,
Die ’theeft en wilt niet geven.
Is yemant so voldoent
Dat hy het huw’lijck soent,
So wert het hem verweten
En op sijn broot gesmeten.
Maar treftmen dat een man
Die of noch an en kan,
Al doetmen hem versoeken
By Grooten en by kloeken:
Zijn Deensche kop Eenrins
Verstaatter toe geensins:
Dan looptmen af syn schoenen,
Slechts om een buick vol soenen:
Ivk heb ooch in dat gilt
Veel tyts onnut verspilt
Met loopen en met jachten
By dagen en by nachten,
In hagel en in snee,
In wint en winter mee,
Maar dit heb ick onthouwen,
Datmen niet mach vertrouwen
De aldergrootste vrient,
Die schoonst voor oogen dient,
Diens snootheyt is te vresen
Want met een vruntlijck wesen
En met de schoonste schijn
Zy vaak vyanden zijn:
Maar God moetse so schennen,
Dat men-se mach bekennen
Die vrient zijn in’t gelaat,
En vyant inder daat.
Mijn Lief swoer my in ’t leven
Te laten noch begeven.
Daar op is noch geschiet:
Maar hola! hooger niet.
Dan seker ’twaar te byster.
De lichtheyt van een Vryster
Is ’tlichtste datmen vint.
Ja lichter als de wint
Bevind ikc nu de woorden
Dien ick hier voormaals hoorden.
Maar nu het heeftet al,
Het is soo ’t blyven sal,
Ick loop myn spoor te buyten.
Maar endelijck in’t sluyten:
Gaat by de Vader selfs, en vraacht bescheyt met reen.

Baron — Die raat die is seer goet, kom gaan wy t’samen heen.

TWEEDE HANDELINGE.

De Vader en Lecker-Beetje.
’tIs acht maal seven Jaar in Sprockel darden dagh
Dat ick eerst ’tgroote licht des lichten fackels sagh.
Van dien dach tot op nu, dats tegenwoordich heden,
Ben ick van ongeluck noch eenich ramp bestreden.
Maar het beleeft geluck heeft al zijn loop bereyt
Gants na mijn wensch en wil, om mijn Godvruchticheyt.
En ’theeft aan alle ding volkomelijck gescheenen
Dat sy niemant meer gunst dan my en wil verleenen.
Als kruysten ick de Zee, al drieschten ick de wint,
Al puften ick de storm, al liep ick dol en blint
Door lagen roovers heen met koopmanschap geladen,
Ick quammer altoos door behouwen sonder schaden.
Ick heb so varr gereyst dat icker of verschurck,
VAn d’een tot d’ander Pool: gehandelt met den Turck
En met den Persiaan, met diefsche Arabesen,
Met Mooren geel en zwart, met schandere Chinesen
Aan Sarmaters en Schyt myn waren wel verkocht,
En goede wisseling altijts van daar gebrocht.
Mijn Schepen diep gelaan van boven tot de bomen
Zijn reys op reys gewenscht ter haven ingekomen
Mijn schulden stracx ge-int. Noyt leet ick banckeroet
Aan Wissel buyten’slants, noch achterstal aan goet.
Noch selfs den heeten loopt der woeste Fransche muyters,
Dt wilt versamelt volck van Knechten en van Ruyters,
Die ’t oude Vrancken-rijck afwurpen to in ’t zandt,
Die Steden roofden uyt en staken in den brant.
Die Heeren huysen groot en Dorpen streng afliepen,
Die de Mannen schatten, ven Vrouw en kint besliepen,
Die hebben van mijn haaf my niets onbruyck geraackt.
Ick ben geluckich door soo veel gevaars geraackt.
Ick ben schatrijck van gelt en groot van vrienden machtich,
In Stadt treflijck behuyst, op ’t lant noch wel soo prachtich.
Ick heb een eenich Kint, die al de weerelt seyt
Te wesen een Thresoor van ware suyverheyt.
Sy is alleen de stock van mijn verloopen dagen,
s’Is al mijn raat en rust: meer souw sy mijn behagen
En waar sy niet soo stuurs noch afwijsch van sin
Aan een’ge Edellyen, die ick van harten min,
En die om mynent wil haar eerlijck komen vryen:
Maar sy schijnt niet verkuyst met hoofsche klappernyen.
Noyt sach ick haar in ’t minst yet vry of vrolijck zijn.
Sy heeft anders geen wil als in de wil van mijn.
Sy oeffent de Musyck: maar boven alle leering
Acht sy de Rymery de Goddelijckste neering.
De Rederijcke kunst sy alsoo deftich pleecht,
Dar sy de grooten schrikckt innerlijck beweecht.
Een ding op mijn leen dat my noch yets sal rucken
Van dese zegening in sware ongelucken:
Want in de PoŽsy heb ick gelesen dit,
Dat Jupyn in’t gewelf des hoogen Hemels sit,
Tusschen twee vaten in, d’een is vol heyls en goede,
En d’ander is vervult met ramp en arremoede,
Uyt wien dat hy gelijck besproeyt dach ende nacht
d’Inwoonders van der Aardt, dat sterffelijck geslacht,
’tIs daarom dat Philips, vadre van Alexander,
Hem noyt verheugden in de neerlaach van een ander,
Of hy en badt de Goon, sy wilden doch dat soet
Vermenglen met yet suurs, op dat geen hoogemoet
Zijn edelharticheyt verwaandelijck sou schenden.
De Vorst van Samos die geen ongeluck en kenden,
Die noyt ter weerelt sach dat hem mislucken yet,
Noch geenich ding dat hem brocht treuren en verdriet,
Maar wat is hem geschiet in zijn geluckich leven?
Hy werdt schandtlijck gehenckt ot schande van zijn Neven:
Zijn rijck wert hem ontruckt, zijn goederen en al.
Hoe hooger in’t geluck, hoe nader de val.
Niemant en is soo wijs die hier weet van te veuren,
Wat ongeval dat hem noch namaals sal gebeuren.
Op d’alderhoochste berg stuyt meest de wint op aan,
De alderrijckste man mach hier niet seker staan.
Daarom leef ick altoos in hondert duysent vresen.

Lecker. — En niemant wil nochtans, rijck zijnde, arrem wesen.
Ick houdt met de rijckeluy, de beste van de Stadt,
Al syn’t maar plompe bloets en platters in haar gat.
Of sy van dit of dat, of nieuwers of en weten,
Wat baat de wetenschap? ja gaatter wat van eten.
Al had een man Salomons wijsheyt, of Samsons kracht,
Het hy geen geldt of goet, wat is hy toch geacht?
Ick segh noch, ick prijs de Klay daarmen de Botter om koopt.
Wat schaatet een man dat hy wat met de lymstang loopt
En offer schoon een huys vol malle kyeren of komen,
Se worden allegaar noch wel ten houwlijck genomen.
Want binje geck, binje vreck, binje geel, binje scheel,
Binje dol, binje vol, binje slof, binje grof, binje schrael, binje kael,
Binje dof, binje doof, binje blint, binje nes, binje bles,
Binje boos, binje loos, binje voos, binje out, binje kout,
Binje hoer, binje dief,
Heb je Geldt, ick hebje Lief.
Had ick maar wat van dat goet, daar men de handen met me salven,
Ick souw soo wel een wijf krijgen als deuse jonge kalven.
Neen miester, ’tgelt is de leus: ’tgelt is de bruyt daarmen om dangst,
Gants suycker elekaarten, had ick gelt, ick was een langst.
Het Gelt dat stom is,
Maackt recht dat krom is:
En gelt, gewelt en gunst,
Breeckt recht, zegel en kunst.
O baas, dat gelt dat weet wat; die daar heeft datter klinckt,
Die is over al wellekom, en krijght datter springt.
Daat is nu geen meer schand, noch oock geen grooter sonden,
Als datmen geldeloos en arrem wert bevonden.
Al leeft nu noch so wel een eerlijck arrem man,
Zyn rijcker sal hem nauw eens willen spreken an.
De vrome kaalis mach, wil hy, alleenich loopen:
Maer de rijckeluy hebben vrienden met hoopen.
En die den armen over mach,
Biedtse selden goede dach.
O dat gelt, dat noble gelt, dat maackt een man ontsien,
En doet hem met een graviteytse toorneteyt gebien:
Want elck groet bloots-hooft een machtige Ryckert,
En selfs staat zijn hoet vast op zyn kopp’ espykert.
Hy laatet soo met een verwaande grandissimo deur staan:
Maar koomter dan een schytbien, of sulcken leur gaan,
So nycht hy met de hoet en kyne schier aan de aardt
Voor die op tsestiende deel so veel niet en is waardt.
O Heerschip dat ick maar een weeck liep met jou brieven,
Terstondt souwen my wel dapper achten een deel groote dieven
Of had ick maer jou specioen, ick sou datelijk strack
Gaan hylicken metter vaart aan een moeye jonge sack.

Vader. — Wel wat souw g’er me doen? Leck. — Dat wil ickje wel seggen,
Maar ik owouse soenen en moytjes weer wech leggen

Vader. — En dan daar na wat weer? Leck. — Wel dat komt seker kloeck.
Wat meer? ick wodse sparen als begyne koeck.
Ick souse fijntjes in een schoon pampiertje rollen,
En sluytense voort wech, so souse mijn niemant of pollen.
Ick souse altemet by hoy en by gras, gy weet wel hoe,
Goeden dach hofstee, was ick byje, ich sprackje toe.
Ick souwer ten minsten niet op een heele Vaam genaken,
So souw ick immers niet diep in de kyeren raken.
Daar ben ick voor vervaart, want ’tis maar slaverny,
Die stroy-stronckjes met een feyl na te loopen, als ons Buurwijf Fy,
Die altoos arme sloof sit rondom inde ayeren,
En waarse gaat of staat, komt met dat krijtend goet an bayeren.
Maer of ick schoon so mal noch worden alsen mens,
Ick hadder haast genoech an een rijckeluyer wens.

Vader. — Ja Lecker dat waar goet, kon gy dat so bespreken.

Leck. — Wel ken men niet? so wil ick daar een speltje by steken.
Wel sommige luy doent nochtans so, is mijn geseyt,
Hoe komt dat? of hebben sy heur ayeren eerst uytteleyt?
Gy hebter ientje, en Dignum Fockels hetter twietjes,
En jou moers bestemoers moers susterlinx recht susterlinx
Afters kynts kynts Meutje Martens petemoeys dochters
Dochter, Anne Koomen Rijns hetter dryetjes.
Hebt gy tsamen so oppeset? of ist geslachts schult?

Vader. — Een ygelijckx getal wert van den Heer vervult.
Kindren zijn gaven Gods, hoewel veel rijcke wijven
Om kinder vruchtbaarheyt de arremen bekijven:
Gelijck of de natuur haar dese vruchten gaf
Tot een vervloecking, of tot haarder sonden straf.
Tkomt door Godts schicking, niet door het beleydt van menschen:
Tgeluck geeft wat het wil, en niet na dat wy wenschen.
Ick heb al wat ick denck, ick sie al wat men lust.
Ick krijch al wat ick droom, dus is mijn hart gerust.

Lecker. — Ja dat geloof ick wel, ’k souw oock wel zijn te vreden,
Had ick dat gy hebt. Lest had ick fortuyn gebeden.
Dat sy mijn doch ien reys wat gunstch wou gebien,
En mijn bequaamtheyt met een smerich officy versien,
Hier yeuwers in een vette gladde kostelijcke koken
Want ick verstaamen geweldich op ’t koken en smoken,
Doch ick vaar nimmer beter dan als ick wat eet,
Dan denck ick om geen lijen, om geen lief, noch om geen leet.
Soo haast en hoor ick niet de Ketels en potten preutelen,
Of mijn darmen beginnen van honger te rasen en te reutelen.

Vader. — Schaamt u ghy meuge-veel, mijn dunckt dat het geluck
Voor u maat doet te veel int tegenwoordich stuck.
Foy ’tis een gulsich ding soo gulsich staach te soppen.
En tot den naars den darm soo beestich vol te proppen
Men overlaadt de maagh, men vult daar me de pens,
Men wert op ’tlest in als een vercken van een mens.
Met set een rifjen uyt, men gaapt en blaast onlustich,
Men kan noch gaan noch staan, men droomt en slaapt onrustich.
De sinnen sy bedampt, het hart swemt in het smeer,
De ooren groeyen toe, men weet van God noch leer.
Of schoon daar veel door ’tswaardt een vroege doot verwerven
Men siet door overdaat noch meerder menschen sterven.
Ick leef op mijn dieet. Ghy versint u, mijn borst.
Die daar drinckt sonder dorst,
Die daar mint sonder lust,
En sonder liefden kust,
En die daer eet sonder honger,
Die sterft wel seven jaar te jonger.

Leck. — En dat ick snacken kon op zijn Hoogduyts! ick sou bewijsen,
Dat de Kooken-kunst boven alle Konsten is te prijsen.
Want wat doet dat men sich in ’s Princen dienst begeeft?
Maar datmer een groote tafel houdt, en lecker leeft.
En schaftmen niet vol op van alderley gerechten,
Soo wert den Heer bekalt van jonges en van knechten.
Leeft dan, o Kooken, leeft! mijn eenich toeverlaat!
Mijn welvaren! mijn troost! daar al mijn hoop op staat!
De gayle Vryer mach zyn Vryster soo niet minnen,
Als ick de Koken doe. Mijn liefste! mijn vriendinne,
O Koken! o mijn hart! ghy maackt men wel so groen,
Ick weet niet wat ick wel om jouwent wil sou doen.
De koken, lieve baas, die is so uytgelesen,
Dat elck die bemint om heur soetsapich snollich wesen.
Wie maar de koken siet, die werter af verblijdt:
En daarom werts’ oock van Jan Alleman gevrijdt.
Hoe waarlijck datse zijn, hoe geestelijck, hoe heylich,
Elck ach de koken hooch, ja lievens waard, en veylich.
’Tis mijn onmogelijck om u te doen verstaan
De frayicheden die ter koken omme gaan.
Item inden eersten siet men daar onderhouwen
Een streng en scharp gerecht, dat mer of ysen souwen:
Daar wert onthalst, onthooft, gehangen en gesoon,
Gebraan, gedroopt, gedrenckt, door kocx, door beuls, door boon.
Op sijn Griecx, op sijn Turcx, op sijn Pools, die menkander verpocchen
Met Olipodrigo, met grutten, en Westphaelsche jocchen.
Men onderhoudt dat recht daar niet om kat of hongt,
Die men altets werpt een hauwbeet in de mongt,
Maar om wat aars, die’t wist, dats om de Mater en de Pater.
Ten tweeden men werter gedient met klaar en warm water.
Wie sou mijn lochnen dat de koken niet verstreckt
Een Corps de garde van’thuys, daer men wel hulp van treckt?
Want komt u buytenluy of andre gasten over,
Men treckt maar by de schel, of men roept maar wat grover,
Terstondt siet men daar uyt in ordinancy treen
Heele legers met volck, bequaam in haar geleen,
D’een met een schapen-bout: dees met een karmonade,
Een ander met een hoen, sommige met salade.
Die stootje daar voor uyt gewapent met een schilt
Van een potdecksel, hey gants bloet dat staat soo wilt.
De snoeckdragers aldaar ter monster vry passeren
Voor lustige piekeniers, die met haer bree geweren
Al snijen watse sien. O wonderbaarlijck goet!
Sy laten ongeschent wat datter oock gemoet.
Wie sou u, o mijn Heer, haar deugden al voorstellen?
Men sou eer (geloof ick) de druppels konnen tellen
Die daar druypen uyt jou koutvorstige neus. Merckt, wat doet
Dat elck in zijn beroep soo arbeyt en soo wroet?
Segt, isset niet om dat de koken wel sou rooken?
O soete, lieve koken, die de harten soo weer te strooken
En beschermt voor ’t graveel, voor de koors, voor ’t kolyk,
Voor ’tPodagra, voor schiatica, voor de gelu, voor de fijck,
Voor Hooftseer, voor maag pijn, voor vaak in de tangden,
Voor trillen en schudden in armen, beenen en hangden.
O die in de koken is, die is altoos wel bevrijdt
Voor de Malcontenten, voor de moeskopers, voor oorloch en voor strijt.
Sijn goet wert hem niet gerooft, gebrandt noch gebroken.
O heylige veylige vryheyt en blijheyt van de koken!
Wien dat u maar geniet is buyten alle noot.
Want soo men seyt, dat blijft geen kock voor de koken doot.
En wien dat wel koken kan, krijcht elck eens genegenheyt,
En raackt in een goe keucken, en daar krijcht men gelegentheyt
Om te eten leckerbeetjes, leckerbeetjes goet en soet
En leckerbeetjes en leckerbeetjes die maken goet bloet,
En goet en versch bloet maackt een goe gesteltenisse
Des lichaams. Siet meester, so fijn en fix isse,
Dat sy de mensch in meer gesontheyt hout,
Dan al lapsalvery van salf, van smeer, en smout
Van al de qackverkoopers en timmerluy van menschen.
Daarom heb ickse gewenscht en salse altoos wenschen.

Vader. — Lecker dat hebdy wel en wonderlijck geseyt
Met een Ciceronische treck van welsprekentheyt.
Ick vrees niet anders dan dat ghy dit sult bederven,
En dat ghy in de huyt noch van een geck sult sterven.
Maer doet Ascagne dus, en raast hy dus als ghy:
Tis inde tweede maant dat hy eerst quam by my,
By my hier in de dienst; maar ick en sach mijn daghen
Geen jongling die hem souw beter konnen dragen.
Hy is sober en stil, naarstich, getrouw en vroet.
Weselijck en beleeft: in als so opgevoet,
Al waart een Princen soon. Hy spreeckt van alles schrander
In vierderleye taal, elck netter oock als ander,
Als Italiaens, en Spaensch, oock Fransch en goet Latijn.

Lecker. — Poep! dat is niemendal, ick kander mier als ien dosijn,
Ja wel ien heel half vijfentwintich, mien ik op mijn spraak bykangs.
Ick kan Amderdams, Haarlems, Haachs, Dorts, Delfs, Layts,
Hoorens, Enckhuys, Medenblicx, Noorders, Waterlangs,
Updams, Munckedams, Broecx, Raareps spreeck ick hiel wayts,
Oock Purmereynts, Oosaans, nou maack ick niet veul werckx
van’t Houtewaels, van’t Jaaphannes, van’t Diemes, van’t Ouwerkerckx,
van’t Amsterveens, van’t Overtooms, van’t Slotens, van’t Sloterdijcx,
van’t Heynboons, van de Katuyser, en al die preutel. Vader. — Noyt hoord ick desgelijcx.
Ick kan my waerlijck van lachen wel bedwingen.
Haalt mijn Ascagnes hier, op dat hy van mijn dingen
Een weynich my bericht, hoe dat de saken gaan,
Fluckx, Leckerbeetje, voort, waar na soo blijfdy staan?

DERDE HANDELINGE.

Carponny, Lecker. Ascagnes komt uyt.
Lecker. —
Komt voor Ascagnes hou! in wat gat mach hy steken?
Hoorje niet, jongen? Hier, mijn miester wilje spreken.
Ascag. — Waer is hy? Leck. — Wel siet daer. Vad. — Heeft Signoor Hans betaalt?
Ascag. — Ja mijn Heer ick heb’t eergisteren gehaalt,
En heb beneffens dien de brieven van Castilie
Beantwoort en ick kreech strack schrijving van Sivilie:
De gewoonlijcke Post en Bode van Milaan
Heb ick gesproken oock, en heb van haarlien verstaan
Als dat sy brochten u van Honckheer Jan van Deelen
Eenige packjes gout, met brieven van juweelen.
Ick heb ter Beurs gehoort, dat ’tschip de Swarte Vis,
Dat na Peru toe was, oock aangekomen is,
Wel rijckelijck gelaan, het sal seer veel uytgeven.
Vader. — De Heere sy gedanckt, ick hadt al door geschreven.

VIERDE HANDELINGE.

Margrieta en Lucelle.
Lucelle —
Ick weet niet Margariet,
Wat dat myn is geschiet,
Wat mijn is opgekomen,
Wat ick heb ingenomen
Of wat voor dampen mijn
In ’t hooft geslagen zijn.
Die soo diep zijn ingaande,
Dat sy ’tsedert twee maande
Mijn stage vrolijckheyt
Verandert heeft in leyt:
Mijn lacchen (laes!) in grynen,
Mijn jecht verkeert in pijnen,
En myn gesontheyts kracht
Geswackt heeft tot onmacht.
Het beste van myn dagen
Verslijt ick (och!) in klagen,
In treuren en in wee:
Mijn oogen my een Zee
Van traantjes streng uytparsen.
Daar leyt yet in mijn harsen
En ’twemelt door mijn bloet,
Dat my dees quelling doet,
En treckt door al mijn leden,
Sinnen en sinlijckheden,
Ja ’twribbelt soch soo vart
Tot midden in mijn hart,
Daar voel ick’t vaak opdringen
Met veel veranderingen.
Ist dat ick sta of sit,
Ick werde root of wit,
De vlammen my opstygen,
Die flaeuwelijck versygen.
Al doe ic my al los,
Het klappend’ blosend’ blos
Tuycht van mijn soete smarte,
En weedom van mijn harte.
Wat men ter weerelt siet
Is my niet dan verdriet,
En ick mach voor mijn oogen
Doch niemant niet gedoogen.
Den reuck dunckt my een stanck
En louter gal mijn dranck:
De spijs die staat mijn tegen,
’k Ben nieuwers toe genegen,
Want ’teten heeft geen smaack.
Ick koor, ick spouw, ick braack.
Al is de nacht geschapen
Tot rusten en tot slapen,
Ick leg, en krijg geen vaack,
Ick doe niet dan ick waack:
Ick wacht met duysent sorgen
Na de gewenschte morgen.
Ick wend’ my heen en weer,
Maar werwaarts ick my keer
’tIs nimmermeer te degen.
Dan is mijn hals verlegen,
Of ’tschort my hier of daar,
Ick val van ’t een op’t aar,
Heel woest en wispeltuurich.
Geen ding is soo geduurich,
Als het gestadich leet,
Dat my verterend’ eet.

Margr. — En soud’ ick tot u pynen
Geen middel konnen vynen
Komt, segt my maar u quaat,
Misschien weet ick wat raat,
Of salse sien te krijgen.
Soo lang de sieke swijgen
En sussen haren noot,
Soo wert de quaal vergroot.
De sorgelijcke wonden,
In tijds versien, verbonden,
Staan soo geen avontuur:
Maar daar men de quetsuur
Laat ongeacht vervuylen,
Daar barst sy uyt door buylen
Vol etter, bloet en stanck,
En ’tmaackt den mensch soo kranck
Dat de Surgynen vreesen
De sulcke te genesen.
Dus spreeckt u letsel uyt,
Ick zal de kracht van ’t kruyt
Door Docters kunst uytpuuren
En u te hulpe stuuren.
’tWaar jammer dat een maacht
Soo seer sou syn geplaacht,
Soo lang der Artzenijen
Hier in d’ Aptekerijen
Te krygen syn om gelt.
U hart te vreden stelt.
Of syn’t sulcke secreten,
Dat ick nu niet mach weten
Waar ’t u in ’t lichaam schort?
En doet u niet te kort.
’k Weet soo ervaren vrouwen,
Die moochdy’t wel vertrouwen,
Al waar ’t oock vry wat quaats,
Sy weten vry wat raats.
Hoe sydy soo neerslachtich?
U Vader die is machtich,
En heeft u so bemint
Als yemant out zijn kint,
Al souw hy’t liever derven,
Eer dat hy u sach sterven.

Lucelle — Al is mijn Vader rijck,
Al heeft hy gelt als slijck,
Al heeft hy myn verkoren
Het is noch al verloren.
Syn macht, noch oock syn gunst,
Noch als des weerelts kunst
En kan my doen ontfangen
Daar ick meest na verlangen.

Marg. — Wel ist myn Ziele dan?
Maackt daar geen swaarheyt van.
’k Wil om u lieve leven
My in de doot begeven.

Lucelle — Ach! ’tis Ascagnes, ach!
Die’k niet verkrygen mach.
Steets voor mijn oogen swieren
Syn schoonheyt van manieren,
Syn hoffelijck gelaat,
Syn blygeestige praat,
En syn volmaackte leden,
Verciert met edelheden.
Die hebben my gerooft
Myn vryheyt. Marg. — Ick gelooft,
En siet, Lucella, klaarlijck
Wt u gesicht, en waarlijck
Wie dat Ascagno siet,
En siet ten eersten niet
De rijckdom van syn gesten,
Dat trots en tart de besten.
Syn geestich snel vernuft
De grootste Prins verbluft:
Syn woorden syn lieftallich,
Syn wesen is bevallich.
Sijn standen staan gheplant.
Al wat hy treckt ter handt,
Gheschiet in sulcker wijsen,
Dat yeder dat moet prijsen.
Hoort, luystert eensjes toe,
Daachs voor eergistren doe
Sy inde boomgaart saten,
En juyst quamen te praten
Van paarden tuysschery,
En onder ander hy
Begaan daar van te spreecken.
U Vader gaf een teecken,
Dat men het Spaansche paart,
Twelck hem is lief en waart,
Souw rusten met den Sadel
Ter eeren van den Adel,
Die by hem waren doen,
En wandelden in ’t groen.
   Na ’tkuysschen en bereyden,
Twee stalknechts tsamen leyden
Dat vrolijck-hartich dier,
Dat met een blijt getier
Tgeselschap scheen te groeten,
Het neychden met zijn voeten,
En ’t bruysden schuym sneewit
Door ’t waulen op ’tgebit,
En ’tliet hem lustich hooren,
Opstekende zijn ooren,
Als had het uytgetart
Yder beschouwers hart,
Twelck Vader oock begeerde
Dat yglijck heus afkeerde.
   Ascagne had terwijl
Sich toegerust in yl,
En quam daar angetreden
Vol moets en dapperheden,
Gelijck de Son bewijst
Sijn grootsheyt als hy rijst,
En ’t hooft vergult met stralen
Treet door des Hemels salen.
Na dat hy had gegroet
De Heeren en haar stoet,
Soo is hy onbedwongen
Ter sadel ingesprongen.
Het hoogmoedige beest
Verheuchden in zijn geest
Door d’Edelen beschryer
En bronsten dies te blyer.
Het trat gelijck een bruyt
Brallend’ ten boogaart uyt
De hoeven noch de teenen
Geraackten nauw de steenen.
   Maar doen’t nu buyten was.
Doen gingt een styver pas,
Dan soetjes, dan weer saffjes,
En dan weer propre draffjes,
En ’t stack steets moedich op
Sijn schoone korte kop,
Die’t yder liefflijck gunden.
Maar doen sy tsamen runden,
Het scheen dat man en paardt
Sou storten stracx ter aardt,
Ach het viervoeten yslijck
Na die loop heeft hy wijslijck
Het jachten wat geschort,
En opgehouwen kort,
En voort heeft hy met springen,
Met knielen, en met ringen
En brillen in het sant
Te maken zijn verstant
Volkomen uytgegeven.
Ick en sach van mijn leven
Niemant, ick segh u dat,
Die soo te paarde sat,
Noch niemant so besleepen,
Syn toonen nauw de reepen
Genaackten; zijn geweer,
Sijn kleedren, en zijn speer
Ter hant en lichaam passen,
Al waarter angewassen
   Wat onse Ruytery
Die heefter gants niet by,
Sy sitten gelyck boeren,
En kunnen haar niet roeren,
Sy sacken met haar lijf,
En houwen haar soo stijf
Als staken en als stocken,
Hy weet niet eens van schocken.
Al loopt het als een schim,
Al willens sy hy slim,
Recht of hy steets sou vallen,
Maar meenter geen van allen.
Hy mendet paart dan slincx
Dan rechts, dan syelincx,
Dan achterwaarts met schooren
En noopten hy’t met spooren.
Het sprong gelijk een droes,
En ’t swoegden wonder kroes
Met blasen en met roncken.
In ’t kort het quam anproncken,
En ’twas soo wel ter handt,
Als eenich paart in ’t landt.
Maar hy kon’t soo afrechten,
Puf pyckeurs en stalknechten:
Een yder prees het beest,
Dan doch den ryer meest.
   Wie isser die de vrouwen
Soo wel weet t’ onderhouwen,
Gelijk Ascagnes doet?
Als waar hy opgevoet
In ’t hart van ’sweerelts steden,
Soo mocht hy doch met reden
Niet beter zijn verciert,
Noch hooger gemaniert.
Hy weet een kouwt te maken
Van landen, steden, saken,
Soo scharrep van vernuft.
Dat yder sit en suft.
En wie dat hem siet speelen,
Die denckt in alle deelen
Voor seker anders niet,
Dan hy Apollo siet
En komtet te gheschieden
Dat hier de Edellieden
Eens maken een bancket
Soo kostelijk als net,
Hy werdter stracx gebeden,
Om zyn vermaacklijckheden.
Mijn Vrouwe niettemin,
Ick bidd’ u, siet dit in,
Datmen heden ten dagen
Soo vele niet en vragen
Na vroomheyt van gemoet,
Als na het tytlijck goet.
De deucht wert niet gerekent,
Al is hy schoon welsprekend,
En of hy’t alles kan,
Men sal u aan een man
Die machtig is besteden.
Och Heer! de goede zeden
Die zijn nu niet geacht,
En hebmen geen geslacht
Soo even als de grooten,
Soo wortmen stracx verstooten.
Maar kompter met wat goets
Een knecht, al is hy broets,
Gelijck veel ouwe klouwers,
Al hadden schoon zijn ouwers
Een weynig gevrybuyt,
Ter Zee gerooft, geruyt
En d’armen onderkropen
Het goet, en uytgesopen,
Dat neemt men niet soo nauw.
Sulck vollick noemt men gauw
En ’twinnen dat is eerlijck,
Al smart het and’ren deerlijck
   En Ascagnes, als ghy weet,
Die heeft toch nietten beet.
Dit moet ghy overleggen.
Hy schaamt hem niet te seggen,
Als dat zyn vader bloot
Met visschen wint zyn broot,
En dat zijn schaamle moeder
Hout kramery en voeder.

Lucelle — Wat daar gheef ick niet om,
De ware edeldom
Die moet uyt deuchde spruyten.
Ick acht geen rijcke guyten,
Hoe groot sy zijn van staat,
Als sy het goet en quaat
Niet kunnen onderscheyden.
Noch al zijn geesticheyden,
Die in hem zijn soo veel,
Dat ick hem houw voor eel,
Voor eel en wel gebooren,
Dies heb ick hem verkooren.
   En wat het goed aangaat,
Dat heb ick boven maat,
En ’twast noch alle jaren.
Doch om dat te bewaren,
Soo schort my maar een man,
Die dat regeren kan.
Daar toe neem ick hem an,
Wel grootlijcx tot mijn voordeel.
Want hy heeft seer goet oordeel,
Verstant en kloeck beleyt
In overvloedicheyt.
Maer ’tis met mijn t’ondegen.
Het staat nu so gelegen:
Of ick moet haast vergaan,
Of hy moet haast verstaan
De smarte van mijn sinnen
En heymelijcke minnen.
Dan doch hy is te schuw,
Lucelle, en voor u
En sal’t niet willen vlijen,
Den Jongling te vrijen.

Margr. — Siet altoos wat ghy doet,
En weest wel op u hoed,
Want vond’ u oude vader
U beyden eens te gader,
’Tliep qualijck met u of.

Lucelle — ’Ten souw, ick heb verlof
Verkregen, na begeeren,
Dat hy mijn wat sou leeren
En wysen op de luyt.
Margrieta treet eens uyt,
Bidt hem van mynent wegen,
Dat hy sich veronlege
Te komen ten aanbijt
Ten na-noen, wat goet tijt.

Margr. — Ick sal gaan doen mijn vlijt.

Eynde eerste bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 oktober 1997