G.A. Bredero (1585-1618)

LUCELLE

HET VIERDE DEEL

Eerste uytkomen.

Ascagnes, Carponi, Leckerbeetje.
De glinsterige Son is onder’t water duyck,
En laat zijn plaats de Maan, die met haar swarte huyck,
Beschaduwt en bedeckt d’Ultermarine salen
Des Hemels, want ’t is nacht, waar in haar aasem halen
Het lastdragend’ gediert en ’t afgesloofde vee,
De Vogeltjens vermoeyt, ja selfs de menschen mee.
De heele werrelt rust: alleenlijck uytgenomen
Lucelle, die mijn wacht in dese uur te komen,
Om te voldoen mijn trouw met vruntschap ongeblust,
In ’t vrolijck Paradijs van ons vermaack en lust.
O onverlijckbaar uur van vreuchden en van vreden!
O geluckige nacht! o uur vol salicheden
Voor my! siet daar, de deur is open, doch met wil.
Nu ick sal binnen gaan bequamelijck en stil.

Ascagnes binnen. Lecker spreeckt.
O bloemer harten, foey! gans kruys ick mis mijn sinnen.
Waar bleef Ascagnes daar? o mijn! hy is daar binnen.
Gaat veugel daar gy gaat, je loopt selfs in u val,
Gelijck de muys. Hy is al daar hy sterven sal.
Ick sal in aller yl mijn meester wacker maken,
Dat hy dit spul eens siet, maar ’kmoet voor alle saken
Bedencken eerst een vondt en loose schallickheyt:
Want hy houwt dese twee in sulcken achtbaarheyt,
Dat hy het minste quaat van haar niet heeft te duchten,
En ’t wyl ick ’t hem vertel, so mochten sy ontvluchten.
Op, op, mijn meyster, op ter wapen, wapen, op.

Carpo. — Wel wat dolheden heeft den esel in zijn kop?
Wat rasery is dit, dat ghy my steurt in ’t slapen?

Lecker. — Ick sech niet anders Heer, als haast u toch ter wapen,
En rijst, en laat u rust, of ghy wert dese nacht
De allerarmste man van u geheel geslacht.
Want siet twee dieven zijn in u kantoor geklommen
By ’tsydelvenster in, en rooven u rijckdommen,
En die kleynodie en ’terf van Doktor Jan Baptist.

Carpo. — Wel wat? ist oock een droom? hoe? mijn heymlijcke kist,
Waar in ick heb geleyt mijn dierbaarste juweelen?
Fluck haalt mijn kortelas. Ick sal haar leeren steelen
Voor seker zijnt doo luy. Lec. — Ay maacktse niet vervaart.
Was ick as gy, ick sou gaan halen mijn slachswaart,
En die huysbrekers stracx met een scherm-slach afkloppen
Tien, twintig armen, en een veertich, vyftig koppen.
Gy souwt dan met een lust en met verwondren sien
Hoe dat dat lijtloos goet souw spartlen onder ien:
Die hoofdeloose guyts, hoe vreemt souwen die kijcken?

Carpo. — Maar Leckerbeetje hoort. gy moet my niet beswijcken.
Nu wacker als een man, siet dat ghy vroom u houdt,
Gaat toe, en vatse an, treet in Lec. — eerst, heer schout

Carpo. — Voort wijst my dan de wech. Leck. — Gy selt dat selfs wel klaren
Ick sal hier blyven staan en d’achtertocht bewaren.
Waar heen mijn Heer? houwt stil en luystert an de poort.
U dochter wordt verkracht, heb ick aars recht gehoort.

Tweede uytkomen of Bedrijf.

Ascagnes, Lucelle, Carponi, Leckerbeetje.
Wel aan mijn lieve helft, dat wy geen tijt verspillen
Met sloffen reuckeloos, maar ons vereende willen
Bevestigen met doen, en nemen wat geneucht
In’t speelhof van de lust en houwelijxsche vreucht.
Ick sal u wijngaart zijn, die woeckrend’ u sal geven
Voor een verdrietig’ uur een salich lustich leven.
Laat ons gaan plucken tsaam de soetste vruchten, daar
De Liefde mede kroont haar gunstichste dienaar.

Lucelle — Och mijn genegenheyt! hoe ben ick dus geluckich,
En krijch soo blyden loon nu in mijn minne druckich?
Mijn hartje klopt en slaat: ick ben ick weet niet hoe,
Ick geef mij selven op, en u de zege toe.
Doch evenwel mijn lief weest altoos toch gedachtich
Het woort getrouw en stil. Carpo — Ick sterf, ick sterf waerachtich.
Ick wort kranckhoofdich. och! ick beef, ick schud, ick schrick
Door ’t vreesselijck gesicht. maar raas ick? of sien ick?
Ick sien Ascagnes is by Lucelle gheleghen.
Och of de Goden nu afsonden eene regen
Van solpher, peck en vier, daar dees godloose twee
Mocht van der aarden of geblixemt worden mee.
Breeckt daatelijck de poort, slaat doot, en wilt niet schromen,
Op datse door de vlucht niet vande kamer komen.

Het derde bedrijf in de vierde Deeling.

Leck. — Ha ghy bedrieger en ghy schender van mevrouw
Geeft u gevangen, kort, eer ick u ’thooft afhouw
Soo ick Ascagnes docht de kop te smijten stucken,
Of in zijn borst die knijf tot an het hecht te drucken,
So schiet hy om geswint, verset dit met een treck,
En sloech mijn avehans recht voor mijn platte beck.
Wat drommel soud ick doen? ick sweech, ick dorst niet spreken.
Klopt so niet meer, docht ick, ick sel de klincksnoer uytsteken:
Maar hy ontsprong mijn stracx en vlooch met een wip
Na zijn slaapkamer toe, (’k versin me) na zijn knip,
Want siet, ick liep hem na en ben flux toegeschoten
En heb van buytene daar binnen hem gesloten.
Daar sit hy noch en kyckt. nu ty ick heen en haal
Mijn baas, die nu spreeckt met Lucell’ in de zaal.     Carp.uyt.
Holla daar is hy juyst. ay hoort den grynsert morren,
Dat hy Sint Teunis verckens op had, hy mocht niet meer knorren.
Hy knarst, hy knoeyt, hy hort, hoort knor, knor, knor, knor, knor.
Nu ick mach swijgen stil, eer ick hem meerder por.

Carp. — O schellemachtich kindt! de rampsaalichste Vader
Ben ick (laas!) van mijn eeuw, oft oock van allegader.
O ongetrouwe knecht! o mijn bedurven huys!
O mijn wreede Planeet! och fortuyn, wat een kruys
Lecht ghy mijn outheyt op? helas! ick mocht wel seggen,
Dat mijn dit groot geluck een loose laach sou leggen.
Wat kan ter weerelt toch my swaarder komen op,
Dat meerder prangen mach voor desen kalen kop,
Als dat mijn eenich kint, mijn dochter na den bloede
(Dochter? neen Aaterling en bastert van ’tgemoede)
Verlaat het pat des deuchts, en slaat ter slincker om?
Mijn kint, mijn steunstock van mijn kromme ouderdom,
Die heb ick moeten sien selfs voor mijn oogen schenden,
Niet van een Koninx kint, maar van een onbekenden
Verarmden Visschers soon, en sy is noch soo stout,
Dat sy mijn seggen darf, dat sy hem heeft getrout.
Oock dat sy was van sin om met hem wech te trecken,
En had ick ’t niet belet. dees woorden die verwecken
Een sulcken strijt in my, dat ’ck twijffel wat ick wil.
De spraack begaf mijn. ach! ’t scheen dat my ’thart ontvil,
Doen dit de Deeren sprack, ick ging beschaamt van boven
En sloot het slot int slot, de grendels voorgeschoven
Tot door de krammen heen. soo sal de deur oock staan
Tot ick in dese saak my beter sal beraan.

Lecker. — Ascagnes sit oock vast, want soo hy mijn ontsnapten
En sloop zijn Kamer in, die hy oock stracx toelapten,
Daar doch hem was hy vry. wat denckje deed ick doe?
Ick ging en sloot de deur wel vast van buyten toe.
Nu overlecht, mijn Heer, wat dat u is van nooden
En met wat doot dat ghy Ascagnes wilt doen dooden.

De Vader. — Maar waarom suff ick dus en wend mijn wijsheyt an
Een sake die ick doch geensins beletten kan?
Want siet sy zijn getrout voor Gode met haar beyden,
En wat God t’samen voegt dat mach geen mensche scheyden.
O eer van mijn geslacht! adieu mijn suyvre staat.
De Kindren sullen my nawijsen by der straat.
’t Geselschap dat ick plach in eeren te behagen,
Dat sal my schuwen trots, of spijtich van sick jagen.
Mijn vyant sal (o spijt!) noch spotten met mijn schant,
De vreemde speelders die soo loopen door het landt,
Die sullen over al op Kamers en Tonneelen
Dese geschiedenis afschildren en naspeelen.
Ick sal het sproockje zijn van de gemeene lien,
Een yder sal my daar scheets lacchend op aansien.
De dieven, die de eer bedeckt van vrome steelen,
Die sullen mijnen naam met lasterdichten streelen.
Men sal my over dis, op wagens, of in schuyt
Tot een tijdtkorting dit vertellen als een kluyt,
Gelijck als voor wat nieuws, wat koddichs, of belachlijck.
Dit soude my (helaas!) doch zijn te onverdrachlijck,
Ick weet een beter raat, al is sy schoon wat wreet.
Daar is noch niemant die van desen handel weet,
Dan ghy, van welckes trouw ick my wel vast verseker.
Gaat stracx tot mijn gevaar Meester Hans d’Apotheker,
En secht dat hy doet twee oncen scharp Fenijn,
’t Sy van Marmatica, of dat soo quaat mach zijn,
Dat een kleen greyns gewicht een mensche kan doen sterven
In eenen oogen-blick.       Lecker in.

De Vader in zijn zelfs.
                             O help! hoe menichwerven
Ben ick bedrogen door het uyterlijck gelaat!
Maar d’aldergoetste schijn is valscheyt inder daat.
Want op Ascagnes trouw soud ick hebben gesworen,
En op de Vaders liefd mijns Dochters uytverkoren,
Die luttels tijts verleen wel heuschlijk heeft ontseyt
Den edelen Baron van hooger waardicheyt,
Om datse souw dan doch wat meer vernoegings geven
Mijn jaren afgement en moe en mat van leven.
’t Is waar dat schijn bedriecht, gelijck hier staat in schrift.
Sy sullen alle bey sterven an dat vergift,
Dat Leckerbeetje stracx is heen geloopen halen,
Want na Ascagnes sal doch niemant niet eens talen.
Een snelle sieckt of pest mijn Dochter heeft gedoot,
Dat sal ick seggen wis, en voort en macht geen noot.
Al doet het my al seer dat ick haar sal verliesen,
Men moet toch van twee quaan altoos het minste kiesen.

Lecker. — Siet daar is het vergif. hy seyt het is wel fijn,
’t Sal in omme sien haar helpen uyt de pijn.

Carpo. — Hoe nypje so jou neus? wel wat beduyt doch datte?

Lecker. — Mijn Heer, ick vreese seer dat het mijn oock dal vatten.
Gelijck de Mostert doet. Car. — Wilt stracx mijn sinckroer laan,
En mengelt dit in een en volgt mijn achter aan.

’t Vierde Bedrijf.

De Vader, Ascagnes, Leckerbeetje.
Hout daar, Ascagnes, houdt, houdt daar ghy nuw-gehouden,
De morgen-gaaf die ick u geef met u getroude.
Fluck neemtse dat ick ’t sie, eer ick door gramschap dool.
Ick geef u keur van bey, de dranck of de Pistool.
Voort, kiest of deylt oock stracx wat u dunckt het gesienste.

Ascag. — Is dit de loon, mijn Heer, van mijn getrouwen dienste?

Vader. — Nu swijchtmen, sech ick, swijcht, en spreeckt mijn niet een woort!

Ascag. — Ick bid ootmoedich dat ghy doch een luttel hoort.
Mijn Heer aaschout u knecht, die met gevouwden handen
U om vergeving bidt. Vad. — Wel an, ick sal afbranden,
Geeft mijn het sinckroer hier, ick los het in zijn krop.

Ascag. — ’k Sal u gehoorsaam zijn, Vad. — Drinckt de helft uyt de kop.

Ascag. — Houdt daar, soo ’t u belieft, ghy meuchtse weer wech leggen.
Blijft daar tot hy verscheyt, en komtet my dan seggen.       (Vad. binnen.)

Ascag. — O barbarisch gemoet! o wreede tyranny!
Die nu soo onverhoet (helaas!) doet sterven my.
Wat heb ick jonger helt een leven moeten leyden
Gestapeld en gepropt van alle swaricheyden!
Want het is seker dat van mijn geboortnis
’tRampspoedich ongeluck my staach gevollicht is
En heeft my alleszins bevochten en bestreden.
Maar dit sou zijn een lust in mijn ellendicheden,
En selve na mijn doot soo sou mijn vleesloos bien
Een sachter rust ontfaan, soo’ck haar noch eens mocht sien,
Om haar te spreken yets van sulcx, in dier voegen,
Dat haar niet anders souw als hartelijck vernoegen.
Ach Leckerbeetje doet soo veel om mijnent wil,
En doet haar komen hier bedencktelijck en stil.

Lecker. — Hier komen? benje mal? wel wat mach de sot spreken?
Hoe na, wouw gy weer jou sleutel in haar slot steken?
Neen, neen, sy het te doen, ten komter niet te pas,
s’Is besich by haar Vaar. my dunckt dat beter was,
Dat ghy in u gemoet gingt nechtich overwegen,
Hoe dat u reekning staat. bedenckt dat eens te degen:
Op dat ghy niet met schrick voor ’t Godlijck aanschijn vreest.
Spreeckt dan: in uwen hant beveel ick mijnen Geest.

Ascag. — Patiency, secht haar dan, als ick ben overleden,
Dat sy het bly cieraat verander in treur-kleden,
Doch datse duldich draach haar opgekomen kruys,
En dat sy weduw’ is, die tsaarte dochter kuys,
Selfs van een Edeling’, van ’t adelrijcke huys
In Walachien ’t grootst van ’t Coningrijck van Polen.
Die om de achterklap (helas!) heeft moeten dolen
Tot in het Fransche rijck, tot Lyons in de Stadt
’t Villicht dat sy eer lang hier breer bescheydt afhadt.
Vermits mijn Vader soeckt door mid’len en door kunsten
My weer te dringen in mijn Heer de Prins syn gunsten.

Lecker. — Ghy rijmelt, ghy raas-kalt. hoe ist hier eelen baas?
Is dit uw’ uyterste? hy is nescq of ick raas.
Maackt dat de kindren diets, hoe dat in ouwe tijen
De Mannen plegen op een beusem stock te rijen,
En dattet Vroutjen eerst ging wacker op haar hooft
Of andre beusling, gy liecht dat gy’t selfs gelooft.
O goetdunckende geck, wat laat ghy u doch veur staan?
Buuren kijck uyt, staat breet, laat d’Edelman doch deur gaan.
’tIs mooglijck dat u Vaar hier voortijts is geweest
De Luytenant generaal van Ragot onbevreest.
Waarom geen Koronel van ’t Leger van de luysen?
Lest las ick ’t chronijck van een van hoogen huysen,
Ascagnes oock genaamt. nu weet ick niet voorwaar,
Of het u oudoom was, of bloetvrient, of Groot-vaar,
Die sulcken slagen sloech, dat hem niet een ontslipten
Die hy niet met zijn duym of met zijn nagel knipten.
Schijt Samson, Hercules, ja al de reusen kloeck.
Dees neerlaach is geschiet in de naat van zijn broeck
En dickwils in zijn Hemd, als hy ’s nachts niet kon rusten
Door die Mensch-eters wreet, die ’t bloet suypen met lusten.
O’tis een vinnich volck, voorteelich en onkuys,
Haar aansicht is van kleur niet anders als een luys.
Maar hy wasser te gau, hy wistse te betrapen
Het was een oorlochs-man geboren met de wapen.
Na dit moeskoppen fel so lieper by de zoom
Een stroock en streeck van bloet, gelijck een waterstroom.
Dat duurde wel een uur: en sint wert hy verheven,
De kalen adel heeft hem tot een eer gegeven
Van zijn heldachticheyt dit wijtberoemde schilt:
Drye grauwe luysen op een grys versleten vilt.

Ascag. — O wreed en boose mensch! wat relt ghy voor mijn ooren?
Swijcht van u guytery, ick macht niet langer hooren.
Eylaas! hier is de stondt dat ick vergeten moet
Wat my ter werelt is behagelijck en soet.
Gedenckt Ascagnes nu aan ’t eynde van u dagen,
Aan ’t eynde van u pijn, aan ’t eynde van u plagen,
Aan d’alderleste weeck, aan d’alderleste dach,
Aan d’alderleste uur, daar niemant af en mach.
Wat siet u doot genaackt, vermits dat ick bemercke
Dat ’t ingenomen gift met kracht begint te wercken.
O vernielende doot! sult ghy dan vetter zijn,
Wanneer ghy hebt geschockt dit lichaam (laas!) van myn?
Neen neen ghy seker niet, maar ick sal zijn geluckich
Door ’t scheyden uyt dit dal der tranen droef en druckich,
Om deelachtich te zijn het alderhoochste goet
En ’t Godlijck wesen van d’alwijse Schepper soet.
Al wat de Son beschijnt en sich vertoont op aarden,
Dat is verganckelijck en van seer kleener waarden,
By ’t onverderflijck, dat hier boven is om hooch,
Van welcx opmercklijckheyt het alderscharpste ooch
So verre sich vergrijpt, so verre sich vergeet,
Dat het vant tydelijck noch van het aartsch en weet.
Dat is het gene dat d’aal-oude Dichters melden,
Dat onse schimmen gaan over d’Elysy velden
Tot aan Lethes rivier, welck is van sulcker kracht,
Dat sy vergeten doet al’t werreltsche geslacht.
De gryse Griecken die van wijsheyt mogen roemen,
Die gaan niet ydelijck het smenschen lichaam noemen
De kercker van de geest, vermits sy hem besluyt,
Dat hy niet mach na wil zijn vleug’len strecken uyt.
Het schijnt dat ons geboort, die doch begint met treuren,
Ons propheteren wil wat ons hier sla gebeuren:
Dat’s weenen, ongeval. want die’t al wel besiet,
Selden beleeft men meer als quelling en verdriet.
Geluckich synse die haar strijdt hebben gestreden,
Haar loop hebben ge-ent en slapen nu in vreden.
O doot! ghy die daar zyt de ruste van mijn ziel.
O doot! wiens naam dat my eertijts soo lastich viel.
O doot! geen doot, maar eer gemeene wech ten leven,
Door wien dat men ontgaat d’ellenden, daar beneven
Het wissel-waalbaar lot des rancken avontuurs.
O doot! o goede doot! die voor een weynich suurs
Eeuwige soetheyt geeft. de gelucksalige zielen,
Die in’t hemelsche hof rontsom haar Koninck krielen,
Sy sien geen ongeluck, sy sien geen ongelijck,
Want niemant is daar arm, maar alle zijn sy rijck.
Het schricken van de kans doet haar niet ancxtich swieten
Onsterffelijcken God! laat my dit luck genieten.
Gebiedt u knechten doch met Goddelijck bestier,
Dat bidd’ ick innichlijck, dat zy mijn ziel van hier
Doen vliegen opwaarts op, door wolcken en gewemel,
Tot voor u gouden throon en alderklaarsten hemel,
Dat sy de vruchten smaack en het onentlijck licht,
Dat stadich flickert van u heylich aangesicht.

Lecker. — Sijn naars die is is al kout, nou moet hy onder de kluyten.
Maar holla, ik moet ierst gaan huylen tranen met tuyten
Na d’ouwe wet. och och! daar leyt hy soete vaar.
Och ’twas sulcken vrouwe man! och ’twas sulcken sneuckelaar!
Hy kon’t soo moytjes doen, wie sel’t nouw voor hem bewaren?
Staach sat hy en stelde: stronck strongt soo gingen al zyn snaren,
Daar leyt die schoonpraat, och! daar leyt hy die schoon in ’t ooch,
Die valsch achter de rug, och! daar leyt hy met de pisser vast om hoog!
Maar krijt ick al genoech? kijck, hettet al wat gracy?
Och ’twas een bet vol stancx, och ’t was een straat vol stacy
Och ’t was een kerck vol volcx. och ’t was een huys vol wercx. och ’t was ick weet niet wat.
Och ick verbly myn wel een ellen in mijn gat.
Hoe koom gy doch al weer doot myn soete gecks-kuyf.
Adieu, och dat ick soo haast van jou scheyen moet met speckstruyf.
Maar waar sullen wy’er mee heen? hoe krijch ick hem buyten’shuys?     Carp. uyt.
Wil ich hem met een stien om zyn hals gaan werpen in de sluys?
Of wil ick hem in de back of in het kackhuys schieten?

Carpo. — Neemt ghy hem om de borst, komt hier voort Margeriete,
En draacht hem op die leer die ghy daar ginder siet.
Brengt mijn kint dit juweel, secht haar en latet niet,
Dat sy nu soo veel lust soeckt uyt zijn doot te scheppen,
Als hy wel vreucht genoot doen hy hem plach te reppen,
En dat sy dese dranck alleen geniet van mijn,
Om eeuwelijck met hem vergaart en wel te zijn.

Lecker — Siet hier Juffrouw de vriendelijcke presentacy,
Die u u Vader sendt, vrouw van de lichte nacy,
Mijn Meester stuurt u dit, en dese brave kroes,
Op dat gy al dit goet souwt drincken eens gaaroes
Op de gesontheyt van al die u hier in dienden,
Met al u bruylofts volck en aldernaaste vrienden.

’t Vijfde Bedrijf.

Lucelle, Margarieta, Leckerbeetje.
Komt sulpher-geesten vaal, komt spoocken snar en snel,
Komt Eungers, komt geswindt en klautert uyt de hel.
Komt Duyvels, Nickers komt, komt ysselijcke droomen,
Komt nachtgesichten, die daar waren aen de stroomen
Van den vervloeckten gront in’t naare heylloos rijck.
Komt onder-aartsch gedrocht beklontert van het slijck,
Loopt, blickert, blakert, brandt met u beteerde toortsen.
Komt dulheyt, raserny, komt siekten, pesten, koortsen,
Serpenten, slangen en giftige dieren wreet,
Die tot vernieling van den menschen zijn gereet,
En schent, en schiet, en scheurt de werrelt, is het doenlijck.
Komt swarte Goden boos, komt Parcken onversoenlijck,
En ghy o blixem vlugg’ vliet vluchtich ende ras,
Brandt huysen, toorens hooch tot pulver en tot as.
Wat toefdy, donder, die het trotste hart doet schricken?
Gaat baldert, klatert, klapt hemel en hel in sticken.
Ick trots u guychel-spel, ick puff u grootste kracht,
Ick tart u allen uyt, komt hebdy hart of macht.
Bortelt op dese borst, en knuest mijn kloecke leden,
En martertse tot stof. Ick wensch te sterven heden,
Om dat ick nu moet sien (o gruwel al te groot!)
De huys-heer van mijn hart en al mijn blijschap doot.
O aarde luyckt doch op, barst open, neemt rechtvaardich
Wraack van ’t onnoosel bloet, gelijck de schelm is waardich.
Och ongeluckichste van al u levens tijdt!
Wat doedy felle doot mijn ziel een groote spijt?
Mijn sinnen borlen tsaam, mijn harte schopt van vresen.
Margriet, ick sterf, ick sterf. ay helpt my in dit wesen.

Margri. — Helaas! sy heeft voldaan en alles uytgeroert.
Ick sie niet dat sy lidt of leen of lichaam roert.
Sy haalt haar asem noch, brengt mijn eeck. ach Lucelle!
Verpijnt u, maackt wat moets, het lijfje mach haar knellen,
Ick sal ’t onthaken en een weynich haar ontdoen
De kousebanden en de linten van haar schoen:
Op dat haar laffe hart, quackx van ’t anborstich hygen
Weer wat verquickins en wat vryer lucht mach krygen.

Lucelle — Wel aan geeft my de dranck van water en Fenijn
Dat tegenwoordich sal het ware middel zijn,
Waar door ick heylichlijck, met innerlijck verblijen,
Mijn jonge leven sal dit koude Lijck toewijen,
En offren ’t op ’t altaar mijns ziels een offerandt
Van ’t suyverst’ van mijn hart en ’t klaarst van mijn verstandt.
Ach edel lichaam, dat door u bedienstigheden
Verdienden al mijn dienst en hoogste jonste mede.
Houdt daar, herneemt den Nap, en secht mijn vader danck
Van vaderlijcke gunst en van zijn lieve dranck:
Die mijn veel waarder is dan al de Artsenijen.
Want hy souw mijn voorwaar met een verdrietich lijen
Gemartelt hebben, by so verre ick een nacht
Laas! na mijn Bruyd’goms door souw hebben doorgebracht.
Ghy meucht hem vryelijck oock wel te kennen geven,
Dat mijn Ascagnes is noch levendich gebleven,
Al leyt hy uytgestreckt aflyvich in de schijn,
Siet hier zijn eygen helft, hy leeft hier noch in mijn.
Ach glory van u tijdt! die staat-sieck noch eer-suchtich,
Manhaftelijck verkreecht den tytel van doorluchtich,
De bloem des Edeldoms en welgeboren jeucht,
Door anders daden niet, maar door u eygen deucht.
Ach schoone oogen! ach de sonnen van mijn leven!
En soud ick niet voortaan in’t duyster moeten streven,
Dewijl een staage nacht verdooft u glansen blont?
Ach soete lippen bleeck! ach liefelijcke mont!
Wiens wyse redens my bekalden vaack in’t hooren
En trockt ten lichaam uyt mijn ziele door de ooren,
Vermits ’tbewegen van u heusche toover-taal.
Ick moet u soenen (ach!) hondertich hondertmaal.
Ach! ist gelijck men seyt dat als twee Liefjes kussen
Den ander voor de mont, dat t’wijlen ondertusschen
De sieltejs spreken tsaam, als door de vensters van
Het ongevoelijck lijf: siet ick besweer u dan,
O alderbraafste ziel, hebdy eenige krachten,
Of kunst, of wetenschap, so wilt mijn niet verachten.
Maar secht doch nu Adieu slechts eensjens noch een reys.
U mistroostige lief. ach vleysje van mijn vleys,
Ach mijn waardige ziel, mijn leven en mijn lusten,
Hoort mijn klachtige stem. Hoe moochdy doch so rusten?
Siet u bedroefde Bruyt is moedeloos en swack.
Mijn troost secht my Adieu met d’alderleste snack.

Margreta in haar selven.
Ach wat een wangelaat! ach wat weemoedich treuren!
Ach sietse ’tschoon aanschijn, heur hayr en kleeren scheuren,
Gelijck de dolle luy, sy krabt haar wangen op.
Hoe schricklijck branden nu de oogen in haar kop?
Ick durf niet by haar gaan, sy mochtmen oock verderven.
Ach sussie moet ick u sien voor mijn oogen sterven?
Lucelle, ach ick sterf, of maticht wat u druck.

Lucelle — Ick sal geen slaaf meer zijn van ’t hartneckich geluck.
Want siet de doot die komt, die mijn de deur maeckt open
Ten blyde boogaarts daar de saligen naar hopen.
Adieu, ick kus voor ’t lest u koude handen tsaart
O lichaam dat alleen is ’t eewich leven waart.
De witte Engeltjens die zijn misschien onledich
En leyden nu dijn ziel voor ’t Godlijck aanschijn sedich
Onder ’tverkoren tal, daar ghy mijn plaats bewaart
En wacht my swoegend’van u hooge hemelvaart
Door wolcken en door lucht. Goon doet mijn vader smarten
En leet zijn onse doot: die’ck hem vergeef van harten.

Margr. — Helaas! daar leyt sy doot gelijcken of sy swymt,
Haar mont schijnt an haar lief Ascagnes mont gelymt.
Ach onbillijcke doot! ghy toont aan al u wercken
De wreetheyt van uw’ aart door moortdadige mercken.

De seste Handeling.

De verliefden Baron ende Margareta.
Hola ick wacht te lang. de roode dageraat
Die kundicht dat de Son zijn flucksche paarden slaat
Ten gulden wagen in en smoort de donckre lampen
Zijns susters, hy treckt op de nevelige dampen
En geeft het vrolijck licht, den aangenamen dach,
Den dach (segh ick) dach die Ascagnes vloecken mach.
Om dat hy my met list de hoop soeckt af te snijen
Door verwaantheyt van zijn ongeoorloft vrijen,
Soo sweer ick hem de doot. ick spouw mijn gal van spijt,
Waar sydy Lecker nu? die my op dese tijt
Den schellem hebt belooft te leveren in handen,
Dat ick mijn wreken mocht van de geleden schanden.
Ick hield’ hem arm en been ja ’t hooft wel van zijn lijf.
Wat houwt my dat ick hier dus samelende blijf?
Wel ick gaader na heen, gelijck als na een Kopper.
Hoe nu? de deur is toe, dan doch hier hangt de klopper.
Goeden dacht Jofvrouw, is heer Ascagnes t’huys? Mar. — Neen,
Hy heefter al geweest. Bar. — Hoe? is hy overleen?

Margr. — Helaas! weet ghy ’t alrees? Bar. — Ach ick kom om te wreken
Van sulcken trotsen trots, die ick niet mach uytspreken
Wat souw hy? is hy doot? wel hoe kan dat geschien?
Ist moochlijk? is het waar? dat moet ick eens besien.
Ach! most ick hier in treen, op dt ick souw anschouwen
Dit deerlijck schouwspel? hoe? wel wat is dit? mijn Vrouwe
Lucelle die is doot en siet Ascagnes an,
Waarachtich het is meer als ick begrijpen kan.
Ick twijffel in dit stuck. misschien ist by gekomen,
Dat van haar beyder liefd de Vader heeft vernomen
Te vrye vruntschap, die oock mooglijck was so groot,
Dat hyse daarom heeft vergeven of gedoot.
Noch gistren heeft u knecht my yets daar van vertrocken
Ach! ick swem in een zee van gulle ongelocken,
Hoe’ck meer dees Frenesy wil smijten uyt mijn sin,
Hoe ickse verder laat ter zielen kruypen in.
Ick slacht ’t gewonde hart, dat met zijn snelle voeten
Zyn eygen doot verhaast, of wanneer alst met vroeten
De welgetroffen pijl wil wriblen uyt zijn sy,
En drucktse dieper in, recht gaat het so met my.
O Schepper, Bouw-heer van de eeuwige woonsteden,
Tot wat ramp heeft de noot myn toch geroepen heden?
Mijn sech ick, die versocht heb met de starckste mans
Hoe vele dat vermocht de treffing van de lans:
Dan (laas!) ick arme sot en heb niet konnen dencken
Dat my een teere Maacht mijn moedicheyt sou krencken
En rucken uyt mijn borst het harte sonder slach,
Maar met een lieve lonck en lodderlijke lach.
Ick die heb uytgestaan soo veel hazaards en lijden,
In tochten prijckeloos, in slachten en in strijden,
In het beleegren en verwinnen van de steen
En heerlijckheyden groot: sal ick eylaas alleen
So bitter zyn onthaalt van die al-waarde Vrouwen,
Die al de mannen doch voor ’s werrelts suycker houwen?
Ick souw met meer gedult vergeten noch mijn leyt,
Indien dees schoone Vrouw so dreuts niet had ontseyt
Mijn ongevalschte jonst, alleen om te behagen
Een vreemdeling, een slaaf, dat kan ick niet verdragen.
Ick moet mijn gramschap nu versoenen door het recht,
En duwen hem dit swaart in ’t lichaam tottet hecht.
Hoe nu toe? ben ick geck, dat ick wil oorloch voeren
Met een versturven, die zijn selve niet kan roeren?
Wel an gedenckt my niet dat hy is uyter tijt,
En dat hy al zijn lust en leven nu is quyt?
En alst oock is geseyt, de Jongman is onschuldich.
Veel beter stort ick uyt mijn tooren onverduldich
Op dees smaelige Vrouw, die mijn twee jaren lang
Helaas! doen singen heeft den droeven jammer-sang
En mijn oprechte min onwaardelijck versmeten:
Dies ick heb vruchteloos mijn schoone tijdt versleten.
O groot’ ondanckbaarheyt! die waarlijck waardich waar
Dat men u graafden in een tafel oft altaar,
Tot een geheugenis, op dat nakomelingen
En tijdt-genooten beyd sich spiegel aen u dingen,
Mits dat ghy zijt gestraft so vinnich en so quaat,
Gelijck de grootheyt eyscht van de begangen daat.
Ghy die afkeerich schout den offer van mijn sinnen,
Een overgeven siel die blaackten in u minnen:
Daar ghy in tegendeel verkoost een slechte slaaf
En weygert een Baron groothartich eel en braaf.
Dan ’tis der Vrouwen aart beleefden te ontseggen
En op een plompe loer haar sinlijckheyt te leggen.
Gelijck de Wollefin in haren heetn loop
De wanschapenste lieft van al den heelen hoop.
Heeft de natuur u dan met schoonheyt gaan stofferen,
Om uw’ uytnementheyt een plompert te ver-eeren?
Of stelts’ een slechte siel in ’t lichaam schoon en moy,
Recht als de Vogelaar schiet in een fraye koy
De aldernootste Vinck, om wat meerder schijnhaarheyt.
De Vrouwen zijn meest al bedriechsters inder waarheyt.
Ock mijn beminde vrunt, ghy seyde tegen mijn,
Dat mense bruycken most gelijck de eedle Wijn,
Die matelijck genut doet ziel en lijf verheugen
En wackert het verstant: maar wiese daarenteugen
Onnuttelijck inneneemt, bedroeft zijn goede geest,
En als zijn menslijckheyt verandert in een beest.
Gelijck het blijckt an my, diense wel plach te smaken,
En nauwlijck nu en weet hoe icker of sal raken
Dan door de leste raat in vertwijfling en noot,
Dat’s ’t ent van alle ding, hetwelck men noemt de doot.
Doot waarom kort ghy niet de draat van al mijn jaren?
Tot wat groot ongeluck wildy my noch bewaren?
Of werdy nu gelijck den Jager onbeleeft,
Die ’t wiltbraat niet en wilt dat selven sich opgeeft?
Waarom versmady mijn, die u soeck te gemoeten,
Om dat ghy souwt mijn pijn versachten en versoeten?

Eynde vierde bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 oktober 1997