G.A. Bredero (1585-1618)

LUCELLE

HET DERDE DEEL

’t Eerste uytkomen.

Baron en Lucelle.
Baron. —
Ick bidt u, vrouwelijn, dat ghy niet vreemt en vijnt
Indien men totter doot sich uytmergelt en pijnt
Door ’tonkeerlijck gewelt der meer als sonderheden
Des Goddelijcken glants van u volmaackte leden,
Daar mijn te keurigh oog eerst hongerig op viel,
Maar meest verwan mijn hart de deugde van u ziel:
Waar met den Hemel u verciert heeft overdadich.
Ick ben gedwongen door mijn lijden ongenadich
Te vollegen het spoor des genen die ghewont
Is van een Scorpioen of van een dollen hont,
Dewelcke niet en kan gesontheyts kracht erlangen,
Als door de geen van wien hy’t gift eerst heeft ontfangen.
Daarom, o schoone maacht, de wonden doch geneest
Die ghy gheschoten hebt in’t binnenst van mijn geest,
Want ander hulpt en raat en vind’ ick in geen boecken.
Mijn doot en leven is alleen by u te soecken,
Door ’t goed’ of quade kruyt van’t woortje ja of neen,
Met vrundelijck bescheyt en antwoort op het geen
Dat u Heer Vader heeft verklaart van mijnen’t wegen.
Doch eer dat ghy’t uytstelt, als voor u niet gelegen,
Soo bidt ick ernstelijck: erlegt in u gemoet,
Wien dat ghy u onthout, en wat ghy my al doet.
Siet hoe ick selfs mijn selfs mijn selven heb ontstolen
En u genadicheyt mijn selven gantsch bevolen.
Doch wildy niemant dan die juyst geheel is waart
U deuchts hoochvaardicheyt? g’en vint hem opter aardt.
Maar sydy een belust u trouwste slaaf ’t aanschouwen?
Siet hier siedy hem staan, o pronck van alle Vrouwen,
Hy smeeckt u goetheyt an. sijn bidden eens verhoort,
En geeft zijn harte hoop slechs met een gunstich woort.

Lucelle tot de Baron.
’t Is ongetwijffelt Heer, dat ons huys en wy souwen
Door u ghe-eert zijn, dies ben ick aen u gehouwen,
Mits die seltsame jonst die my van u geschiet.
Ghy weet wel dat ick sta noch onder het gebiet
Mijn Vaders lief en waart en dat my daar beneven
Met allen niet en voegt hier antwoort op te geven,
Door dien ick willeloos myselven noch bevijn
Of heb ick een’ge wil, hangt heel an de zijn
En die, geloof ick vast, sey’d hy u wel voor desen,
Dien moogdy, soo ghy wilt, genoech u laten wesen.
Ick bid’ u voor ditmaal en spreecker niet meer van,
En doet u selven moeyt, noch my geen quelling an.
Vaart wel mijn Heer, ick ga.

’t Tweede uytkomen.

Baron en zijn vrunt Adellaar.
                                Baron. — Ha bittre wreede woorden,
Die op een selfde stondt mijn lijf en siel vermoorden.
Komt heylicheden. komt, slaat met een donderkloot
Tot pulver al mijn borst en al mijn leven doot.
Komt Susteren Fatual, komt, wilt u doch verhaasten,
En maackt dat desen dach mijns levens sy de laasten.
Hoe sydy Minne doch soo wrevel en soo vreemt,
Dat ghy geen ander vreucht dan in het pijnen neemt:
En hoe dat ghy te meer de uwe gaat beschaden,
Hoe dat ghy noch te min u selven kunt versaden?
Al is het Ecchel-dier een gulsich slockend’ vraat,
Het wijckt doch van de wond, wanneer ’t sich voelt versaat
Met voetsel en met spijs. Den brassaart oock door t’ eten:
Maar ghy Mensch-eter niet, die met heel groote beten
Uw’ eygen dienaar schockt, en vreet haar vleys in ’t lijf
En doet de grootste moort slechts om een tijt-verdrijf,
Blijft even selde-sat, en wert vernoecht, noch dicker.
Ghy houwt van schransen op ghelijck de Lever-picker,
Die nacht en dach het hart van d’arme verscheurt,
Die ’tbreken van zijn eedt onmenschelijck betreurt.
Lucelle kondy soo mijn liefde tot dy mercken,
Als ick u schoonheyts kracht voel in mijn siele wercken:
Ick wierde eyndeling van u wel eens bemint.
Veel beter waar ’t geweest, waar ick geboren blint,
Soo had den blixem van u glansen niet geslagen
In mijn gesicht, en ’t ooch en had my niet doen klagen.

Sijn vriend komt op het slach.
Wel hoe mijn groote vrunt, wat staady hier en klaacht
Met Vrouwelijck geween, dat om een slechte Maacht?
Ghy die soo manlijck u in vreesselijcken strijden
Ten Oorloch hebt gehadt, ghy die daar dorst doorrijden
De hoopen dicht gemengt: de dromels ysre lien,
Die koegels, noch geschut, noch niemant hebt ontsien,
Die Ridderlijck ten Hoof brocht de gesprengde vanen
U Vaderlandt tot eer, u vyanden tot tranen,
U vrunden tot een prick, u selven tot een staat,
Die van verdienden lof tot barsten swanger gaat,
Moet ick dien Eedlen heldt, die hem soo heeft gehouwen,
Een slaaf sien van de min, een lecker van de Vrouwen?
Al is sy schoon al schoon, al is sy wel geacht,
Wat is haar schat by d’uw? haar bloet by u geslacht?
Komt by u selven eens, en stelt doch uyt u sinne
De sotte freseny der breyneloose minne.
Ghebruyckt u goet verstant, ontweckt u, siet dit in.
Het kleene vonckje viers is lichter in ’t begin
Te dooven in de pot met sorrichvoude handen
Dan of men reuckeloos liet huys en hof verbranden.
Wildy dees raserny in ’t eerste niet weerstaan,
Soo sal’t met u in’t ent heel jammerlijck vergaan.
De loffelijcke faam door soo veel sweets ontfangen,
Sult ghy die an de gunst nu van een vroutjen hangen?
O kunst-baarende hooft, van wiens Godlijck verstant
Trompetten wijdt en sijdt de grootste van het landt,
Die de Raadts-heeren, en de hooge-school-geleerden
Als een geboren Godt en weerelts wonder eerden:
Ghy die ’tghemeene volck besadicht en vervaart
Door ’tkrassen van u pen, en ’tblickren van u swaardt,
Waar is u dapperheyt en wetenschap ghebleven,
De klare spiegels en de sporen van ons leven?
Wat maac haar weerschijn dof? wat maact haar prickels plomp?
Of is de geest benart in den vleeschlijcken romp?
Wel hoe dus moedeloos? wel hoe, waarom versuchje?
Ick sie watter af is, de geest is om een luchje.
Maar wat heb ick gedaan, dat ghy u mijnder schaamt
En snorden om de kop als ghy mijn tegen quaamt?
Dan dat is nu alleens, komt laat ons met malkanderen
Gaan buyten op ons lant of na den boogaart wandren.

Het derde bedrijf.

Lucelle, Margriet, Leckerbeetje, Ascagnes.
Lucelle —
Het geef my al te vreemt, ’ken weet niet wat ’t beduyt,
Dat my Ascagnes niet komt leeren op de luyt,
Gelijck hy gisteren my in ’t uytgaan wis toeseyden,
En d’uur is lang voorby die wy te saam bescheyden.

Margri. — O sekers zijn versuym is noch geen half kartier,
En had hy geen verlet, hy waar gewislijck hier.

Lucelle — ’Tis waar, Margrieta. Maar de recht verliefde sinnen
Valt het verwachten lang van dingen die sy minnen.
Waar blijfdy lieve lief? Marg. — Ick loof niet of gy spot.

Lucelle — Spotten! o neen ’tis ernst Marg. — Soo sinneloos noch sot
En kan ick nimmermeer Carponys dochter achten,
Dat sy een vreemdeling van nederen geslachten,
Veracht en onbekent, souw plaatsen in haar sin.

Lucelle — En spreeckt my meer geen quaat van ’tgeen ick bemin.
Mijn siel siet op zijn ziels volwassene hoocheden:
Dies min ick blindling niet, maar door ’tbeleyt van reden,
Die mijn zijn deucht anprijst: sulcx dat niemant als hy
Soo grooten heerschappy sal hebben over my.
Och! had ick maar ’tgeluck dat ick hem slechts mocht krijgen.
Siet hier Margriet, siet hier mijn blos vast opwaarts stijgen.
Mijn bloet bruyst in mijn lijf, mijn borst wert toegestopt.
Ick kan niet spreken. Ach! voelt hoe mijn hartje klopt.

Margri. — U aangesicht dat geeft volle getuygenissen
Van d’innerlijcke ongesteltheyt uws gewissen
Door de menichvoude verwisseling van kleur.
Maar doet al wat ghy doet heymlijck, op dat hier deur
U Vader out en kout geen mes en wert gegeven,
Dat hem afsnyd den draat van zijn geluckich leven.

Lecker. — Wel wat wil dit toch zijn, dit sta ick vast en peys,
Dat ick Ascagnes sie van d’eene ryes op reys
Soo snuyven heen ter sluyp op onse Juffers kamer
Lucelle, datje’t liet, het waar u veel bequamer
Dan dus gemeen te zijn met dese vreemde knecht.
’tEn is gelijck geen deeglijck spel; de wagen gaat niet recht.
Daarom loop ick ter schuyl ter syen vanden tooren,
Om ’t gat eens door te sien. gangs bloet koom ick te hooren
Dat hy. dan dats alliens, ick sweer’t hem by mijn sier,
Ick sel hem soo knellis duyvelen. dan nou ick sech niet mier

Ascag. — Mevrouwe syt gegroet. soo’ck langer heb gebleven
Als de gestelde tijt, ay wilt my dat vergeven.
’T quam door u Vader by. Luc. — Ick neemt garen in’t goet:
Wat kan men straffen hem die nieuwers in misdoet.
Ghy soudt u nimmer oock soo qualijck kunnen dragen,
Dat ick mijn uwer souw verstooren of beklagen;
Vermits u goede geest en wackere aardicheyt
Van al u gantsche doen, d’welck my so heeft verleyt
Dat ick betovert ben, gelijck ghy meucht bemercken,
Gelooft mijn woorden niet, maar siettet an de wercken.
Mijn sinnen zijn beroert en dwarlen vast door een,
Mijn tong kleeft an mijn mont, ick haaper in mijn reen,
Mijn hart beeft in mijn lijf en ’twil van vrese breken,
En immers moet ick nu een weynich met u spreken
Van saken die mijn self op ’t naaste aane gaan.
Wat komt mijn over? ach! het is met my gedaan.
Ick ongeluckige, wat deed’ ick oyt gebooren.

Ascag. — Ick bidde u, mijn vrouw, so’t bidden kan bekooren,
Secht my wat klaarder uyt het gene dat u let
En op u dienaar trouw een vast betrouwen set:
Die om u wel te doen souw wagen duysent levens,
Indien dat ickse had, ick schonckse alle tevens,
En eygendens’ u toe uyt grontslach van mijn hart,
Als ick u mocht daar met verlossen van u smart.
Ach help! wat hebdy dat u verru soo verwandert?
O mijn! ghy bent soo bleeck, u wesen dat verandert,
En over al breeckt uyt dat klamme koude swiet.
Sit neer, ick haar Azijn! Luc. — Ach neen, neen doet dat niet,
Maar laat my doch begaan, dat bidd’ ick u, so lange
Tot dat ick weer bekoom. ach! my is noch so bange.

Ascag. — Wel leent dan wat aan my, geeft u toch wat te vreen,
Versterckt u swacke Geest en rust u flauwe leen.

Lecker. — Wat droes! wat hoor ick hier? kan men hem so vergeten?
Foey Lucelle, foy (sus) ick moet dat grontgat weten.

Lucelle — Ick kan u langer nauw verbergen mijn verdriet
En innerlijcke pijn, vermits ghy selfs wel siet,
Hoe dat de starcke Min, so bloedich als tyrannich,
Met krachte nederdruckt mijn willen wederspannich,
Mijn plicht door het gewelt van de bevallicheen
En hoflijckheyt uws aarts, die veer boven ’tgemeen
Doorluchtich in u blinckt, soo dat ick ben gedrongen
My gants te geven op de soete sotte jongen,
Die my, ick wil of niet, doet seggen (laas!) met pijn,
Als dat ghy hebt so veel gewonnen nu op mijn,
Als minnaars oyt van lief mach eerelijck begeeren.

Ascag. — Soud u volmaacktheyt haar wel kunnen soo verneeren
Om mijn te minnen? mijn? mijn, sech ick, die daar ben
Een woeste vreemdeling van slechte huyse? en
Een die niet waardichs heeft, ick schaamt my te belijen.
Mijn Vader, arme Man, slooft in zijn visscherijen,
Mijn Moeder, goede Vrouw, die sit met kramery
En wint de schaamle kost. Hoe soudy dan op my
U oogen kunnen slaan? en dat my meer doet schricken,
Dat heeft u Vader wist, hy sloech mijn ’thooft an sticken.

Lucelle — Bruyckt sulcken redens niet mijn lief, mijn troost en vreucht,
Want liefde heeft geen wet, den eeldom spruyt uyt deucht.
’k Heb goederen genoech, dat meen ick, voor ons beyden,
Mijn vader is stock out, en sal wel haast verscheiden.
Ons schort maar lijdsaamheydt dien tijdt te dulden af,
Tot hy het eene been als ’tander heeft int graf.
En weest versekert vry dat nimmermeer de minne
Eenich veroveraar sal maken van mijn sinne,
Die meerder is als ghy. dits een besloten saak,
Indien ghy swaricheyt niet meer als ick en maak.

Ascag. — Ick waar wel onbeleeft, waar dat ick ging ontseggen
’t Geen daar veel Edelien te kost om souden leggen
Haar eygen vleys en bloet. ’tgeluck dat ghy my biedt
En soud ick waarelijck verruylen willen niet
An ’t hoochste Keyserdom of Koningrijck verheven.
Want ick wens in u dienst te sterven en te leven.

Lucelle — ’t Woortjen dat ghy daar spreeckt komt dat uyt ’s herten gront?

Ascag. — Mijn hart en tong zijn eens, noyt dacht ick dubble vont.

Maar waarom vraagdy dat? Luc. — Om dat ghy jongelingen
Soeckt eerelijcken lof uyt schandelijcke dingen:
Voornamelijcken in der reyner Maachden val,
Het welck ghy u beroemt als treflijck over al,
Niet achtend’ uwe ziel, ncoh de vervloeckte eeden
Op de verdoemmis van eeuw tot eeuwicheden,
Indien dat oyt u trouw of dat u jonst vergaat,
Die langer niet en duurt dan als de valsche praat,
Die men gesuykert maackt met honich-soete woorden,
Om ’tleven van de eer der Dochters te vermoorden,
Met tranen biglend’ en met een geveynst gesucht,
Die met u vruntschap stracx verstuyven in de lucht,
Soo haast als ghy de vrucht (laas!) van het licht vertrouwen
Genooten hebt en laat de Deernen droef in rouwen.

Ascag. — Ick heb vermoeden dat wien ghy ’t geluck toelecht
Om met u eens te treen in wettelijcken echt,
Dat die hem immers wel vernoecht sal kunnen houwen
Met d’eelste en de schoonst van alle aartsche vrouwen.

Lucelle — De blonde Oenon en suyvre Dido rijck,
By wiens schoonheyt ick my in ’t minste niet gelijck,
Die hebben wel versocht, doch met haar schand en schade,
De fixe trouwicheyt en ’t meyneedich verraden
Van haar versworen liefs, wiens jonst niet was dan wint.

Ascag. — Maar alle menschen zyn niet even eens gesint.
Of schoon daar een’ge zijn besmet met die gebreken,
Men moet de vromen om de boose niet versteken.
Want ick belooft u, siet, geeft mijn u rechterhant,
Uyt een verwonnen borst en by mijn goet verstant,
Dat ick u nimmer meer sal verlaten noch begeven,
Noch ongenoecht aandoen in al mijn gantsche leven.
En soo ick anders doe, so moet het Hemels vier
Mijn lichaam heel tot as en stof verbranden hier.
Eer dat ick schend’ mijn trouw die ick u nu belove,
Eer sullen ongeveynst de groot Heeren hoven,
En sal de aard de zee, eer ’tlichaam sonder pijn,
En wat onmooglijck is dat sal eer mooglijck sijn.

Lucelle — Wel aan, gedenckt altijt eer gy komt t’overtreeden
Aan u beloofde trouw met overgeven eeden
Ick weet niet wat ick u doch meer bevelen souw,
Als dat ghy mijn, o lief, oprecht zijt en getrouw.
Dat is d’eenige kroon en kransse van de Minne,
En die de Minaars doet geluckelijck verwinnen.
En tot verseekring van mijn vriendelijcke jonst,
Hoefdy geen ander proef, als dat ick sech in op ’t ronst
Met dese mijne trouw, en houttet voor waerachtich,
Dat niemant anders mijns oyt wesen sal deelachtich.
Dees kus neemt tot getuych, en tot een soet gedenck
Soo draacht dees eedle rinck die’ck u op trouwe schenck:
Waar in dat ghy sult sien gegraven en gesneden
Hoe veel de kunst vermach der geestige Goutsmeden,
Oock hoe Cupido daar sit schrylincx op een hont,
En wijst te swygen met een vinger voor de mont,
Met welck’ afbeelding dat ick heb beduyden willen
’T gunt dat van binnen staat, siet leest, getrouw en stille.

Ascag. — Mijn vrouwe, ach helaas! mijn macht is al te kranck
By de genegenheyt daar ick u met bedanck.
Ick sal die vingerling aan mijnen pinck nu steken,
Daarse geen levend’ mensch met cracht my sal afbreken,
Ten waare na mijn doot. Nu dient ons te versien,
Hoe, en wanneer, en waar ons houlijck sal geschien.

Lucelle — Gaat heen, mijn lief, gaat heen. daar is veel tijts verstreken,
T’wijl ghy hier zyt geweest. en komt my t’avont spreken
Ontrent de klocke tien, als vader is te bedt.
Wy sullen dan raatslaan, wat ’tbeste aansien het.

Ascag. — Ick kus u handen lief, vaart wel dan tot tien uyren,
Die korte tijt helaas my hondert jaar sal duyren.

Lucelle — Vaar wel, mijn Bruydegom, tot t’avont. wel hoe dus?
Het mag niet van mijn hart, komt geeft men noch een kus.    Binnen.

Leckerbeetje alleen.
Ach wat heb ick gehoort? wat heb ick moeten hooren?
Och had ick door geweest, of had ick doch geen ooren.
Sy zijn t’samen getrouwt. de duyvel en de droes
Ick byt mijn keel schier of. de kop is mijn soo kroes.
Mijn Heerschip heeft de guyt genomen van de straat,
En hy vergelt de deucht met sulcken snooden daat.
Daar hy die weldaat hoort met dienst en danck te kennen
Daar is hy over uyt zijn meesters eer te schennen,
Dat in zijn eygen huys, dat an zijn eygen kint,
Sijn een’ge dochter waart, soo schoon als wel bemint.
Maar cik belooft den boef en die lichte Lucelle,
Dat ick heur allebey een spulletje sal bestelle,
Dat heur wel heugen sal. Dat kost heen na den baas
Ick sal hem lang en briet gaan doen sulcken relaas,
Dat hy hem met een streeck wel lichtelijck sel genesen
Van pocken, mocken, lempten, en wat in hem mach wesen.
Mijn miester is een quaan Turk, soo fel, ik weet niet hoe,
Ick mien gelijck een schaap. En dan voor na den Baron toe.
Want of hy den ouwe man ter vlucht quam t’ontloopen,
Soo sal de Baron en ick hem lustich t’samen stroopen
En peuluwen hem lustich of met wat ongebranden as.
Ick souwt seker niet doen, waer ’t dattet niet en was
Om dat ick de Baron zijn koken sel bewaren.
O suycker eelekaerten, hoe lustich wil ick daar varen.
Mijn tangden watren alries, mijn buyck bomt as een trom,
Ick kan soo lang niet wachten tot ick tot zijners kom.
Mijn dunckt ick proef alries de propre teneetjes.
De Lamboutjes, de kieckskens en de leckerbeetjes,
De wijnsopjes, de doopjes, de droopjes, en
Al de soete smullery, die ick niet noemen ken.
O hemelsche leckerny! o kost hoe wilje smaken.
Nou ick mach binnen gaan het avontmaal reet maken.

Het vierde bedrijf.

Baron, Panne-vet, Lucelle.
Komt hier Pannetje-vet, komt mijn getrouwe knecht,
En haalt men stracx mijn luyt, wat ick ga regelrecht
Voor mijn Lucelles deur mijn droefheyt haar verklaren,
Laas! met een jammer sang vermengelt met mijn snaren.

Pann. — Ick ga mijn Heer, siet daar, mijn bootschap is gedaan,
Gaan wy alst u belieft. Bar. — Wildy wat achter gaan?

Pann. — Daar staat sy aan de poort. Gaat Heere by haar kouten.
Beschreumtheyt hindert vaak, ’tgeluck dat helpt de stouten
Door veel gevaarlijckheyts en voor al in de min.
Daarom, mijn waarde Heer, treet lustich daar op in.
Haar oogen staan so soet. gaat, wilt geen tijt versuymen.
Veellicht heeft sy verkeert in ’tgoet haar quade luymen.
Want ongestadich zijn de vrou-lie van natuur,
En wisselen van sin wel tien maal in een uur.

Baron. — Houdt daar, bewaart mijn luyt en wilt my hier verwachten.
Indien de Goden hier, o vrouw van mijn gedachten,
Soo veel gelucx en heyls den mensche geven wouden,
Dat sy haar sinlijckheyt gebreydelt kunden houden,
Ick soud’ op heden nu niet smaken dese pijn,
Noch u ten tweede maal so moeyelijck niet zijn,
Met mijn lastich gebedt te lemmen aan uw’ ooren.
Gewaardicht u doch eens mijn bidden te verhooren
En schuttet voor den doot, o uytverkoren vrouw,
U dienaer, die u mint gestadich en getrouw.
Hebt doch melijden met m’ondracchelijcke smarte,
Leest in mijn aansicht doch de weedom van mijn harte,
Die door u schoonheyt in mijn ziel oorsproncklijck sproot,
Die s’weerelts Schepper tot verwondren in u goot.

Lucelle — Mijn Heere ick en kan in ’tminste niet gelooven,
Dat ick yets heb in mijn dat u persoon sou slooven
Of dus wanhopen doen. En aangesien oock dat
Hier soo veel Joffers zijn in dese groote stadt,
Die ongetwijffelt haar geluckich souden roemen,
Indien sy maar voor haar u liefde mochten noemen;
Daarom dunckt my voor ’t best, dat ghy u geeft tot die
’t Meer waardig zijn, als ick my selven acht of sie.
Ick lyd’ oock gaaren dat sy my ver overwinnen
In lichaams schoonheyt en in schranderheyt van sinnen,
Oock in welsprekens kunst. Bar. — Ick denck niet datter leeft
Een schepsel dat by u in waardicheden heeft.
En hierom ist dat ick somwijlen onverduldich,
De nootschicking wel trots en lasterlijck beschuldich,
Omdat sy heeft mijn sin op sulcken plaats geleyt,
Daar ick, noch levend’ mensch, hoe groot van waardicheyt,
Souw konnen by bestaan. Waar ’t datmen u toeseyden
Dien u gewillich meest bewijst zijn diensticheyden,
Ick souw mijn selven dan beloven voor gewis
’t Geluck dat niemant, noch de werrelt waardich is.
Want recht als de natuur u schoonheyt heeft gesondert
Tot die volkomentheyt dat yder is verwondert,
Alsoo heeft sy aan mijn een dienaar u gejont
Die in getrouwe jonst noyt zijns gelijck en vont.
En nauwlijx ick geloof, straft my, soo ick ’t verschulde,
Dat sy u boesem schaars met soo veel deuchden vulde,
Als sy heeft in mijn hart gehoopt en toebereyt
Innige diensten vol van goe genegenheyt.
Daarom besluyt ick met Wet-stichters en verstandelen
Soo godlijck als waarlijck, die van de liefden handelen,
Dat ghy gehouden zijt, indien ghy zijt gesint
Om wel bemint te zijn, dat ghy eerst recht bemint.

Lucelle in haar selfs. —
Ksie dat mijn Heer Baron begint alsulcken reden,
Waar in ich vruchtloos souw mijn schoone tijt besteden.
Zijn lellen haacht my niet, eer meerder pratery
Soo vind’ cik goet dat ick hem datelijck afsny.
Ick bidd’ u, luystert eens, en komt een weynich nader,
Wien roept my daar? myn Heer! het is mijn eygen Vader.
Dus neem ick mijn verlof, soo’t u belieft ick ga.     Sy gaat wech.

Pann. — Wel geeftse wat gehoors? oft seytse noch geen ja?

Baron. — Ick weet niet, soo ick souw in’t ernste eerst beginnen,
Soo riep de Vader haar en voort so ging sy binnen.
Dan niettemin ick vond’ haar wesen noch haar taal
Soo streng niet noch soo stuurs, als lest de eerstemaal.
Ick denck dat sy haar lief gesien heeft en gesproken.     Leck. uit.
Wel is dit Lecker niet, het Heerschap van de koken?

’t Vijfde uytkomen.

Lecker, Baron, Pannevet.
Lecker. — Goen avont Heer Baron. Bar. — Wat tyding hebdy nu?
Segt brengdy ons wat goets? Lec. — In a’t minste niet voor u.

Baron. — Wat isset dan? secht op. Lec. — Maar Ascagnes dien bengel
Wort van u lief gelieft gelijck een aartschen Engel.
Sy acht hem als een Godt en mint hem alsoo hooch,
Dat sy hem liever heeft als d’appel van haar ooch.

Baron. — Maar sekers, is het waar? Lec. — Ick heb’t van daach vernomen,
En sal’t morgen veel bet te weten kunnen komen.
Hy is inde weech, ja sekers sonder jock.
Ick weet u goeden raat, wilt ghy myn maken kock
En heer en meester van jou broot en van jou suyvel,
Ick sel jou stommelen op een sulcken dollen duyvel
Als ymmermeer de aard’ hier an de weerelt brocht,
’Tis sulcken quaden droes, al had j’hem uytgesocht
Uyt al’t Nickers gebroet. Eens als hy sou gaan varen
Ten ooreloch ter zee, en soos’ in’tseylen waren,
Ontmoet haar onversien een Boot met lichte vracht,
Als van vyanden van het menschelijck gheslacht,
Te weten Zee-roovers en schuymers van de stranden.
Wel wat het hy te doen? hy neemt zijn swaart in handen,
En sloech met een slach door last, door mast, door sack,
Door pack, door kat, door hongt, door man, door muys, door back,
Door kom, door tin, door bier, door broot, door wijn, door koorn,
Door sout, door smout, door teer, door smeer, door ’t splits en smeerhoorn
Door bacboort, door stuirboort, door after en voor het schip
Door stroom, door zee, door lant, door sant, door berch, door klip
En een stick van Neptunes neus, die wacker trock an’t vragen:
Wat schricklijck onweer heeft my schielijck daar geslagen?
’Tis Bullebacx Jan, seyd’ een. mit dat Neptunes wist,
Soo sloot hy stracx zijn poort en had hem schier bepist.
Hy gaat wel goedkoop mee, als hy de vrije slemp het,
En als m’hem niet en geeft, de felle karel nempt het.

Baron. — By gans bloet, by gans doot, cik wil niet dat hy sterf
Door yemant als door mijn: mijn lust dat ick hem kerf
Gelijck een brasemvis. ’ksal hem de kinnebacken
Tot mortlen of tot gruys met desen houwer hacken.

Pann. — Die moeyten is te groot, oock ken ick wel vermoen
Dat ghy hem noch lief daar vrientschap souwt me doen:
Want siet Lucelle is te seer tot hem genegen.

Lecker. — O dats een kleynicheyt, wats doch an hem gelegen?
Al sloechdy hem al doodt, verwacht geen meer gewach:
Want hy heeft vrient noch maach, die hem vereysschen mach.
En ’tis meer als gewis dat mijn vrouwe Lucelle
Door het afwesen hem wel uyt de sin sal stellen.
En let hier op, mijn Heer, de Bloemkens die men siet,
Die teelen alle jaars, en gaan allencx te niet:
Maar al de min en jonst, die hier de Vrysters dragen,
Die hebben duur noch tijt, maar sterven alle dagen.
Heden beminnen sy en lieven boven maat,
En morgen is die Liefd al weer verkeert in haat.
De Goden hebben dies haar lichtheyt ongeduurich
Verleken by de Maan: die Sweef-ster wispeltuurich
Heeft haar een plaats gejont in haar verkeerlijck rijck,
Want na het oude woort, gelijck bemint gelijck.
Of schoon de Maan verformt haar wolcken en haar ringen,
De Meysjes zijn niet min oock vol veranderingen.
Sy maken van haar hart een gasthuys en een nest,
Schyt liefde, eer of eedt, de lest behaacht haar best.
Al ist dat u vertreck haar dapper schijnt te smarten,
’tIs al gelijck men seyt: uytter ooghen, uytter harten.
Siet daarom, so dunckt mijn, behoort het Dochters gilt
Drye pluymen licht en kleyn te voeren in haar schilt.
Geen beter spreuck soud ick hier by te passen vinden,
Als dees so kort als waar: wy gaan met alle Winden.
Wt dese oorsaack, Heer, so maticht wat u druck
Met lijdtsaamheyt, en hoopt op ’t aanstaande geluck:
En moedicht maar u hart, om saken te beleggen
Tot uwen hoochsten nut: door middel van mijn seggen,
Komt by mijn morgen vroech, in ’t krieken vanden dach
Sal ick Ascagnes met een sonderlingen slach
U levren in de handt, dan meuchdy hem soo smeeren,
Dat hem noch hooft, noch hals, noch hant, noch tant sal sweeren.
Bickter op, ’tis een wees, maar siet toe waar gy slaat,
Ick ben tot uwen dienst, so ghy’t wat hebt te quaat

Baron. — U Redens zijn geschickt, en ick sal sonder feylen
Hier morgen uchtent zijn, eer Aurora sal deylen
De bloosde krieck, den dach. Lec. — Wel an, mijn heer, ick ga.
Hem sick, hou poep! hem sick! maar evenwel laat niet na
My te bestellen doch in een soo vette keucken,
Daar ick mijn gladde Kin mach in de Botter meucken.

Baron. — Ick sal Lecker, ick sal. Lec. — Wel daar me streef ick voort.

Baron. — O wat een knecht is dit! Lec. — E hem! maar hout je woort.

Baron. — Ongeluckige Min, hoe lang suldy benijden
Mijn goude vryicheyt? ick moet vermaledyden
De rampsalige uur en oorspronck van mijn smert,
Doen ick ellendige u slaaf en dienaar wert.
Maar drye en viermaal zijn vervloeckter noch de schichten
Die ghy verborgen schot uyt die soete gesichten
Van mijn hoochmoedige en lieffelijcke Vrouw,
Die wederwaardelijck my dompelt in den rouw.
'k Sie niet dat mijn behaacht, het is my alles tegen,
Ick schuw 't geselschap, en ick soeck de naarste wegen,
Tot midden in de nacht de klocke een of elf.
Om dat ick haar bemin soo haat ick selfs mijn self.
't Verdriet dat is mijn spijs, mijn voedtsel en mijn leven.
In plaatse dat mijn bed my sal versachting geven
(Gelijck ick was gewoon) so ist my een anbeelt,
Waar op dat mijn gedacht met duysent hamers speelt,
En klinckt, en klopt, en kleunt mijn sinnen grof so scharpjes,
Dat die mijn grillich smeen wel duysterly bewarpjes
Van sorge rusteloos, van swaarheyt ongemeen,
Die stracx in haar geboort ontijdich sterven heen,
Gelijck de vroege en de onvoldragen vruchten
En barsten in de lucht met den storm van mijn suchten,
Die wederom 't forneys en 't half gedoofde vier
Flux heftelijck opblaast met innerlijck getier.
Wel an ick sal nu gaan de saken so besteken,
Dat ick my morgen mach eens aen Ascagnes wreken.

Eynde derde bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 oktober 1997