G.A. Bredero (1585-1618)

LUCELLE

TWEEDE BEDRIJF

Eerste Uytkomen.

De Vader en Lucelle.
Waar sydy lieve kint, mijn dochter-lief, komt nader,
Komt hier mijn halve ziel, komt by u eygen vader:
Op dat ick met u spreeck van een saak, die ick weet
Dat u verheughen sal en my sla wesen leet.

Lucelle — Wel hoe, mijn Heer? wel hoe? de schakels van u pijnen
En zyn die dan niet vast gekloncken an de mijnen?
Wat ist dan, dat u smart, en dat my niet en deert?
Seght op, soo’t u gelieft, wat ist dat ghy begeert?
Ick snaker na, mijn Heer. Vad. — Wel luystert op mijn seggen:
Monsr. Henry de Baron die quam my vooren leggen
Met statelijcke reen, of ick niet was gesint
Te geven u aan hem? het welck ick, o mijn kint,
Heb an, noch of geseyt; doch dat ick u behagen
En uwe wil en raat een antwoort soude vragen.
Ick denck, dies ben ick droef, dat ghy ’tsult slaan ter handt,
Want hy van Adel is de treffelijcxst van ’t Landt.

Lucelle — Tgebieden staat aan u, en my sal’t gehoorsamen
Van uwen wil en raat gevoeglijcxst betamen.
Maer mijn Heer vader-lief, ick ware meer verblijdt,
Indien ick by u mocht noch blyven voor een tijdt:
Op dat ick mocht mijn dienst en vlyticheyt besteden
In ’t gereckelijck onthaal van u vertramde leden.
Want hoe ghy meer den loop uws levens hier vervult,
Hoe ghy my meer van nood gewislijck hebben sult.

Vader — Soudy dan waarde kint, wanneer ghy quaamt te trouwen,
U voldoende gewoont niet willen onderhouwen?

Lucelle — Mijn Heere, ick geloof, dat ick in sulcken schijn
Niet beter moog’lijck souw dan al de vrouwen sijn,
Die als sy zyn gehout, door liefde tot haar mannen
En kleene kindertjes, het medelijden bannen
Uyt haar gemoet en hart, en laten d’oude lien
In haar ellendicheyt, daar sy niet eens na sien.
Maar dat sy var van my. Ick sal, ist u behagen
U dienen nacht en dach, en bet als out mijn dagen.
’Tis my van harten leet, dat ick niet dencken ken
Meerder eerbiedicheyt, als ick u schuldich ben.
Dus bidd’ ick vriendlijck met oogen neergeslagen,
Dat ghy den Heer Baron wilt desen antwoort dragen.

Vader — Warelijck in dit stuck soo speur ick, o mijn kint,
De goe genegentheyt, daer ghy my met bemint.
Dies ’tvaderlijcke hart dat brandt my lancx hoe heeter
En ’tdistilleert myn liefd van beter in noch beter.
Ick sal hem uwe wil beleefd’lick doen verstaan,
En dancken hem met een van d’eer aan ons gedaan.

Tweede Uytkomen.

Lucelle met haer Spelline Margriet.
Margrietgen singt my eens mijn droevich truerich liedt
’Tgeen dat ick heb gemaackt gelijck ghy selfs wel siet,
Ick sing mijn droefheyt, ick verbly mijn in mijn klachten
Om te versoeten het verdrieten van mijn wachten:

Op de Wijse: O schoonste Persoonage, &c.

Lof Moeder vande Minne,
Met u geswind en schutterlijcke jongen,
Die mijn verneerde zinne
Wel eer met eer en achtbaarheyt ontfonge.
Ghy die ’tgemoet
Soo vrolijck voet,
En zalicht steets met vreuchden,
Kompt daalt hier bymen,
En leert my konstich rymen
Myn liefs deuchden.

O schoonheyt net besneden
Van leest, van schick, van swier, van stal, van standen
Van uytgelesen leden,
Van hooft, van hals, van heupen, en van handen.
Niet rang noch vet
Maar wel gheset.
Bevallich en behendich.
Doch grooter gaven
Syn in u ziel gegraven,
Noch inwendich.

Och wat volmaackte reden
De wyse mont met val en vlot ontslippen
Die met verstandelheden
Eerst zijn gekleynst door’t breyn en lieve lippen.
In sonderheyt
Met onderscheyt
En kennisse der dinghen,
Door dit opmercken,
Geen woorden noch geen wercken
Hem ontspringhen.

Sijn hooghe geest doorluchtich
Weet met de Pen te schildren en te schrijven:
Soo aardich en soo kluchtich,
Dat ons gemoet en sinne ’tsamen kijven,
Of ’tware sijn,
Of stoffeloos schijn
Voor onse geesten sweefde.
Hy maalt het vrijen,
Het rechten en het strijen,
Of het leefde.

Ick prijs Lief u manieren,
Ick roem in rijm van u hoochdragend wesen
Al wat ghy keunt versieren,
En wat ghy looft, het wert van mijn gepresen.
Ick lees en schrijf
Om tijt verdrijf.
Lust my te Reden-rijcken,
Ick soek in vele,
Maar hope dy ten deele
Te gelijcken.

Ghy die my plach te leeren
Het Goudt, gemijnt uyt ’tlichaam vander aarden,
Lof-hartich te ontbeeren,
En ’tsienlijck goet te achten na zijn waarden.
Maar boven al
In ’t aardsche dal
Het Hemelsche te wenschen:
Want sulck verkiesen
En baart geen swaar verliesen
Voor de menschen.

Wat baat my nu dit weten,
Mijn kloecke kunst, u leerelijcke Lessen,
Als ghy mijn wilt vergeten,
O Tovenaar van Joffers en Princessen!
Die mijn bekolt,
Ja rolt en solt
Besweert en keunt belesen,
Moogdy myn haten,
Of dus ellendich laten
In dit wesen?

Magr. — Beginnen , Gespeel, u aderen te rijsen?
Siet daer Ascagnes al gereet om u te wijsen
De grepen op de luyt? Wilje ick eens brem
En wenck hem hier by ons Luc. — Och neen, och ja, roept hem.

Magr. — Ascagnes, komt hoog ter kamer van Lucelle,
Haar luyt is wat ontsnaart, ghy moetse wat verstellen.

Lucelle. — Ascagnes sydy daar? Godt geeft u goeden dach,
Met al wat men een vrient ter weerelt wenschen mach.
Het schijnt ghy syt beswaart met sorgen, die ick achte
Dat van de liefste komt, die u misschien mach wachten.
Waar sydy doch altijt, dat m’u soo luttel siet?

Ascag. — Vergeeftet my, Jofvrou, ’kben so geluckich niet
Dat yemant my bemint: oock heb ick niet verkooren
Want ick denck dat mijn lief noch niet en is gebooren.

Lucelle. by haar selven Ach suldy jonge maacht soo stout wel sijn van sin.
Dat ghy soo onbedocht verklaren soudt u min
Een slecht man? een vreemdeling? een gants onbekende?
Ick moet. Ach! ’tis gewelt, mijn raat is al ten ende.
Sy gaat by hem. Ist mooglijk Ascagne, dat ghy noch niet en vrijt
Daar ghy nu in de bloem van uwe jonckheyt zyt?
Ghy die soo wel gheschickt en aardich weet te leven,
’Tis vreemt dat ghy u niet tot minnen kunt begeven
Eenige groote Vrouw, of Joffer van de Stadt,
Die hier niet weynig zyn, waar saachdy, segt mijn, dat
Hem eenigh Edelman soo koel oyt heeft gehouwen,
Dat hy, gelijck als ghy, ’tgheselschap schouwt van Vrouwen?
Den Adel is voorwaar al heel van ander stof,
Sy sijnder liever by, ghy sijtter liever of.
Wie weet hoe dick dat sy versierde namen dichten
Als van gebuur, gevaar, speelnootje, en na-nichten?
Onder welck decksel dat de Hovelingen bly
Gebruycken onbenijdt haar soete vrijery.
Maar ghy treckt niet ter hant als een deel muffe boecken,
En wilt juyst op een prick der dingen gront opsoecken.
Laat voor de suffers grys het kibblen in schriftuur,
En vollicht ghy den loop van d’edele natuur.

Ascag. — Mijn vrouw, soo’ck immer kreech gedachte soo hoovaardich
Dat het om minnen docht, ick achte my niet waardich
Dat my van eenich vrouw yet goeds souw mogen schien.
Maar dat het soo geviel dat ick het quam te sien
Dat sy mijn jonst toedroech, het souw veel-licht geschieden
Dat ick wierde soo stout myn dienst an te bieden
Op hope of sy haar mocht komen eens te pas
In sulcke saken daar sy wist den noodich was.
Doch ’tmeestendeel waarom ick ’t hebbe laten drijven,
Dat was uyt vreese dat verachtert soude blijven
Den handel van u Heer u Vader. Die den loop
Der minnen wil voldoen, haalt niet veel over hoop,
Want veel die reuckeloos haar het selfd onderwonden,
Die hebben sich int lest qualijck geloont gevonden.
Daarom docht myn, Me-vrouw, ’tis beter stil gestaan,
Als arbeyt te vergeefs met kleynen danck gedaan.

Lucelle. — De vergelding bestaat in ’s gevers onderscheyden,
Die merckelijck let op ’spersoons waardicheyden.
Mijn dunckt het souw voorwaar wel zijn een lompe vrouw,
Die u minlijcke jonst afslaan of weygren souw.
En soo veel myn belangt, ick kender heden eenen
Die om u liefde lang en bitter heeft gequenen.

Ascag. — Boert vry, soo’t u belieft, want ick ben te gering,
Dat yemant minnen sou dees arme jongeling.
Genomen oft soo waar, soud’ ick niet mogen weten,
Waar dat dees Jofvrou woont? of hoe sy is geheten?

Lucelle. — Ascagnes sydy dom? kendy de maget niet?
Het is Lucelle selfs, de gene die ghy siet.
Ick bent helas! ick bent, ick bent die u beminne.
Ick bent die’t Nood-lot noyt gedoochden, dat mijn sinnen,
Noch dat mijn weecke breyn in ’t minsten was beroert
Met liefd of sinlijckheyt, maar ghy hebtse vervoert
Door u geswinde geest: en dat in sulcker voegen,
Dat cik u selve moet, hoewel met ongenoegen,
Verklaren al myn min en lieffelijcke pyn,
Die voor myn eygen hart geswegen hoort te syn.

Ascag. — Mevrouwe, ick en weet te dencken noch bemoeden,
Of ghy dit segt tot proef, of dat ghy’t doet ten goeden.
Maar immers houd ick my dobbelt geluckich, ach!
Indien ick maar u slaaf eeuwelijck wesen mach.
En denckt niet dat ick oyt belooning sal begeren,
Den Hemel sy mijn tuych, voor wien ick u besweren,
Dat ick my gants en al u eygen maak van nu,
Van nu tot in mijn doot, en voorts soo sweer ick u,
Ist dat het blint geluck mijn quade kans wil keeren,
Of soo ’t my mid’len sendt om u na wensch te eeren,
Ghy sult u dienaar sien ootmoedich en bereyt
Tot u dienst, na mijn macht, niet na u waardicheyt,
Want die is my te groot. Lucelle. — Lief u lust wel te spreken,
’Tis noodich, soo mijn dunckt, dat wy dit laten steken
Tot morgen voor de noen, op dese selfde tijt.
Wy sullen voorts te saam wat praten wijt en sijdt,
Vaart wel mijn lieve helft. Ascag. — Ghy oock, mijn welbehagen.

Lucelle. — Ach gaat, vertreckt mijn lief, Vader mach na u vragen.

Derde uytkomst int tweede Bedrijf.

De Baron met zijn Lackay Pannetje-vet.
O Vonnis al te hart! de afdanck is te straf,
Die mijn van desen dach Lucelles vader gaf.

Pann. — Wel hoe, mijn Heer? wel hoe? Bar. — S’is niet gesint te trouwen.

Pann. — Dat is geseyt in duyts, ghy meugt u rust wel houwen.

Baron. — Het is wel waar dat ick haar selven noyt en sprack.
Ick laat my duncken, dat ick mondling haar vertrack
Een deeltjen van mijn leet en overgroote smarten,
Dat haar het ander deel souw dapper gaan ter harten,
Daarom ghy Pannevet loopt heen, siet datje raackt
By Leckerbeetje stracx, en segt hem, dat hy maackt,
Dat ick gelegenheyt mach krijgen om Lucelle
’Tsy morgen of van daach veel saken te vertellen.

’t Vierde uytkome. Tweede bedrijf.

Pannetje-vet, Lecker-beetje.
O Leckerbeetje hou, mijn groote kamer-raat!
Waar loopt gy doch na toe, dat gy soo besich gaat?

Lecker. — Gy steurt myn met jou praat, en let mijn wel een roccheltje,
Ick stick schier an de fluym, wat brabbelt myn dit boccheltje?
Siet tegen wien ghy spreeckt, as ick mijn dingen doe,
Of as ick hoest oft fnies, dan spreeck ick niemet toe.
O dit wanschapen ding! wat is dit, lier gy dit van jou ouwers?

Pann. — Wat schort jou op myn bult? ick draachse op mijn schouwers,
S’is jou niet in de weech, of gy’er wat op schiet,
Daar ickse heb gekoft, daar krijchtmense wel om niet.
Maar dats al even eens, Leckerbeetje, nu dat overgeslagen,
Mijn heer en meester de Baron die doet jou vragen
Of gy geen middel weet te brengen an den dach,
Waar door dat hy Mevrouw Lucelle spreken mach?
Soo gy hier in jou dienst gewillich wilt betoonen,
Hy sal’t u na u wensch en na u wil beloonen.

Lecker. — Ick houw van woorden niet, al synse noch soo schoon.
Hoort hier eens Fyllebaart, voor mijn verdiende loon,
Soo jou meester myn, die doch soo wel kan hoven,
Het hovenierschap van zijn Koken moeten loven,
Want siet ick kan hovenieren by avont en by noen.

Pann. — Wy hebben over Disch geen Hovenier van doen.
Vraacht na een ander staat, dits te kleyn en oneerlijck.

Lecker. — Wel maackt jou Meester dan niet veel bancketten heerlijck,
Noch waerdschappen, noch kostelijcke malen groot,
Daar hy den Adel en het Juffermarckt op noot?
Schickt niemant dat daar ’thoort, dat daar niet wert opgesproken?

Pann. — Gy wilt Hofmeester zijn en heerschip vande Koken.
Nu versta ick jou eerst. Wel, Lecker, dat is recht
Een dingen dat jou past. Ick moet met dese knecht
Wat alven, wat gecken, wat lacchen, boerten, jocken,
’tIs sulcken mallen bloet. O gy kock aller kocken!
O Komt hier voor den dach. Gy verstaat jou immer wel
Op de saussen van een saussys, of van een moye frickedel,
Gefricasseert in de bruyne brande graaf mouweris,
Of op een snipje met zyn dreckje? also wel denck ick als Louweris,
Op de vreemde Composten en sopjes vande vossen dans?
Van de Almangie quapaart van een vette Gans?
Van de Struyven Taarten van galliaarde Spaenjen?
Van de sinckepas over ’tgebraen? van appelen van Oraenjen?
Van de Bergomaskes en de maskarades van een hoen?
Van het droopen en de capriolen van een kappoen?
Van de bisarde grimassen van de Artisocken?
Van toekruyt, van gecoockte Salm, en Engelsche bocken?
Over de pasteyen, met sla, van quins parlement?
Ick gis datje de quaterbranckt lavagotte en peck in de ton wel kent.

Lecker. — Ick kan geen van al die toerientayen, noch snorrepypen
Waar haaljet al van daan? hoe kant jou verstant begrypen?
Ja wel gy bint een man als morch, vaar, ghe hebt een ysere hooft!
’t Is vreemt dattet Jupiter niet met zijn diamanten byl op klooft,
Voor seker souwer een Pallas van de koken uyt komen.
Ja wel speciaal, gy hebt de kunst geweldich innenomen.
Gy moet met veel Heeren en Princen hebben verkeert.
Niettemin ick ben inde koken oock geweldig gevexeert,
En trouwen de 9. vrye kunste oock, wil ick seggen: als in lastrolagie,
Natimatica, ramatica, de gigromance, lusica, petorica, frobentomie.
Maar insonderheyt sin ick baas uytgenomen in een stuck
Dat is, ick weet de luy te seggen veel goeder geluck,
En wat avontuur dat sy sullen krygen in haar leven.

Pann. — Wel siet eens inde myn, ick sel een vaan ten besten geven,
En soo ick niet betaal, soo haalt de duyvel stracx.

Lecker. — Wil ickje wat segge, Pannetje-vet? ick ben niet goet bullebacx.
Ay staat wat van mijn of, de duyvel die mocht falen,
Hy sou mienen dat hy jou had, en hy sou mijn halen.
Daar houw ick mijn geck me, ick heb geen sin in die geck.
Maar om datje wilt vervullen mijn ellendig gebreck,
Want siet mijn holle maagh en al mijn lege darmen
Die kryten in mijn buyck, dattet een mensch sou erbarmen,
Vermits ick niet en heb genut, noch kouwe schaal, noch onbyt,
Noch brandemooris, extract, noch borstwater, noch taback, noch nietemyt
Komt geeftmen nou jou hant, op dat ick u seg te veuren,
Op dat ick jou vertel, wat jou noch sel gebeuren.

Pann. — Siet daar, Leckerbeetje, en seght my ’t goet en ’tquaat
Dat mijn hangt over ’thooft, wat mijn te wachten staat,
Praat mij niet na de mont. Lecker. — Ick sie hier in de strepen
En vouwen van jou hant veel wonderlijcke grepen.

Pann. — Hoe stajy doch so lang? verteltmen hoe en wat.

Lecker. — Ten eersten sie ick, dat ghy hebt maar een moet ehadt,
En de Vaars die gy hebt, die schynt datter so veel bennen,
Dat gy den een voor den ander qualijckt keunt bekennen.
Is niet waar? Pann. — Spreeckt daar niet of, spreeckt van mijn.

Lecker. — Staat stil Pannetjevet. Hier staat in dese lijn,
Dat gy een oolycke guyt bent, en wert dagelijx slimmer
En dat gy een laccher bent op straat, en binnens huys een grimmer.
Ist niet waar? Hier blyckt dat gy altijt sondaechs jouy gelt verpoyt,
En dat gy niet gaarn jou Roosen voor Verckens stroyt.
Ist niet waar? Hier staat datje noch passelijck by ’tgehoor bint,
En datje wat murw en wat dick achter jou oor sint.
Hoe nou? staet stil, wat so, datsen vryer, soo dat is fraytjes,
Gy drinckt gaern Antwerps bier, gy eet gaern bestaytjes.
Gy hebt altoos snoepery in jou diessack, sag ist niet soo?
Gy bent gaern op de Rederijckers kamer, en thuys ben je noo.
Gy lecht gaern een blaetje, dat kan ick uyt jou duymen sien.
Ay Japickje, gaat van mijn, hartje, of ick vijst een pruyme stien.
Ick sie, dat gy liever een vrouw in ’themt siet.
As een man in ’tharnas. Ist niet waar? Pann. — Ick bent alleen niet.

Lecker. — Noch sie ick inde vouwen en kreucken van jou vingeren,
Dat gy snachts gaern wat loopt byder Straten slingeren.
Ist niet waar? en daar sieÁk in jou Borgoense kruys,
Dat gy met de jonge maats veel tijts loopt in ’t Olykoekxhuys.

Pann. — Hy dat is al geschickt, gy meucht daar wel van swygen.
Secht my wat avontuur dat ick hier noch sal krygen.

Lecker. — Twee dingen ken ick jou noch toe te komen sien,
Dat is, jou sal een goet gelock, en een ongeval geschien,
Want ’ten sy dat gy geen soberder leven wilt verkiesen,
Soo suldy haast jou neus tusschen jou wangen verliesen:
En dat souw my van jouwent wegen dapper moeyen.
Siet jou wangen die sellen over jou neus heen groeyen,
Soo gy dat brassen en bruysen en slempen niet en laat.
En nou Pannetjevet, wat dat het geluck angaat,
Dat staat in jou eygen hant, kundyt maar wel beleggen,
En vollich gy de wech die ick jou wel kan seggen.

Pann. — Ay secht het myn doch knap, segt mijn de raat, mijn vaar.

Lecker. — Maar gy selt noch een koopman werden van veugels, of een veugelaar,
Doch gy moet u geen moeyten ontsien, noch an u niet laten gebreken,
Gy moet jou hooft inden grooten hoenderkou steken,
En roepen, wie wil mijn veugelen, wie wil mijn,
En soo gy jou selfs verkoopt, sel gy dan geen koopman sijn?

Pann. — Dat jou de pocken haal met jou liegen.

Lecker. — O lieve soetert, ’kben niet vervaart voor driegen.

Pann. — Hoort een Leckerbeetjen, hoort, laat ons dit overslaan,
Wanneer en waar sal mijn Heer best by Lucelle gaen?.

Lecker. — Maar nou van avont spaa, dan sal sy gaan ter kercken;
Laat hyse nemen waar, niemant sal daar op mercken.
Hy kanse dan na wensch daar komen wel ter spraack.
Maar seght hem oock van mijn, dat ick mijn reeckning maack,
Om heer en baas te zijn van zijn kelder en koken,
Gelijck het in ’t verdrach te samen is besproken.

Pann. — Ick sal dat seer wel doen, stelgy jou maar gerust..

Lecker. — Eeleman hout jou woort. Och, ick heb soo soeten lust..

De vijfde uytkoomst in het tweede deel.

Pannetjeet en Baron.
Pann. — Lecker heeft mijn geseyt, dat sy sal gaan te preken
Nu ’tavont, en dat ghy haar veylich daar meucht spreken,
In ’t in of uyt gaan, na dattet komt te pas.

Baron.— Ja mijn Pannetjevet, ick wouwt al avont was.

Eynde tweede bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 oktober 1997