Over-Gesette

LUCELLE

G.A. Bredero (1585 - 1618)


TOE-EYGENINGH, AEN DE EERBAARE, KUNST-RIJCKE

TESSEL-SCHA ROEMERS DTER.

Onder de ghebrecken der Redelijcke Schepselen, en bevind ick ter Werrelt geen onmenschlijker, dan de Ondanckbaarheydt: Want dese Beestighe onbekentenisse vertoorent menichmaal God en de goede Persoonen; waar op de Wijsheyt der vorigher Eeuwen, de sulcke wel ten rechte straft en doemt met dit Rijmpje:

    Hy is niet waardt dat hy Broot eet.
    Die oude
Deuchden licht vergeet.

    Nu dan waarde Joffrouw, om u de gedachtenisse der bewesene goeddaadicheden te toonen, mitzgaders: om my van dese Vloeck en Laster te ontledighen en te vrijen, heb ick langhen tijdt gelegenheydt gesocht; dan doch mijn nydige Fortuyn is soo kaarigh geweest, in my te begiftigen met middelen om u te vergelden de beleefde Jonsten, kunsighe handt-reyckingen en behulpsaamheden, datse my niet anders heeft ghelaaten, als dit Bly- en Thruer-Spelletje, het welcke by my nuwelinx uyt de Fransche Prose, in Neder-duytschen Ryme ghestelt, en by de Outste Kamer van mijn Vaderlijcke Stadt Amstelredam gespeelt is. Hoe wel of qualijck dat dit gevolcht is, laat ick spreken der ghener, wiens Harsenen gesuyvert en rijck van oordeel zijn, en dien, diens harten minst met verwaantheyt en neus-wijsheyt zijn beseten. Voor my sal’t loons genoech zijn, so ic maar weynige, en de Verstandige mach behagen: en dat ick soo gheluckich mach werden, dat ghy dese mijne vriendelijcke (maar doch geringe) Vereeinge int goede an-nemen, ende des Gevers vrymoedicheyt ten besten duyden wilt. U selven vry versekert, dat de Grootheyt van mijn Gunst gheen goede wille om u meerder dienst te doen en mangelt: maar dattetmy alleenlijck schort aan vermoghen van bequaamicheyden daar toe noodich.
    Wilt dan, Minnelijcke Maacht, dit lieve Minne-Spel eens overstraalen met die blinckende Starren, die inden Hemel van u Voor-hooft staan en tintellen. En gebiedt de Luyt-slager van u lieffelijcke mont, mijn harde woorden wat te maatighen en versachten: soo sal ick u mijn leven lang danck weten. Gelijck ick van harten doe, overmits het u belieft heeft dit selvige Spel met u waardicheydt te vercieren, en de sit-stede met V.E. tegenwoordicheyt te ver-eerlijcken, ons verleenende een soo aandachtige en nechtigen gehoor, dat de beroerelijke redenen door ywmant beweeglijck uytgesproken, ter nyverer siele inne braken, sulcx dat de weerslach vande wint der droever woorden, ten blyen oogen met sulvere Parlen uytborsten. O goedicheydt des Geestes! O krachtich na-bedencken der menschelijker quellinghen! het medelijden van u Even-naasten track oog-schynnelijck door Zinnen en Zenen. Wederom, by wylen mengelde de grillicheyt der boerterijen dat kostlijcke en Koninglijcke Purper onder ’tLeli-witte vel van u Maachdelijcke wanghen. Kort om, het hoogh-draghende ghelaat uws volmaakten Aanschijns verwisselde sich na de verscheydenheden der dinghen: O waardige opmerckenheyt! waarlijck ick sie, so lief, daar thien die u ghelijcken, als al de malle pracht der overdwaalsche Rijcken: Ick ben vyandt van die onbevoelijcke steene Menschen, en van dat houte-volck, die de uytnementheden der Schryveren niet en verstaan, en ’tuytbeelden der frayicheden dickwils lasteren: om dattetjuyst met haar murruwe en misselijcke sinlijckheyt niet over een en stemt. Maar ghy, Eere van onse Stadt! Ghy roem van onse tijdt!sijt van een eerwaardiger Geslacht, en zijt oock met ander voetsel opghequeeckt, niet met Melck noch met Wijn, maar met het schrandere Merrech van u gheestige Vaders Breyn, dies draacht de Somer van u Jeuchdige Jaren nu de waardige vruchten van alle Eerlijcke en prijsselijcke wetenschappen.
    O Vreindinne van Boecken en van goede Letteren, of hier eenige misslagen (door snelheyt of door onvoorsichticheyt) waren ingheslopen, wilt die met u bescheydenheyt verschoonen, wetende dat ick het ghemeene volck te gevalle, inde houwbollicheyden, te met, eenigh straatsproockjes en woorden heb moeten ghebruicken, want die Lieden meer met de slordichste als met de beste zijn vermaackt. Is hier voor de sindelijcke of scharp berispers niet ghevoegelijx in, ’tis my ten minste leet: Ick heb mijn best gedaan, en ’tgeleyde pat meest nagetreden, doch somtijds uyt vryposticheyt een sprong uyt des Frans-mans wech ghesprongen: waar aan (dat ick hoop) dat de Na-kijckers, Lesers en Hoorders geen mis-noeghen hebben sullen. Voorts, waardige Dochter, op het vertrouwen van u Deuchdelijcke goedheyt, heb ick dit mijn Boexsken in uwe gheleyde laten uytgaen: Verhopende dat Uwe Naam my een Scherm en Schilt sla verstrecken, om te keeren al de Pylen der bitterder Achterklappers, en dat het selve Spelletje te meer by vrome Vryers en Vrysters sal ghewilt worden. Endeling, ontfangt dan de slechte Eerstelingen van mijn ongeleerde Rymerijen met sulcken gunstighen Hart, als sy u uyt grondelijcke Gemoeden werden geoffert, van uwen harts-willigen

    en gheheelen

        G.A. BREDERO.


Aan de Lesers en Lief-hebbers der Nederlandse Posye.

De wanschapene Esopus, siende zijn besighe Mede-macker reetschap maken om hare packen en sacken op te nemen, schaamden sich alleen ledich te gaan: Derhalven nam hy op hem ’tgeen andere wraakten, ende is also zijn Gheselschap ghevolgt. Even van ghelijcken ben ick (waardighe Leser) bewoghen gheweest, wanneer als ick sach mijn Rijm-Broeders soo naarstich in ’t oeffenen der Hooghloflijcker Reden-Kunst, in welcker wetenschappe een yder heeft ghedrahen de willighe last van zijn soete sinlijckheyt: dies ick gheprickelt zynde van ghelijcke lust, hebbe aenghenomen niet ’tgheen voor hun te swaar, maar dat voor haar t’onwaardich scheen, alsoo haare gheleerde sinnen met hoogher stoffe zyn voorsien, en so mijn ghemeen verstant de overvlieghende dingen niet en kan begrijpen, heb ick voor de Ghemeene-man dit ghemeene Spelletje overgheset met de ghevallichste en ghevoeglijcxste middel die my de geest heeft innegegeven: de sin en woorden heb ick te naasten by gevolcht. Indien dat hier kunst ontbreeckt, wilt dat goedichlijck verhelpen, en met een beter verschoonen. Selver heb ick wel gheweten dat hier veel in te berispen, en niet minder in te verbeteren vallen sal. Insonderheyt kan ick wel afdencken dat ick de Nydighe spinne-koppen, noch de mues-wyse sindelijcken niet behaghen en sal kunne: doch ick acht meer de verstandige beroepingen als des Lof-tuyters oor-smeeckerije, die ghemeenlijcke der Sotten ghemoeden tot verwaande hoovardije, oft tot blintheyt, of tot domheyt der Harsenen vervoeren. Daeromme ghy Leser of Leserin, oordeelt met bescheydenheyt, leest met lust, verstaat en onderscheyt wel de dinghen die tot vermaack der Borgery, en tot voordeel der Armen en tot ons STadt Eere is ghemaackt, door uwen willigen

    En toeghedaane

        G.A. BREDERO.

                    ’t Kan verkeeren.


Inhoudt van ’t Spel van Lucelle.

Int eerst en tweede wert onderhandelt een houwelijck, tusschen den Baron van Duytslandt ende Lucelle, die hem weygehert. Oock met een reden ofmen Minnen mach of niet. Mitsgaders den oorspronck en een beschrijving vande Mijn; en hoemense ghebruycken moet: yder van deese deelen zijn blijd en gheneuchelijck.
    Int derde, wert Lucelle al te seer verlieft op haar Vaders Kamerknecht: En na eenige verliefde redenen onder haar beyden gesproken, trouwen sy onderlingen malcander heymelijck: Van het welcke den Baron gewaarschouwt zijnde, treet in een al te grammen raserny en besluyt datelijck Ascagnes om te brengen.
    In het vierde, werdt dit huwelijck heel ontdeckt door de Vader van Lucelle, vermits dat hy zijn Dochter (die hy een seer groot achtingh hielt) buyten alle quaat vermoeden vint gelegen by Ascagnes, het welcke dit alles soo dul en droevich maackt, dat eenige wierden gehouwen voor doot, andere waren daar over uyt om te moorden, sommige riepen angxstich nade doot, ettelijcke wilde vluchten. Hier en is geen deel in dit bedrijf der Personagien, oft tis vol beroernis en verslagentheyts, door de wederwaardicheden, onwillen en klachten van yeder een. Maar boven al de krachtige dulheyt van Lucelle, die welcke mistroostich werdt, als sy doodt sach haer wel geminde Ascagnes.
    Int vijfde en leste deel, Lucelle en Ascagnes vermaart voor doodt, verkomen (buyten alle hoop) in goeder gesontheyt: Hy wert bekent voor de Soon vanden Prins en Paltsgraaff van Polen. Men verrekent de oorsaack van zijn onbillige en onrechtvaardige banninge, in welcke geluckige uytcomste een yegelijck verheuchden met alle vreuchden en wel vernoegen: En int eynde begint dit houwelijck met Lucelle en Ascagnes haar verloofde. Het geheele Spelen gheschiet binnen en buyten, en ontrent Carpones huys.


PERSONAGIEN IN DIT SPEL.

BARON.

LECKER-BEETJE.

APOTEECKER.

ADELLAER.

ASCAGNES.

C. BAUSTRULDES.

PANNETJE-VET.

LUCELLE.

JAN-NEEF.

CARPONNY.

MARGRIET.

 


Naar het 1e bedrijf.

Naar het 2e bedrijf.

Naar het 3e bedrijf.

Naar het 4e bedrijf.

Naar het 5e bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 26 oktober 1997