G.A. Bredero (1585-1618)

MOORTJE

EERSTE UYTKOMEN VAN HET EERSTE BEDRIJF.

Ritsaardt, Koenraedt.

Wel sal ick dan doen? sal icker gaen of niet
Nu sy myn uyt haer selfs en vrye wil ontbiet?
Of wil ’l myn sotte lust met reden nu besnoeren
En vlieden het bedroch der afghrechter hoeren?
Die looslijck met myn spot, als ick tot harent kom
Dan sluytse myn voor deur, dan roeptse myn weerom,
En set my toot op toot en loopt by andere pollen.
Ick weet niet hoe ick wil, soo is myn kop op rollen!
Neen ick en gader niet al badt sy noch so seer,
Myn sinnen zyn ghekeert Koenr. — ’t is u oock ’t best myn Heer
Dat ghy de gayle tocht der herten gaet in houwen,
En gheefdy gheen ghehoor der looser lichter vrouwen,
Ghy wert selven voocht, ’t is wel datmen begint,
En stadich blyft by ’t werck, ghestadicheyt verwint:
Doch is u sin soo wuft dat ghy u niet kunt breecken
Noch koelen u ghemoedt, en loopt haer weder smeecken
Met lieffelijck gheplaar van woorden suycker-soet,
Tot hare schalckheyt merckt dat ghyt uyt liefden doet,
So ist met u ghedaen! u saken gaan verloren,
Want sy sal u met schijn van vruntschap so bekoren,
Bekollen dol en dom: soo dat ghy sonder maat
Nauw weten sult of ghy op hooft oft voeten gaet.
En hangdy hart of siel an haer beveynsde treken,
So sal sy endelingh den draack noch met u steken;
Dat is de Hoeren aert. Rits. — Dewijl de saack soo staat,
Besint u en versint voor my een goede raadt:
Denckt eens, noch eens, noch eens! en vraacht an u ghepeysen
Hoe dat ick myn verdriet en minne best sal veynsen.

Koenr. — O Meester! u ellendt ontroert my sonderlingh,
En wat de min belanght dat is een seldsaam dingh,
s’Is raadt en redenloos, en so wilt van manieren
Dat weysheyt, kracht noch kunst, haer woestheyt kan bestieren.
Al dees ghebreecken zyn voorneemlijck inde min
Als laster, quaat vermoen, bekommeringh van sin,
En rueckeloosheyt slof, en veel onnutte vreesen,
En sorghen, licht-gheloof, betuetering van wesen;
En achterclap, en haat, en twijffelinghen mee,
En verand’ringhen van bestant, van krijch, van vree.
Beseylt dan op ’t Kompas vande beslepe reden
Eems een’ge sekerheyt, in des’ onsekerheden.
Vergheefs is al u moeyt, al woeldy noch soo hart,
Ghy vindt noch rust noch vree, maer eyndeloose smart.
So u vermoeyde gheest door’t hopeloose trueren
Op eyghen slapheyt dan u selven gaat verstueren
En vaart onheb’lyck uyt, uyt dulheydt meer verwoedt
Dan redelyck of recht, met bittre mondt en moedt
Bescheldent uwe schuldt, en vloeckt dan vloeck op vloecken
Op’t ongh’luck, dat wy selfs benaarstighen en soecken.
Neemt by u selven voor van daar niet meer te gaan,
En treckt het hart en hooft met onwil daar van daan,
Segghende in u selfs: en soud’ ick haar niet haten
Die nu een ander mint en my al heeft verlaten?
Ick waar veel liever doot: het sal oock soo gheschien
Dat sy wie dat ick ben te laat met leedt sal sien.
Dit opset is wel goet, en billich oock ghenomen,
Maar krachtloos en ijl, want wiljer weder komen
Sy sal u vlieghen met veel jonsten om den hals,
En gheven u een praat van schoone woorden vals,
En soecken met gheweldt van wringhen en van wrijven,
Een traantje soo ghemaackt, ten ooghen uyt te drijven,
En met gheveynst ghebaar versieren een onschult,
Waarop dat ghy terstont u gramschap laten sult,
En ’t al te dweech ghemoedt van wreede tyrannijen
Beschulden, als of ghy waart oorsaack van haar lijen,
En gheven uyt u selfs u over inde macht
Die met betraant ghelaat om u in’t harte lacht.

Rits. — Die schandelycke treck, ’t bedroch, en schelmerijen,
Dat werdt ick nu gewaar, maar meest myn sotternyen
En ’t wonderlyck verraadt. Ick brande van een vlam
Die uyt onkuysche lust haar eerste oorsprongh nam,
Ick doe al wetens quaadt, al streefter reden teghen,
Myn sinlyckheydt verwindt, ick ben te seer ghenegen,
Ick sterf dat ick sie, ick leef, ick weet niet hoe,
’k Heb noch belul, noch raadt, ay raadtmen wat ick doe?

Koenr. — Staet af van ’t snoodt vervolch van u verbode minne,
En tueghelt met verstandt u toomeloose sinnen:
Valt u ’t beginsel swaar, of barst u ’t hart van spijdt,
Allengsjens dat versacht met hulp van werck en tydt:
Gheen beter middel mach u yemandt hier voorstellen,
Om u op ’t alderminst in dese saack te quellen.

Rits. — Maar houdy dat voor best? Koenr. — Ja Heere! dats ghewis,
Maackt toch gheen swaricheydt, noch groote droeffenis
Om een lichtvaardicheydt, den vrouwen aangheboren,
Die licht vergheten ’t gheen sy lichtelyck verkoren
Siet daar, daar komtse selfs, die pest en het verderf,
Die u gheheele goet verteert als eyghen erf.

Moyael. — Ach arme! ick helaes! ick ducht, dits al myn vreesen
Dat Ritsaart seer versteurt en toornich sal wesen.
Op myn, om dat ick hem voor deur heb laten staan,
Niet wetende waarom ick sulcx heb ghedaan.

Rits. — Ach Koenraadt wat is dit? ick kan gheen wesen houwen,
Myn hart ontsinckt my slechts alleen door het aanschouwen.

Koenr. — Hebt goede moedt, myn Heer, komt nader by het vyer
Al waardy stijf van kouw, u wermte die is hier.

Moyael. — Wel wie spreeckt daar? zyt ghyt? o sleutel van myn sinnen!
Hoe blijfdy nu soo staan? hoe gady niet na binnen?
En krijch ick goeden dach? noch die ghewone kus?
En spreeckt gy niet een woordt? wel lief! hoe swijchdy dus?

Rits. — Lief! ja lief, goen dach lief, hoe meuchdy noch soo spreken?
Hoe lief dat ick u waar dats gist’ren wel ghebleken:
Die valsheydt hadt ick noyt in u te zyn ghelooft,
Dat ghy my sonder reen de deure sluyt voor ’t hooft.

Moyael. — Ay lieve laat dat na, laat ons wat anderd praten.

Rits. — Wat sechdy! soud’ ick dit so los dan varen laten.
Och! oft ick eens van Godt soo vele maar ontfingh
Dat my de min als u niet dieper in en gingh;
Oft dat u eens de vlam die my het hart doet blaken,
Met sulcken hitte mocht u siele brandent maken.
Of roock ghy maar de geur, ghy sturreft van myn leedt,
En van de bittre spijt, die ghy my gist’ren deedt.

Moyael. — Bedroeft u niet myn hart! myn lievert! ach myn waarde?
Daar is gheen soeter mondt (gheloof ick) opter aarde.
Myn uytverkoren! ach! ’t is niet uyt trots gheschiet,
Noch oock om lievers wil, neent seeckerlycken niet,
Maar tot een goeden endt al myn voornemen streckten.

Koenr. — Ja dat gheloof ick best! en dat ghy ’t daarom reckten
Ten goeden eynde, he? en om beterswil quansuys
Soo sloot ghy ons uyt liefd’ soo moytjes buytenhuys.

Moyael. — Ja dunckt u dat? wel an, ick wil u nu bedieden
Om welcke saake ick u hebbe doen ontbieden.

Rits. — Int u belieft, secht op? Moya. — Eerst bid ick datje secht
Of hy wel swijghen sal, den desen, uwe knecht?

Koenr. — Wien, ick? seer wel, maar houwt! ick sweert u by myn trouwen,
Soo langh ick waarheydt hoor, kan ick myn mondt wel houwen;
Maar soo ghy yets versiert van leughens dit, of dat,
So brengh ick het terstont over die heele stadt,
O ick kan soo larye, trots yemandt vande beste
Larysters van ’t heeckel-velt, van ’t kattegat, van ’t hol vande vesten.
Dats nou al eveleens, spreeckt op, en sechdy reyne biecht
Soo sal ick swychen, en u straffen als ghy liecht.

Moyael. — Ick had een moeder die woonachtich was in Spangjen,
Doch Brabants van geboort. Koe. — dats wel! Moy. — als de Prins van Orangjen
Hier uyt het lant vertrock, met zyn eedlen en bloedt,
Wt vreese van het straf bedwinghen van’t ghemoedt,
En soob’ren staat des lants, en dat d’Hollantsche Steden
Den grooten overlast, en ’t schricklyck moorden leden:
So wasser seecker Don, een loosen ouwden guyt,
Die een kleyn Meysje hadt beneffens and’re buyt,
Die hy (soomen daar riep) wel loff’lyck hadt verwurven
Dit schonck hy an myn Moer, en voorts is hy ghesturven
An die fransoysche siekt, en quellingh vande Maagh.
Hy seyde eer hy stierf, dit kint is uyt den Haagh.

Koenr. — Uyten Haagh? Moya. — So denck ick, ick ben niet sekers vroeder;
Sy noemde dickwils my haar Vader en haar Moeder:
Maar voort gheen meer bescheyt, noch van haar staat of stadt
Van welck door jonckheyt sy gheen kennis heeft ghehadt.
Daar na myn Moeder hiel dit jonghe wicht in eeren,
En lietet Kunsten, en veel schoone wercken leeren,
Van Naayen met de naalt, van teeck’nen uyter handt,
Van ’t spelen op de Luydt, na de manier van ’t Landt:
Van lustigh dansen, oock van meesterlyck te singhen:
Int kort sy brochtse op in alle soete dinghen;
Myn Moeder hadtse toch te wonderlijck besint,
Niet als een vreemdelingh, maar als een eyghen kint;
En ick hadse oock lief, en sach haar byster garen,
De lieden waanden dat wy twee ghesuster waren.
Daar na so ist ghebeurt, dat ick seecker verdragh
Maackten met een Jonghman die hier voor leggher lagh:
Een Oosterlingh, die mijn (God wil het hem vergheven)
Hier troond, en brachtmen tot dit onbehoorlyck leven:
Hy hadmen seer bemint ghelyck het bleeck in’t ent,
Want siet hy maackte mijn al ’tgoet by Testament.
Na wat verloops van tydt so quam hier doen een Ruyter,
Een hallef mallen bloet, een Roover, een Vrybuyter,
Die had de Muts op myn, en heeft mijn vaak besocht,
Tot dat hy lest vertrock en reysden op een tocht.
’t Sint viel u oogh op myn, ghy quaamt by my verkeeren,
En trockt myn hart en sin, ick mocht u niet ontbeeren,
Als ick u niet en sach, myn siel was ongerust:
Als ick u weder sach, ick vlamden steets van lust.
U selven ist bekent, hoe ick u plach te streelen,
En myn verborghentheen soo grondich te beveelen:
Ghy waart alleen myn raat, myn hulp, myn huel, myn heyl
Dien oydt was meest de wech tot mynen boesem veyl,
Daar myn als brandent lont de ving’ren van u handen
Ontvonckten ’t ingewant, en deet als Bus-poer branden.
En elcken woordt, hoe kleyn dat ghy tot mywaarts sprack,
My als een Sulpher-stock de heete borst ontstack.
Helas! wat kittelingh gevoel ick door ’t vernuwen!
Myn troost! waarom ist myn belet met u te huwen?

Koenr. — Ja hadse dat geluck die afgereden Queen,
Hy trouwe? ja koopje geen glas? ick denck wel neen.

Moyael. — O waardige! gedenckt hoe ghy een waart ghelegen,
Nevens myn groene sy: ghelyck wy dickwils pleghen
Te doen: Maar noyt so soet als die ghewenste nacht
Die van ons beyden wert met vreughden door-ghebracht.

Ritsa. — Wat nacht, wanneer, en hoe? Moy. — Maer doe ghy onder allen
Verwonnen vande vaack in slaape waart ghevallen;
Mijn hooft lach in u narm, u hand lach an myn sy,
U oochjes hallef toe die lonckten noch op my:
Wie weet wat tochten dat my inde sinne viellen,
De reden met ghewelt myn lusten teghen hiellen,
So niet, of ick rees op, en kusten voort terstont
U voorhoofd, wangh en kaak, maar boven als u mont:
Ick sprack, ghy snoofd, ick woeld, en stille bleefdy legghen,
En wat ick meerder doch dat sal ick u eens segghen.

Koenr. — Also! liech al voort, wel seecker jy kuntet prompt,
Ist geen jammer dat liegen sondt is, daert so wel te pas kompt?
Wat gherammel heb ick hier? jy sult de waarheyt spreecken,
En beginnen daar jy eerst u reden by liet steecken.

Moyael. — Wel ymmers hoort dan toe hoe dattet voorts bevoer:
Myn moeder sturf, en liet het jonghe kindt haar broer,
Wel verstaande mijn Oom, die somen wel magh weten
Van een gierigen droes was gantsch en al beseten:
Niettemin voor eerst so nam hy ’twicht wel waar
Onghevaarlyck den tydt van thien of twalif jaer,
Int leste wiert myn Oom heel synich en heel kaarich,
Doch d’oude lieden zijn hier meest van onderwaarich,
Sy garen sparen steets alst minst haer is van noot,
S’onthouwen om het geldt haar selven kleet en broot.
Wat strenghe straf lecht ghy, o giericheyt! rechtvaardich
U slaven op? en acht haar kost noch voetsel waardich.
De man hadt ghelt en schat in grooten overvloet,
Wat wast? hy was en bleef een dienst-knecht van zyn goedt.
Des smorghens stont hy op in een kaal onderrockje,
En gingh int vullus-vat, en roerdent met een stockje,
Oock somtijdts met zyn hant, en sochtet scharrep duer,
En vulde so een sack met d’een en d’ander luer.
Hy brayde alle daagh zyn korfjes en zyn matten,
En bleef een Bedelaer by Riddelycke schatten.
Wat baat de Ryckdom dan alsmense niet besteet
Tot ons of’s naastens nut? ach armen niet en beet!
O geltsucht! o ghy plaagh! ghy gront-vest aller quaden!
O hongher diemen kan vernoegen noch versaden!
Maar wat de Duyvel denckt en blaast de mensche in
Volbrenght hy met een set om ’t snoode gelts ghewin:
Ghelyckmen Noom, die om veel gouts te saam te hoopen,
Besloot dit lieve Lam aan yemant te verkoopen.

Ritsa. — Wel hoe verginckt hem doch? Moy. — Recht als Ęsopus hondt,
Die om de schijn van ’t groot, verloos ’tvleys uyt zyn mondt:
Hy is uyt Spaengien voort met dit opset ghevaren.
Om haar te veyllen by de Turcken of Barbaren.

Ritsa. — Onmenschelyck ghebruyck! Godloose schelmery!
Datmen de menschen vent tot paartsche slaverny!
Hier zynder oock in stadt, die sulcken handel dryven,
In Farnabock: maar ’t sal Godt niet verhoolen blyven.

Moyael. — De Spaansche Kraack en was met ballast niet ghelaan,
Maar met Jan gatten, die’r niet op de vaart verstaan:
Sy dwarlen inde Zee met neergestreecke Seylen,
En weten star noch grondt te schieten noch te peylen.
De kracht vande Magneet en wasser niet bekent,
En niemant was van haar de dolle Zee ghewent,
Voorts kompter bruysent an een schip vol ruekeloosen
En Godt-vergeten guyts, van schuymers en Matroosen,
Die klampen hem anboort en legghen hem een laagh
Gheschuts ter zyen in, en raken so voort slaagh:
Dat groot Back-beest dat verslaan was met ses hondert
Spaenjaarden, was terstont verovert, en gheplondert,
Gepluystert, en geplockt, van gelt en kostlyckhen,
Diese waanden op de tocht te mang’len en besteen;
De Specken, die haar lyf met gelt niet konden boeten,
Die nam het Gauw gheswindt en spoeldese de voeten:
Myn Oom wert ande Mast recht overeyndt ghestelt,
En met een touw om ’t Hooft gewronghen en gheknelt,
Dat hem de ad’ren grof opswollen schier tot barsten,
So dat hy beet van pyn dat hem de tanden knarsten:
Noch leet hy nieten mydt: doen quam een oorlochs-boef
En nam zyn voorste duym, en schroefse in een schroef
Dat hem ten naghel uyt, het bloet met krachte spuyten,
Syn lyf was hem so lief niet als zyn Spaensche kluyten.
De Schieman sprack tot hem: wijst met gemack u ghelt,
Of ick salt u eerlangh doen segghen met ghewelt!
Dan ick raadt u voort best, verweckt my tot gheen tooren,
Of ’k sal met Bossekruyt vervullen dyne ooren
En steeckent met wat vier hiel luchtigh inde brandt,
Ist dat ghy hier geldt niet daadlyck schaft ter handt!
Doen isser ’t groote woort dusdanigh uytghekomen:
Ick hadt, o mannen! hoort, grootmoedigh voorghenomen
Te sterven, eer ick u souw wysen geldt of goedt,
Doch een dingh wringht en wroegt, ja geesselt myn gemoet
So fel en ysselijck met hondert duysent strepen
Om dat ick myn o schandt! so buyster heb vergrepen:
Dat witte meysje, dat daar ginder sit en schreyt,
Dat had ick laas! ghedocht uyt ickers giericheydt
Aan eenich Moorsche Prins of Koningh te verkoopen,
Nu ist Godt danck met haar veel beter afgheloopen;
Och! doeter toch gheen quaadt, doet myn vry watje wilt;
Het is my schier alliens of ghy myn braat of vildt;
Daar leyt myn geldt (seyd hy) deylt ghy bootsghesellen:
Voort heeft hy ’t avontuur van ’t meysje gaan vertellen,
Van waar, en hoe sy quam, en wien haar heeft ghebrocht,
Kort om, myn noom is daar voor slaef int landt verkocht.

Ritsa. — Hoe tommelt het gheluck van ’s menschen staat en leven!
Maar wien heeft u soo vlack al dese reys beschreven?

Moyael. — Den Hopman, myn boelschap die heeftet myn vertelt,
Want hy was Kapiteyn van ’t roovers schip ghestelt;
Van fyn ducate goudt soo schonck hy myn een keten
Tot een wellekom; maar doen hy quam te weten
Dat ick met u op nuw soo kennis hadt ghemaackt,
Soo quam hy op zyn Paart, hy is doch haast gheraackt,
Die sotheydt heeft hy, dat hy om lueren en sueren,
Als een by-slapen, hem soo hevich gaat verstueren;
Myn dunckt ’t is mis-verstandt, datmen daar soo op siet:
So veel als myn angaat, ick neem dat soo nauw niet.

Ritsa. — Wat onbeschaamtheyt groot ghebruick gy in u woorden?
Waar bleef het meysje doch? dat woud’ ick dat ick hoorde.

Moyael. — Hy brochtet met de buyt in dese meeningh hier,
Om my te schencken tot een meydt of Kamenier,
Dan nu hy siet en hoort hoe dat wy ’t samen leven,
Nu is hy niet ghesint de Dochter myn te gheven
Voor en al eer dat ick (het dient u toch gheseyt)
Een wijltydts met hem leef in alle vriend’lyckheydt:
Niet dat ick op hem soo tochtich ben verslinghert,
Die niet soets aan hem heeft, ick spot maar met den dringhert,
Ten is gheen Ritsaardt! ghy Toovenaar ghy maackt myn
Een ander mensch als ick voor dese plach te zyn.
O vriendelycke mondt! verhoort toch myn ghebeden
En laat myn sulcx toe om drie besond’re reden:
Voornaamlyck om dat sy myn suster was gheacht,
Ten andren om dat sy is van een goet gheslacht;
Ten derden op dat ick, soo ick an haar kon raken,
Met wedergheven my hier vrienden mochte maken
Van haar vriendtschap, met weldaadt, ghy weet dat ick ben
Hier vreemt en vriendeloos, en dat ick niemandt ken,
Siet hierom bid ick u, ick kan u niet ghebieden,
Vergunt my dat zyn wil en myne mach gheschieden:
En maackt de stomme niet, maar gheeftme doch antwoort!

Ritsa. — Wien heeft zyn daghen oyt so snooden vondt ghehoordt?
O harteloose mondt! u valsheyt en u snootheyt
Beken ick door de tijdt in haar volwassen grootheyt;
O loghens sonder grondt! o al te dubble reen
Van onschult: maer te blauw en vol lichtvaardicheen:
Het kindt dat is gherooft, de Spaengiert is ghesturven,
U moeder die is doot! u noom heeft ’t kint verwurven,
Die heeft opghequeeckt, die ist daar nae ontrockt
Van Hopman Roemer, die ghy’t garen weer onttrockt
Om haar te lev’ren aan haar Maachschap, om haar vrinden
Door sulcken grootten duecht en vruntschap te verbinden.
Versieringh schoon versiert, dan daar toe maar beleydt
Om te bedrieghen myn simple onnooselheydt
Met het gheleent ghelaat van u ghesplete minne
En gunsten sonder hart: Ritsart waar zyn u sinne
En siedy niet, dat zy nu in haar hart besluyt
Een Zeeroover! een bloedt! en u, die schoptse uyt?
Doch schoon bewimpelt om met vruntschap u te slijten
Wt jonst niet, maer uyt vrees, dat ghy haar souwt verwijten
Het hoerachtich onthaal. Moyael. — Ach! Ritsardt lief, ’k en doe
Ghy weet immers wel bet, vertrouwdy myn dat toe?
Waar heeft dat yeuwerts aan int minste doch ghebleken?
Hoe macht u van u hart so wrevelich te spreken?
Gheloofdy het bewijs nu minder als ’t vermoen?
Myn waardert! ach myn troost! wat wildy ick salt doen;
Wist ick den oorsprongh maar van u weemoedich trueren
Ick souse weeren dat ’t u nimmer sou ghebueren.
Ach! sie soo droevich niet, ’t schijnt dat u ’t harte sluyt:
En weet ghy niet myn lief! dat u druck overspruyt?
Komt geeft my noch een kus! hoe; laatje myn noch pracchen?
So sekers kindt, ick docht of ghy niet eens souwt lacchen?
Myn hartebreecker? ach! waarom bedroefdy myn?
Hoe soud’ ick van u doch gheseyden kunnen zyn?
Bidt Godt maar dat hy u alsulcken vrouw doet trouwen
Die u bemint als ick, ghy sult u gh’luckich houwen.
Myn troostertje! myn hart! ghy en sult nimmer sien
Dat yemant meerder jonst als u en sal gheschien
Dus stelt u siel gherust, ick sal u van myn leven
Nu noch, noch mimmermeer vergheten noch begheven.

Ritsa. — Verradelijcke Vrouw! die myn bedriechlijck kust
Wt valtheid meer vervloeckt dan van een lieve lust.
Ick merck u helsche treck, u meyneedt en u loghen
Daar ghy myn hebt soo schelms en schendich met bedroghen.
Wat Duyvel heeft u tot dit weyfelen beroert?
Ghedenckt u niet den eet die ghy soo dickwils swoert,
Dat niemant ’t gheender tijdt my uyt u sin souw drijven,
En dat ick in u siel de opperste souw blijven?
Of hebdy, o Moy-aal! nu gheen gheheuchenis,
(Hoe wel te nauwer noodt verhaalens waart en is,)
Hoe dat ick u van’t Jaar een lustigh huys gingh huuren,
Van alles soo versien, dat ghy neffens u buuren
Heerlijck mocht komen uyt? dat weet myn Vaders kas,
Die int sluyten van’t boeck vry wat ten acht’ren was.
Hoe dickwils deedt ick ’s nachts de stadts Speel-lieden speelen
Voor u deur? dat meer is: wat schonck ick u juweelen?
Heb ick u niet vereert met Par’len en Kourael?
Dan met een goude Ringh: dan met een silv’re Schaal,
Dan met een Sierandt, en ander frayicheden?
Wat Vryers hebdy doch, al zyn s’uyt ander Steden,
Die u sulcx doen? ick kent, ick ws noyt uyter Stadt
Veerder dan in Branbant, daar leertmen oock al wat;
Hoe datmen leven sal met vriendelycke Vrouwen.
Heb ick oock yet belooft ’t gheen ick u heb onthouwen?
Heb ick u yet ontseydt dat ghy aen my versocht?
Wat weygerd ick u oyt daar ghy met lust om docht?
Eergist’ren badje myn dat ick u een souw koopen,
Of kryghen een Moris; ick hebber een beloopen
Die onse Schipper selfs gint van Angola brocht,
Dees heb ick op het duurst hem uyt de handt ghekocht;
Die schenck ick u op nu, suldy al dit beloonen
Met my te bannen om een ander hier te troonen?

Moyael. — Wel Ritsardt wat is dit? Hoe wel ick hadt ghewaant
Dit te bestellen juyst so ick u heb vermaent:
Te weten, dat ick docht hem ’t meysje te ontsmeken:
Maar liever, eer ick u (ick bidje! hoortme spreken)
Te vyandt kryghen souw, ick vollich u ghebien;
Secht wat u best ghevalt. Rits. — O Godt! mocht dat gheschien.
Dat ghy’t van harten spraakt: of kon ick het vertrouwen
Voor waarheyt, so dat ick my mocht versekert houwen;
Ick lietet u noch toe, hoewel met groote smart.

Koenr. — Dat woordt dat heeft al ree gants omgheset zyn hart.

Moyael. — Ick meent van harten, ach! ach! dit is te beklaghen
Dat ghy niet sonder my souwt kunnen zyn twee daghen.

Ritsaert. — Myn lief! een dagh of twee, dat waar een kleyne saak,
Maar al myn vresen is, waar door ick swaarheydt maak,
Dat die twee metter Tydt wel twintigh souwde warden.

Moyael. — Neen sekerlijck, ghelooft, hy salt niet langher harden
Als twee daghen, of etc. Rits. — Of! heb ick u niet gheseydt?
Ick schey’er uyt, ick gheef u gants gheen vryicheydt.

Moyael. — Ghewisselyck hy sal dan datelyck vertrecken,
Als ick het meysjen heb, sal ick noch met hem gecken.

Ritsaert. — Wel an, ick ben te vreen, die tydt wert u vergunt.

Moyael. — Met recht heb ick u lief, myn aldergrootste vrunt!

Ritsaert. — Gaat, en doet wel, en ick sal met myn speel-genooten
Gaan tijen op ons Landt en Hof-ste buyten Sloten,
Haast dat een dagh of twee daar lichtlyck henen springt.
Myn hart my tot de wil van myn Moy-Aaltje dringt.
Ghy Koenraat, brengt de Swart, gelyck het is besteecken.

Koenr. — Gaaren. Rits. — Moyaal vaart wel, wilt u beloft niet breken.

Moyael. — Ach Ritsaart! ach myn Siel! gelieft u oock yet meer?

Ritsaert. — Ick weet niet dat ick ny yet sonders meer begeer.
Dan dat, als ghy sult zyn by den korsel en weersoordich
En gemelijcken bloedt, met ’tlichaam tegenwoordich:
Dat ghy dan met u hart afkeerich van hem scheydt,
En kompt by my op ’tlandt met u genegentheydt.
Siet dat ghy my bemindt by daghen en by nachten,
En dat ghy my begeerdt, en wenscht in u gedachten,
En dat ghy in my hoopt, en u in my verblydt,
En dat ghy over al in myn by-wesen zyt:
Eyndelyck, dat ghy my door myne Jonsts vernuwen
De myne wert en blyft, gelyck ick ben den uwen.

Moy. — Het moet myn in myn hart, dat hy noch so wantrouwt,
Dat hy myn minne voor niet bondigher en houwt
Als die Straat-hoeren die haar Lichaam aller uuren
Aan d’een en d’ander guyt verkoopen en verhuuren:
Ick bender so niet an, te vroom is myn ghemoedt,
Daar ben ick seecker toe te eerlyck en te goedt.
Daar leydt geen soeter naam en spartelt in myn hartje,
En hippelt op mijn tong, als Ghy, o myn Ritsartje!
Al ’tgeender is geschiet of datter sal geschien,
Is om het Maaghdeken, van welke dat ick mien
Dat ick de Broeder heb gevonden, door vernemen
Na ’tGeslacht, en dat sy malkander so wel swemen;
Oock heb ick van Oude-lien daar volle kennis of:
Hoe dat haar Vaders huys stont tegen over ’tHof
Daar ande Vyv’ren-bergh, en dat een van zyn sonen,
Die daar de Brandt ontliep, hier ’t Amsterdam quam wonen,
Siet om de veyllicheyt, want de Spechten de’en hier
So veel quaats niet, als wel de Bloedt-raat en het vier.
De Jongman die is ryck en machtich van Geslachte,
Ick heb hem tans ontboo’n, ick ga hem t’huys verwachte.

            Eyndt van het Eerste Bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 27 oktober 1997.