G.A. Bredero (1585-1618)

AMOUREUS-LIEDT.

Op de Voys: Ick bender een arme Pellegrim siet.

De Minne die in mijn hertje leyt,
Die sal niet eynden noch sterven,
Al schijntet dat ick door teghenheyt
Mijn Lief sal moeten derven.

Al reys ick te Landt en over Zee
En swerf in vreemde Steede,
Mijn Liefs Beeltenis draach ick mee
In mijn gheneeghenthede.

Al ben ick daer wel veel jonst gheschiedt,
Het buycht gheen van mijn crachten,
Maar als ’t hart op mijn Lief eens siet,
Soo juyghen mijn ghedachten.

Al syn meer andere schoon en Rijck,
Sy kunnen my niet verwinnen,
Doch als ic mijn Jufvrous deuchd’ bekijc,
Aan bidden haar mijn sinnen.

Tsint dat mijn oogh op haar schoonheyt viel,
So socht ick haar te behaaghen
En heb met eerbaerheyt in mijn Ziel
Haer reyne jonst ghedraghen.

Heylich en eerelijck syn gheweest
Ons Minne, kusjes, boerteryen,
Want haar gesuyverde goede Gheest
Gheen dorperheyt kan lijen.

Haar heusheyt en ooc mijn Liefde groot,
Ons Vrientschap daar beneven,
Die sullen duuren tot de doodt,
Ja mueg’lijck na ons leven.

Of by ghevalle dees raserny,
Mijn Liefjen quam in handen,
Haar Wysheyt redenkavelt my
Ten konfer of ten branden.

Mijn ruwer begrip en stompe styl,
Verwerckt die, o mijn Goddinne!
Met die sneedighe scharpe vyl
Van u gheleerde sinnen.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 24 december 1997.