G.A. Bredero (1585-1618)

MOORTJE

HET TWEEDE DEEL.

HET EERSTE UYTKOMEN.

Ritsaardt, Koenraadt.

Flucx Koenraadt doet also gelyck ick u beval,
De Moris brengt terstondt tot Moy-aal Koen. — Wel ick sal.

Rits. — Maar stracx, Koen. — Ick ga. Rits. — Nu voort! Koen. — Ick vlie. Rits. — Wel an geringhe,
Die van zyn selven is gewillich en bereydt,
Als ick ben tot u dienst en tot gehoorsaamheydt:
Ach Ritsaardt hadt ghy maar Moyt-Aalen jonst verkregen,
Ghelijck ghy doet de myn, sy stont u nimmer tegen:
Maar Hoeren-liefd is windt, sy hebben sin noch Siel,
Niet langer duurt haar Min, tot dat ghy licht u hiel,
En inde drumpel treedt, ghy bent so haast niet buyten,
Of huegenis en al sy teenemaal uytsluyten.
Dier schuecken vindtmer veel; al schynen sy al vroom
En van een goedt Geslacht, haar hart en heeft geen boom.
Haar minne is bedroch, en niet dan valsche kunsten,
En mommery geveynst, met moolicken van gunsten,
Of schimmen sonder zyn. Rits. — Koenraadt weest niet verstuert
Om dat ick gnortich spreeck, uyt yver ist gebuert.

Koenr. — Neen ick geensins, myn Heer! dat kan lichtlyck geschieden:
Gelieft u oock yets meer u dienaar te gebieden?

Ritsa. — Niet anders, dan dat ghy u woorden wel belecht
In ’t aanbien van myn gift, en jonsticheyt oprecht.
En maackt haar, so ghy kunt, met u geswindtheyt wacker,
Den mallen Ruyter wars, myn Minne-maat en macker.

Koenr. — En sorght niet, ick sal ’tbeschicken inder daadt.

Ritsa. — En ick ga op het landt. Koen. — Vaart wel. Rits. — Hoort, eerje gaat.
Vertrouwdy dat ick daar my kunnen sal geneeren,
Gedurende die Tydt, en hier niet wederkeeren?

Koenr. — Neen toch, ick denck het niet, want siet van ongedult
En van jeloursheyt ghy stracx herwaarts keeren sult.

Ritsa. — Ick sal daar Visschen, en gaan Schaak’len met lusten
Myn selven moe en mat, om beter ’s nachts te rusten.

Koenr. — Ja doet al wat ghy wilt, u slaap sal zyn met smart,
De droomen sullen u daar wringen by de start,
Gelyckmen d’Ossen doet Rits. — ’kMoet dees dwaasheyt verjagen,
Haar breydel ben ick loof, ick wilse niet meer dragen:
T’is kintsheyt dat ick my een slaaf maack van myn lust,
En quijn, en slyt myn tydt in quelling en onrust.
De Lely is het waardt, ick sal myn daar beproeven,
En tuegen huech en muech drie dagen lang vertoeven.

Koenr. — Drie dagen, ’tis te veel! Rits. — Het is so myn besluyt.
Gaat heen, en voert u last voorsichtelycken uyt.     Risaert binnen.

Koenr. — O help! wat sieckt is dit, die ons antast soo vinnich,
En maeckt ons Edel breyn ghesondt zynde, krancksinnich?
Ist waar? ist moog’lijck! dat de krachten vande Min
De kloeckste soo verrockt, en wiss’len doet van sin,
Dat sy int alderminst haar selven niet ghelijcken?
Ick vindet inde proef, en moetet oordeel strijcken.
Gheen Jonghelingh en was soo ijv’rich noch soo kloeck,
Steets was hy op’t Kantoor en met de nues int boeck;
Syn mutsjen op zyn hooft, zyn mouwen an voort wrijven,
Want hy was besich staach met dit of dat te schrijven:
Dan sloot hy zyn ballans, dan sach hy nae de kas,
Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
Wat het hy in zyn hooft winckeltjes, en kassen,
En hockels en laadjes, dosijnen van Lyassen,
Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,
Vol Konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
En Kamers vol Journaals, Schuldt-boecken, alphabetten,
En Riemen kladt papiers, van loopende uytgift,
En Tafels vo chijffer en schalien vol schrift.
Staagh was hy op de brugh by de Negocyanten,
Of op een Komparisy, by zyn participanten
Van zyn Westersche, of van zyn Cypersche vaart.
Hy rabatteert in kontanct teghens acht en een quaart.
Hy wist stracx op een prick wat dit ’s Jaars con beloopen.
Hy verstondt hem (te besucht!) op Acksjen te koopen,
En hy verassureert licht een heel schip met goet.
Noch heeft hy (’t is vreemt) niet eens ghebanckeroedt!
En oft schoon soo gheviel dat hy quam te faillieeren.
En loopt hy om een Ces, ’t is weer een man met eeren.
Al dese Koopluy doen, diemen naa’s Keysers kuer,
Souw hanghen by de keel, dat in haer eyghen duer,
Vermits sy diefs ghewijs, veel goede luy doen trueren.
Begonnen dit! het souw so dickwils niet ghebueren.
    Kackerlack en Katrijntje uyt.
Maer wien komt doch daar gints? ’t is Kackerlack ontbeydt,
Wat schoonder Maghet ist die hy daar met hem leydt?
Om aan Moyaaltje nu te schencken en vereeren,
Die sy in schoonheyt self schijnt varre te passeren.
Myn Moortje dat is swart en leelijck noch daar by,
Nu lech ick over staach, en dapper inde ly.

HET TWEEDE UYTKOMEN.

Katryntje, Kackerlack, Koenraat
Wilt yemant het beloop der tijttelijcke saaken,
En haar beroerlijckheen, volkomelijck naamaaken?
Die vecht teghen zyn schim; doch lust hem maar een deel
Te sien ghetaeffereelt op een bereydt panneel,
Die wert hier stof en saak om Schilderen ghegeven,
An die veranderingh van myn rampsalich leven,
Door ’t drayen des Fortuyns haar suyssebollend wiel
Dat nimmer is vermoeyt, noch nimmer op een hiel.
De Stadt die met de glans haars Prinschen trost haar buuren,
Die met haar burghers bralt, maar met gheen steene muure,
Die Adel-rijcke plaats, ’t Hollandsche Hof, den Haagh!
Is myn heer Vaders stadt, daar ick de naam of draagh,
Daar saachdy allereerst, ellendigh Katrijne!
Het helder Hemels licht in u ghesicht verschijne.
Onghevaarlijck vier Jaer soo waardy vry van druck,
In weelden soet en sacht: maar ’t nijdighe gheluck
Dit alderbeste goedt afgunstich u mis-gunden,
En trock u met ghewelt van Vader, en van vrunden,
En bracht u een Maraan of Moorder inde handt
Die, zynde rijck ghebuyt, u voerden uyt het landt
Nae ’t prachtich Spangjen toe: daar sach ick veel Neer-landers
Van licht alloy, ick quam by verloopen Brabanders,
En bleef aldaar een tijdt van thien of twaelf Jaer,
Doch ick verwisselde van d’eene plaats op d’aar,
Tot myn schijn-vader my uyt boose schelmerije
Vervoerden over Zee, naat diefsche Barbarije,
Dat Roof-nest! ja de marckt van het ghestole goedt!
Daarmen nu dagelijcx een starcken handel doet
Van reyne koomenschap, daar sy niet an verliesen,
So gauw zyn haer Factoors, Doot-eters en Kommiesen,
Of yemandt die daer me sich wel behelpen kan,
Een smeerich Officy! daar kleeft te schendigh an.
Maar waarom praat ick nu niet meerder van ons varen?
Dewyl wy onder seyl en voor de Haven waren,
So koelt en went de windt, die ons int eerst was mee.
Daar komt een Oorlochs-boodt ghevlogen door de Zee,
En set een styve koers, en komt so fel ansnuyven,
Dat de baren met kracht op ’t schip anstucken stuyven.
Hy viel ons op het lyf, en leyden ons anboordt:
Och! wat gheschiede daer een schrickelycke Moordt!
Twas wonder om te sien, hoe dat die fraye Mannen
En al dat Krijghs-volck haar so klackeloos liet spannen
Van sulck gorle goy! van Jonges, en van Maats:
Dat oolyck krombient goedt zyn vinnige Soldaats!
De Spangiaerts konden dat niet eten noch niet kauwen
Dat sulck ghepuffel snoodt, van wespen en Rabbauwen
Haar rockjes trocken uit: en datter in het slaan
Met sulck schip en volck, soo veel weers was ghedaan.
Het most al over boordt wat zyn lyf niet kon koopenm,
En wie ’t rantsoen ob brocht, die lietmen naakt wech loopen.
De plunderinghe wert daar ande Kust ghebrocht,
De menschen en haar goedt zijn meestendeel verkocht,
En myn schijnvader oock, en ick quam doe in hande
Al vande Kapiteyn, die brochtmen hier te lande:
’t Is een ondraagh’lijck mensch, hovaardich, quaat en sot,
Waarmen my brenghen sal, dat weet de goede Godt.

Kackerl. — Gants lyde! wat verscheelt de eene mensch by d’ander?
D’een is een lompe loer, en d’ander die is schrander!
d’Een weet hem by de luy wel moytjes te doen voort,
En d’ander is een geck die weet niet hoe het hoort:
Dit schoot my inde sin, juyst als ick onder ander
Een van myn kennis sach, myn lantsman, en wtlander,
Die al zyn goedtje had verslampamt en versluympt,
En uyt onachtsaemheydt, verwaarloost en versuymt,
Ghelyck als ick, die ’t heb vertuyswuyst, en verspeelt,
Verhasardeert, versloert, verslemt, en verbourdeelt.
Ick sach hem an, hy stont en was beroydt en pover,
Ellendigh, jichtigh, kranck, en had noch om. noch over.
Wel Landsman (seyd ick,) hoe dus schamel en bedruckt?
Och! (sprack hy) al myn goedt is gants verongheluckt:
De vleyers die wel eer myn ware vrienden schenen,
Syn als myn mid’len nu verdreven en verdwenen,
Of isser yewers een, die scheert met my de geck,
Myn Maachschap schuwtmen, en aansien my met de neck.
Helaes! wat komt my op, de doot is al myn wenschen,
My, die verlaten ben van God en alle Menschen
Myn ooren wierden dol, myn tongh sprack seer verwoet:
Hebdy dan alle raadt verlooren met u goet?
Slaa-loose traghe mensch, ist so verre ghekomen
Dat u de wan-hoop heeft oock alle hoop benomen?
Dat is een oevelle saack, so bin g’er byster an,
Ick ben van stadt en staat u gildebroeder: een man
Die oock wel heb gheproeft verscheydenheyt in spoeden,
Van ruyme weelden, en ven schaarse Arremoede,
Nochtans was ick ghetroost, en heb my gants gheset
Nae ’t avontuur my dwongh, ’t was mager dan, of vet.
Anschouwt nu eens myn staat, en myn welvarentheden,
Van gladde lijf en leen, van propre nette kleden:
Ick had niet als ick quam, het was al door de keel,
Ick heb niet, en ick heb al evenwel noch veel:
Vermits my niets ghebreeckt (doe sprack hy) ach ick vreese!
Dat ick der Rijcken-geck en Taeffel-sot souw wesen.
Neen seyd’ ick weer daar op, ick heb een seek’re kunst
Daar ick my met gheneer, en krych een yders gunst:
Hier is een slach van volck die doch in alle punten
De meeste willen zyn met treflijck uyt te munten,
Hoe welse plomp en plat en boers zijn van ghestalt;
Dien blaes ick in het oor het geen hun best bevalt;
Dien prijs ick het verstant, en schoonheyt van Manieren,
En grootheyt van haar gheest, al moet ick het versieren:
Dien loven, loof ick oock, ist recht, onrecht of boos,
Haar oordeel acht ick hooch al waart gants rueckeloos;
Ick schick my nae den tydt en na haer sotte grillen,
Ick doe al wat zy doen, en wil al wat sy willen,
Ist met der harten niet ’t is altoos nae de schyn,
Dit doeter veel gheacht by groote Meesters zyn.

Koenr. — Waarachtigh dits een gheest in sondelinghe saken,
Want hy van malle luy weet dolle ly te maken.

Kackerl. — Al dus praatende, siet, so quam ick inde Hal:
Daer riepen de Vleyshouwers ghelijck van over al
Hy sick! hem sick! hou sick, myn Heer selje wat koopen?
Hier by! ouwe kennis je moet van men banck niet loopen,
Ick heb moy Kallef-vleys, Runt-vleys, Were-vleys, Schapevleys, hoort me Kaer!
Siet dats een Wieringer sock-lam, dats een Schaeger-schaep, dats een Lang-start vannnen Jaar.
Wel gaeje op een aer? gy seltet jou seper beklagen.
Doe quam myn Pieterje, en Wabbetje Gerrits vragen,
Heerschip! sel ick wat dragen? en ick liep uyt de Hal vangt geraes,
Op de Vuegel-marckt; daer kreten de wyven, hoort heit wat elenbaes
Schortje nou een exellenten Haes? of geerje nou gien reyne Kappoenen?
Wel Vennitje, wilje gien Knynen, gien Duyven, gien Hoenders, noch Kalkoenen,
Om inde Venesoenen te setten, te larderen, of te bra’en?
Van daar ben ick moytjes met hem op de Gaar-marckt egaen,
By ’tvolckje die daar voort-staen, met huer Biesten en nochteren Kalven,
Siet dats een Kruysschonckje, dats een Koocker-stickje, die voor Noos om vier en ein halven
En die Hals-knoock om dardalve stuiver: Wilje nou geen Pens, noch Koe-voet?
Gien nieren, gien Lever, gien middel-rift, gien hooft-vleys, noch het smaackt so soet!
Wilje gien warme Buelling, leverling, bloeling, pieperling hiel goet,
Soeckje slabberaen Jasper Goedbloet? ick kammen waar niet prysen
Wat hadje gaeren goe Heer, gesalyde Worsten, Verckens-jues of fyne Sausysen?
Nou niet, seyd ick, Giertje Gysen, en so kuyerde wy vast voort,
Verby de Speck-koopers, byde vreemde Vueghel-luy, die villen my anboort,
Hier ouwe Koopman hoort, wel so verby? dat mach niet door de bueghel,
Waer nae sieje? nae een overseesche Swaan, een Rotgans, of nae een Ent-vuegel?
Ick kreech vlus uyt de Kuegel een slee met Winders en Tayllingen siet,
Dat zyn Knobben, dat zyn Smienten, dat een Vogel die Hans hiet.
Dats een Pyl-start, ’teelste beesje dat by de lucht vlieght, sulcx heb icker noch by paeren
Wilje geen Kamper vuegels, al geplockt? neen seyd ick, die sie ick niet gaeren,
Se siender uyt soo smerich al haddese voor Kocx jonghen inde kombuys evaeren,
En al de aaren, die sin myn te paers en te groen, ’tis dat niet, seydy, gy hebt te vuel kuers,
Nou Moncksuer Kackerlack, gheeft nu een reys een vaen inde Graef van Muers,
By onse ouwe Kittebruers? nou niet sey’k, ick moet duese wech kiesen,
Doe ginge wy op Sinte Pieters Kerck-hof, ant kleyn Halletje by de Vriesen,
Ick macher niet an verliesen, sey Sieuken Sipkes van Fraanjer, soo waer ick leef,
De hielle bouwt om ien ryaal. Ick docht dat morsige goedt is duur enoch te geef.
Mit sietmen de Wortel-teef, Tryn Dubbeldin van Bunschooten,
Wat selje hebben Liesentje, Pynsternaeklen, Bietwort’len of Kroten?
Kyck dat hartjen is esloten, ick heb Warmisje en groen toekruytje daer by,
En Horense Wortelen, en Raepjes, se smaeken as emmer-appelen en Rysen-bry.
Doe gingen wy verby de Brouwery van’t Jerusalems kruys,
En juyst most ick bloemen, en ick liep onger de Varcke-sluys:
Daar sat Koren Jansz en vertrock van ’thuys en d’afcomst van Britten
Mit dat hy men sach, nam hy zyn naers insen arm, hy rees en lietme sitten,
Myn Lansman sach ditte, die ging vast pruetelen, en sprack:
’Tmoet een groot Monsuer wesen desen verschreven Kackerlack.
Doe verlienden ickse daer een quack van ouwe kousjes Jaergetijen,
Van ’teevangely van ’tspinrocken, van Waaren den Spookerijen
Die in hiel ouwe Tijen hier dickwils plegen te geschien.
De guesen moeten Duyveljagers wesen (seyd ick) want hy laetum nou niet sien.
Doe tegen wy op de bien, duer de Hal-steech, en onderwegen
So groeten ons al de Arrebeyers die ons quamen tegen.
Ick schickte myn baert te degen die myn schier inde mont quam,
En so stryke-baerdende, so quam ick in myn fasol op de middeldam:
Doe Lysbet Fokels my vernam, seyse: Koopman ick gheefje schier de granje
Kom koopt nu Krenten, Mangellen, Garsynen, en Aplen van Jeranje
En nuwe Karstengen, uyt Spanje, die ons volck lest hebben evrybuyt.
Doe quamen wy op de Vis-marckt, daer wast Pieter-Cely, dit uyt,
Emmerlock, hoor hier Kormuyt, komt hier me vaer: koopt een sootje,
Leest jou ga’ing uyt dit tobbetje en schietse in dit Vlootje,
Ick hebse noch wel een schootje grooter, komt hier! waer sinje Ot?
Haelt een net met vis, wt de korf of kaer by ’t vlodt,
Brengt doch gien wtschot, gaet heen mijn koorentje van achtien Jaren.
Al ree man (seyd hy) moer, ic selje dat wel opsen elvendartichst klaeren,
Ick verstaeme op die snaeren, also wel als onse buurman Klaes Os.
Y-bot, Hoeck-bot, dat blauwe Braet-spieringh, dat sin Melckbaersjes, en purmer-pos,
Kom heerschip, maackt me los, dats lustighe water-scheeps vis,
Datsen rootschilde-brasem, en een Korper die inden Ysel gevangen is,
Die muen-vooren dobbelt die mis? siet, datsen lecker gelt-snoeckje,
Hoor hier van Lijsbet Leffers, hoort hier wat, wel moer wat soeckje?
Mit snapten ic om ’t hoeckje, daer stonde die mossel-eters een hiel gerit
Hael mosselen, hael mosselen, Zeelantsche mosselen, varsch enne wit!
Watte varsche mosselen benne dit, ’t zijn mosselen as oesters seyden die kluyvers,
Daer quam onsw buurwijfs meyt, en haelden een emmer vol voor twee stuyvers.
Get hoe gluurden daer die snuyvers, na een tas van een parlde-pop,
Daer quamen die Dief-leyers, en maaktent daer byt huysje so ruym op,
D’ien gaf de meydt een schop, die een koontje, en d’ander een klaater
En wurpen de maeten, de matten, de paenders int waater,
Plom verlooren vande sluys.
Andere schortent onder haer arrem, en brochtent moytjes ’t huys,
O docht ick dit gehespuys, wie mienese nou wel datse binne?
Se souwe de dieve vangen, en laete de schaemel-luy een duytje winnen,
Wat selt volckje nou beginne, se hadde daer so moy voort edaen,
Ja docht ick in myn selfs, ’t is leelijck datse so op middel-straet staen.
Doe saegen wy de vis-slaghers de vis of-slaen, doe sach ick na de Zee-vis bancken.
Daer stonden de brandewijn-drinckers, en droncken ’t mutsjen om twee blancken,
Met riep Jannetje Vrancken, datsen stranckt-visje, datsen gul, dats schellevis!
Ick hebse met lever en kuyt, die soo varsch als een wronghel is,
Siet vryers hoe stijf datse is, s’is tangsjes ierst of eslaghen.
Dat sin meysjes met blancke borsjes, muegese jou niet behaghen?
Maer Aaltje van Schaghen, mijn koopwijf, die weesme gaet verby.
Doen tradden wy na de ael-wijven, daer ande drie vijseltjes sy,
By Griet Jan dicken, en Fy die soo ficks is op het vel te stroopen,
Daer wast hoor hier vrient, selje neb-ael, grof-ael, of fijn-ael koopen?
Soeckje puyt-ael, leb-ael, kat-ael, wilt niet veerder loopen, Ick heb vry wat keurs,
Doe gingen wy de waech neer, ’t water langs, over de koren-marckt nae de beurs,
Daer kregen wy so veel Bonsjours en Baeselmanis van de rijcke monseurs,
En soo veel goen dach van pelsers en schruers, dat hy bril sach, en ick mostmen omkieren,
Om Godswil Landtsman, seyd hy: Ghy mochtmen dat oock wel lieren,
Stracx begon hy myn te vieren en te eeren als een groot Kaddet,
Wel hoort hier seyd ick: en siet, dat ghy wel op myn woorden let:
Ghy moet pluym-strijcken, en schoon-praten en liefkoosen
De groote rijcke luy, al warent Goddeloosen,
En smeeren haer het zeem van Honich om de mondt,
Dit is een nutte kunst, die mijn verstandt eerst vondt,
Treet myn voetstappen na, so salt u gaen na wensche,
En maackt afgoden van de veel vermoghen Mensche.
Na dien ick dit gheslacht so aartich heb verweckt,
Soo heb ick oock ghedocht te voeren in de Seckt
Van myn eyghen naam, dats vande Kackerlackisten,
En waarom ick so wel niet als d’andre seck-tisten?
Want yder die nu is een weynich wel bespraackt,
Een sekt, of aanhangh na zyn fantasye maackt;
Mits nueswijs misverstant der menschen dart’le ooren
Meest altoos zyn belust om steets wat nieuws te hooren.
Maar ick verpraat myn tijdt, ick moet gaen doen myn last
En schencken haar de Maacht, en bidden haar de gast.
Hola! ’ksie Koenraat daar, de Dienaer van de vryer,
Die staat daar voor de deur, bedroeft, ach arme strijer!
Hy heeftet seecker slecht, daarom is hey beschruemt,
Hy sterreft schier van kouw, hy schijnt wel seer verkluemt,
Verkronckelt in zyn blaas, en knoffelt met zyn handen,
Al was hy om de Noort an die Way-gatsche stranden.
Syn Turf is hier te licht, ick moet met dese guyt
Wat alven, boerten, en haelen hem wat uyt.

Koenr. — O desen die meent hy heeftet al ghewonnen
Met zyn schenckagie, en ’tis noch nauw begonnen.

Kackerl. — Hout! dat ick niet te slecht op zyn steeghjes volck groet,
Maar als Grandisimo met vijf treen ande hoedt
Dus, een, twee, drie, vier, vijf, A la mode de Fransche
Moers volckje sal dit haast by Alterum Partum dansche.
Met Eerbiedighe dienst, die u hoocheyt verdient,
Wenscht Monsuer Kackelack zijn aldergrootste vrient
Koeraat gesontheyt toe, en voorspoet in zyn saaken:
Hoe staje so en kyckt, wat meuchdy hier toch maaken?

Koenr. — Ick sta stil, en recht op, en doe ter weerelt niet.

Kackerl. — Maar siet ghy hier niemant die ghy niet gaeren siet?

Koenr. — Ja, u. Kac. — dag gheloof ick, maar noch gheen and’re dinghen?
Hoe sie ick dan in u so veel veranderinghen?
Ick spuer dat u ghemoedt sich t’eenemaal ontset.

Koenr. — Ick sie niet dat myn deert, ontroert oft yet belet.

Kackerl. — Dit vuyltjen, wat dunckt u, en sal oock wel passen
Tot een Dienst-maasen, om de schotelen te wassen?
En wat ’t een, en wat aars? Koen. — ’tis een meyt als een kruyt,
Ja wel, s’is het waardich als een duyts broot een duyt,
Sy souwtje op een stil watertje wel of klaaren.

Kackerl. — Men souw’een sieke bruydt daer kunnen me bespaaren.

Koenr. — Och lieve vaar, dat is met u toch al ghedaen,

Kackerl. — Komt tot myn ouwerdom, het selje oock vergaan.
Hoe plech ick onse Trijn in lange gras te graeselen.

Koenr. — Nu, gis ick, ben jy al over ’t Pocken en ’t Maeselen,
En wat souw jy doch by een jongh Venus dier doen?

Kackerl. — Haast soo veel als ghy, laatje hartje gien sier doen;
Ick ben een ouwt Soldaat, myn alderbeste maatje!

Koenr. — Wil ick u wat seggen, Speciaal? u schort een praatje,
En ’t komt my niet te pas met u hier langh te staaen.

Kackerl. — Hoe na, sal jy yewers op de kittel-jacht gaan?

Koenr. — Daar en behoef ick u gheen bescheyt van te gheven.

Kackerl. — Souw dat dan d’eerste reys nu wesen van u leven?

Koenr. — Ick loop so niet als ghy! Kack. — Nochtans Koenraat ick gis
Dat gy al garen gaet daer wat te lacchen is.

Koenr. — Daar ben ick te vroom toe, te deeg’lijck, en t’oprecht.

Kackerl. — Ghy sult de kost wel krijghen, houtje maar wat slecht;
Kuendy maar wat bang sien, of na de mont wat spreken,
Ghelyck u, Meester, die de Meysjes kan bespreken,
Siet, door de aable kunst van zijn geswinde geest,
Want met een aardicheyt hy Weeuw en maacht beleest:
Wanneerder yemant sit en naydt, of ployt haar doeckje,
Hy vlijt hem neder tzeet, en haalt dan voort zyn boeckje
Van de Nigromancye, en doetje daer een les,
Die langher niet duert dan van een uyr vyf ses:
Al sit de Meyt en wringt om op ’tghemack te wesen;
Wat dunckje kan hy dan de Meysjes niet belesen?
En siet wat u belanght? ghy bent een zeer wijs knecht,
Ist dat ghy u verstant an dese kunst eens lecht,
Ick mien dat ghy u Baas haast over ’thooft sult leeren,
Want ghy sult dan de Droes beleesen en besweeren.

Koenr. — Gordt hoe ga gy daar me duer! Kack. — dat is so, dat blijckt.

Koenr. — Wil ickje segghen, wat myn dunckt dat ghy gelijckt?

Kackerl. — Wel wat doch? Koen. — een werelt so schoon en uytgelesen
Sydy, en ghy hebt al wat inde werelt mach wesen
Van schalckheyt, achterclap, en van pot-boevery,
Van haar, en van Italiaensche deuchnietery,
Ick loof niet anders, dan de man van u komst geweeten het
Die de Mensch aldereerst een kleene werelt geheeten het.
Hoe voerje daar we’er geest. Kackerl. — Wel, jy kuntet uyt legghen,
Swijgen best! wy kenne melkaar geen eer opsegghen.

Koenr. — Ja ghy hebt schaamt en eer te Kercken al gebracht.

Kackerl. — Ick gis dat ghy mijn, en meest al dit volckje slacht,
Die op een ander steets veeel schrollen en veel spreken,
En haalen telckens op ven ellick-eens ghebreken.
Nu dat is daer Koenraat, geeft doch Moy-ael een praat.
Bidt haer van uwent weghen datse mijn inlaat,
Want siet om mynent wil so begin ick te vresen,
Dattet mijn gaeren souw wel dreuts gheweyghert wesen.

Koenr. — Daar is een seeker Radt dat aller weghen drayt
Dat schielijck werpt om hoogh, die gantschlijck t’onder leyt,
En ’t smackt hem licht om laach die op haer macht hier trotse:
So salt oock gaan met u! o ghy doortrapt en schotse
Panlicker als ghy zijt! of ghy nu schoon de poort
Met u kleyn vingertjen, of’t alderminste woort
Kunt op’nen als ghy wilt, by daaghen en by nachten,
Ick sal nu van’t geluck nu oock mijn kans verwachten,
Dat toch by buerten gaat, en yder heeft zijn Tijdt.

Kackerl. — Secht my de waerheyt eens, en doet u dit gheen spijt
Dat voor u ooghen ghy dit dus moet sien gheschien?
Siet vrijer datsje veur! maer hebdy oock t’ontbien
Hier binnen in huys an Moy-ael, of an haer meysje?

Koenr. — Nu niet Kackerlack, Ja hoort hier? soentse een reysje.

Kackerl. — Dats garen edaen. Koenr. — Ick kant hem nu niet beletten,
Maer ’kwed ick eer yet langh hem sulcx sal ontsetten
En segghen: staeter nu buyten datje swiet,
So en wayt u de roock dan inde oogen niet,
Tis sulcken kabouter, o mijn! ’t is sulcken vrientje!
Hy belooft alle dingh, maer hy mienter niet ientje,
’Tis Jan allemans vrient, hy heeft ellick een lief
Soo langh hyer by is: zijn heerschip het een brief
Als de hielle Zuyer-Zee, mit een groote zegel
Ghelijck de Diemer-Meer, wat ick gun hem den egel
In zijn klapmuts. Wel hy! wie kijct daer gunts soo snel (tot het publiek)
Exce komplurius, scheele luy sien niet wel.
Aaris konincketutel stae gy so opje toonen?
Heer! wat het dat meysje twee bolle vette koonen,
Maar sinjer mee booren, soo isset gangs geen noot?
Kackel. wt. Wel hoe! benje mal? wel waerom worje root?
Siet hier! hier is hy weer, kijckt hoe gaet hy prijcken:
Had hy een beesem in zijn naers, hoe souw hy strijcken?
O mijn, hy is so blijt, dat hy hem schier wielt lacht.

Kackerl. — Wel borst sing’er noch? hoe nae, houje schilt wacht?
Of wil gy eens bespien wie dat hier al mach komen?
Oft vreest de vryer nu dat sy hem vande vromen
En stoute Kapiteyn sal werden nu ontleydt?

Koenr. — Wel hoe kundijt soo raen? wie heeftet u gheseyt?
Sulcken ding is het, je hebt seeckre quinck-slaghen:
Gaat heen gy licht-schuyt! gaat vry deur gy leghe waghen!
Achter sie ickje lest, gaet heen ghy rechte guyt!
Hoort hier! als ghy onder gaet soo blaest der kaers wt.
Het is een fray ghesel die elck toet inde ooren,
Writs. wt. Niet dat hem leet is, maar dat hem lief is te hooren.
    Wel is dit Writsert niet? Jaat, ’t is ons jonckste soon!
Zijn vader hadt hem thans wel stricktelijck gheboon.
Dat hy de schipper die op Lissebon sou vaeren
Souw schicken in het schip de alderbeste waeren,
Eer dat de koude vorst met gront-ijs al het Y
Beschiet met schots op schots: waar door voorseker hy
Sou blijven van zijn reys met achterstal verstreken
Behalven dattet goedt sou vervriesen, ofte breeken
    Wel wat ghebaar is dit? hy siet seeker wel woest
En kijckt nu hier, nu daar, hy heeftet dapper noest.

HET DERDE UYTKOMEN.

Writsert en Coenraedt.
Wat staat my nu te doen? ay mijn! ick siese nieuwers,
Waar dat ick loop of kijck: en immers is sy yewers.
Wat sal ick dese steech of ghene straat in slaan?
Of sal ick nae de brugh of nae het waater gaan?
Ick weet niet hoe ick wil; dus stont ick noyt mijn daghen;
Sy is de nuwendijck of de kolck ingheslagen.
Sy is waar datse is, s’is buyten mijn ghesicht;
Sy sal my hoop ick eens noch komen in het licht.
Ach wtstekende Maacht! die mijn dus doet verdwalen,
Souw selfs de schoonheyt self by u wel kunnen haalen?
Ick weet niet watse souw, het schoonst dat my verscheen
En ’t suyverlijckst wel eer, dat is nu maar ghemeen!
O ytghenomen beeldt! met wat vermoghen krachten
Zo wentelt, weldt, en woelt u schoonheyt mijn ghedachten,
Ten was gheen schoonheyt, dat ick eerst voor schoonheyt hiel:
U schoonheyt ongemeen is alder schoonheyts Siel,
Met wat bevallicheyt zijt ghy int ooch ghecropen?

Koenr. — Wel desen heeft al mee van’t selfste sop ghesopen!

Writsert. — O dien oude draf-sack! Koenr. — O desen is soo tjats
So ’t Ritsert deedt om ’t jocks, hy salt wel doen om twats!
Het moeytme van mijn Heer, en ’tis oock te beklaghen,
Dat al zijn kind’ren haar soo onghereghelt draghen:
Want d’outste die is gayl, en op een hoer versot,
En dese jongen loopt van kuf, van kot in kot.

Writsert. — Foey, dat dien saggelaar my daar juyst most ghemoeten,
Had ick doch doorgesnapt sonder hem eens te groeten
So hadt ick dat ghelel so langhe niet ghehoort:
Ick wedt hy hondertmael verhalen mocht een woort,
Ick stondt vast in mijn selfs verstuert en parlementen
Om dat myn oudt Oom daar soo langhe stont en drenten.
Wel hier cont Koenraat, siet, Godt geef u goeden dach!

Koenr. — En ick wensch u myn Heer al watmen wenschen mach:
Wel hoe drul-oortje dus? hoe dus verbaast van wesen,
En pruetelt binnens monts, ist van vruecht oft van vresen?
Van waar koomdy so snel, en siet dus droef en wreet?

Writsert. — Ghy vraachtme Koenraat, dat ick selve niet en weet;
Ick weet niet wat ick weet, ick soumen niet vermeten
Te weten dat ick weet of ick oyt heb gheweten:
Ick weet niet of ick sit, ick weet niet of ick sta,
’k Weet niet van waar ick koom, veel min waar dat ick ga,
So harssen-loos ben ick, doort rasen van myn sinnen,
Door d’onghebondenheyt van myn te dolle minne.
   Gedenckt u Koenraat wel, dat ick u dikmaals brocht
In ons Packhuys; daar ick u menichmaal bedocht
Met roockte Salmen, en met heele korven vyghen,
Met Brooden Suyckers, en wat ick meer kon krijghen:
En vulden ick u niet een anckertje met wijn
Nu lestent, doenent wy tot uwent souden zyn?
En sloockent in een Mandt, die met Hoy ghedeckt was,
My Vader peyldent, hy docht dattet gheleckt was.
Ghelyck als Jasper Buur, die een moy hallif Aam
Rhynsche Wijn in ley, (teghen zyn Vrouw haar Kraam)
Die de Maartens en knechts allengsjens uyt lickten:
En so hy eens met kracht het vatten en wickten
Hoe veel der noch mocht zyn: hy tilt so stijf an ’t vat
So dat hy met de start lustich op zyn gat.
So gingh oock met de Man van onse Kniertje Louwen,
Die met zijn halfvat bier docht kerremis te houwen:
Maar Knier was hem te gauw, sy dronck voor tijdt-verdrijf
En lurckten so langh, tot zyt hadt in haar lijf;
Op Sinte Kermis kreech de Man zijn beste vrienden:
Hy nam een groote pot, die hy vol tappen miende:
Hy licht de pottaart op, en hy klopt uyt het vat
De dueffick, en stopt zyn duym int lege gat.

Koenr. — Maar Writsert watje seght: ick kanne niet bedwinghen
Van lacchen, dats een klucht! o Menschen! watte dinghen,
Het is te wonder soet: ick hebbet noyt ghehoort.

Writsert. — Al mallicheyt ghenoech, luystert in aernst voort:
Kreech ick niet van ’t Kantoir uyt doosen en uyt laaden
Konfyten ingeleyd, en veelderley Suckaden?
En statet u niet voor dat ghy doen dickwils sey:
O Writsert oft gheviel dat ghy u sinnen ley
Op Dochter, Vrouw of Weeuw, ghy moocht my wel gheloven,
Ick souw om uwent wil als voor myn selven sloven.
Dit hebdy my belooft, betoont nu wie ghy zyt,
’k Sal op een hoedt niet sien, ist dat ghy wel bedijt;
Ghy bent seker soo eel om yemants woort te houwen,
Als ick niemant vant gilt sou konnen toebetrouwen
Stelt nu de macht int werck van u welsprekens kunst,
So langh tot ghy verkrijcht myn alderliefste gunst,
Wiens schoonheyt uyt haar selfs natuurlijck is ghebooren,
Niet met quacksalvery, noch dranckjes van Doctoren.
Ghelijck sommighe luy, die so hebben gheklieckt
Om schoon en moy te zyn, dat zy nu zijn vol sieckt,
Vol quellings, en vol fluyms, waardoor dat zy verwerven
Een leven sonder lust, en sterven sonder sterven:
Recht als de Bliek-vyst, die daat gist’ren achter sat,
Die om dit nuwe snofs-wit so veel rommelinghs at,
Van Boeckweyt, Gort en Krijt, en watter te koope was,
Nu gaatse, goede Meydt, of haar peeckel ontloope was:
Dan klaachtse voor haar hart, dat wijstse voor haar Borst,
Ach Moertje seydse lest: daer leydt myn sulcken korst,
Met vielse op haer buyck en gaf drie groote kreeten:
Doen sprackse overluydt, ’k sal myn leven niet eten
Dat ongesonde tuych van onbereyde spijs,
Van raeuw Taruwe graan, van Haver, Garst, of Rijs,
Van sant, van turf, van as, van koolle noch koolstruycken,
Ick sal in alle dingh myn ouwers raat gebruycken.
Ick kander oock een deel die heele grootte lappen
Van wolle laaken uyt haar rock en Huycken kappen:
Vondense de schuurmanckt met d’ooly-doecken staen,
Hoe souw dat volck dan wel in grasduynen gaen!
Die Rijcke luy’er kluer die staater mennich duur,
Ick laat de Joffers staan, die swack zyn van natuur:
Maar siet de Dienst-meysjes, die starcke schoncken hadde,
Die siender uyt, of s’uyt een gieter ghedroncken hadde,
De Vrouw die is wel dol, de Dochter is wel geck,
Die voor een schoonheyt hout dat jammerlijck ghebreck!
En isset niet met Godt hartneckelijck ghestreden,
Wanneer men niet vernoecht, en maact and’re schoonheden
Als ons zyn wijsheyt gaf? Sy toonen met die schijn
Hoe ondanckbaar, hoe slecht van oordeel datse zyn.
De Moeders zyn wel sot die hare kleene kind’ren
So rijghen, dat sy haar het wassen gants vermind’ren,
En dringhen ’t teere wicht in een ghebootste lyf
Van blick of loodt benaydt in harde steecksel stijf,
Daar gaan de wichters in benepen en ghespannen,
En werden nimmermeer volwasse kloecke mannen.
Wert hier een Dochter nu wat poeslich vet en blos
Die dunckt haar te zijn nut in’t Leger voor een Tros.

Koenr. — En lief, is sy schoon? Writs. — Ja Koenraat so volcomen!
Dat nuwe schoonheyt heeft haar aansicht aanghenomen,
Sy heeft een eyghen verf die niet is gheblancket:
Haar lichaams stal is fray, niet rangh, noch niet te vet.

Koenr. — Hoe out? Writs. — Na datse scheen aan’t wesen of bedaaren
So is sy out haar ses of achthien Jaaren.

Koenr. — Int bloemeken van haar tijt! Writs. — Siet Koenraet dat je maakt
Dat ghyse lock met list, em met gheweldt haar schaakt;
Bedenckter u eens op, hoe ghyse sult bepraaten
En stommelt u bedrock nu wacker wt de gaaten:
Bedriechtse met een vondt en levertse an my,
Ick wil dat ghyse brenght het sy oock hoe het sy.

Koenr. — O! wat besluyt dit? sonder sich te bevraagen;
Secht my wiens dochter ist, of wien zijn toch haar maaghen?

Writs. — Dat weet ick niet. Koenr. — Dats vreemt! hoe ist dan datse hiet?
Van waar isse? waar woontse? Writs. — dat weet ick niet.

Koenr. — Waar hebdyse ghesien? of waar quam sy u teghen?
Geeft mijn doch wat bescheyts? Writs. — Op straat hier onderwegen.

Koenr. — Waar bleefse toen int lest? waar gingse? Writs. — Dat weet God.
En ick en wetet niet, dat maakt mijn dol en sot.

Koenr. — Hoe so? Writs. — Maar vraagje dat? soo ick na haar was gaande
So ontmoet my Jan Kray, mijn noom die hiel my staande,
Ick sweerje dat ick hem niet met mijn ooghen sach
In een heel hallef jaar, als juyst op desen dach
Doen ick hem alderlest wel moghen hadt ontbeeren.

Koenr. — Wel gingje niet weerom? Writs. — Ick dorst niet ommekeeren.
Hy was mijn op het lijf, eer ick het sach of wist,
Ick hadde anders in een steeghjen eens ghepist:
Den schudde-bil, die sprack al stamerend’ met lispen
Wel hoe bocht-jachtje dus? Dit moet ick u berispen.
Hoo dus wilt-weyich? ha! wat sinje voor een knecht
Sech u vaer dat ick ben gheroepen voor het recht,
En stae op Schepens rol, en dat hy teghen morghen
My eenen Advokaat en voorsprack moet besorghen:
Dit was telckens wee an en duurde sonder endt.
Hy gingh, ick sach, ick liep vast hier en daer ontrendt,
Maar vont haar nieuwers niet. Koenr. — moglijck oft die persoon is
Die duer Kackerlackje Moyaeltjen angheboon is.

Writs. — O bloedt waar machse zijn? Koenr. — En wasser niemant by
Die haar bewaarden of gheleyden an haar sy?

Writs. — Ja Kackerlack die guydt, die volchde haare schreede.

Koenr. — ’k Heb nu verslachs genoech. die selfste meen ick meede.

Writs. — Spotje metme! hoe ist? Koenr. — Ick meen dien oock voorwaer.

Writs. — Kundyse Koenraet? segt, en waar soo zaachdy haar?

Koenr. — ’k Hebse gesien, ick kent; en weet waar sy ontrent is.

Writs. — Ach! Koenraet wat ick hoor! ist waar dats u beknet is?

Koenr. — Ick kense, en ick weet waar dat sy haar onthouwt:
Want s’is gebracht vereert, en in Moy-aals ghewouwt

Writs. — Wien is soo rijck van macht, die sulcken personagie
Kan sluyten wt zijn hart en schencken voor schenckagie?

Koenr. — Den Hopman Roemer is ’t. en die heeftse soo koel
Geschoncken en ghestuurt u broeder Ritsaarts boel.

Writs. — Ach broeder lief! ick merck alleen uyt dese deelen
Van dit verhaal, dat ghy een droeve rol sult spelen.

Koenr. — Maar weetje wat u broer zijn vereeringh is?

Writs. — Wel wat, secht dat, ick bidt? Koenr. — Een verrompelde Mooris

Writs. — Wat is mijn broer so sot, dat hy sou durven dencken
Een soo mismaackten mensch by sulcken beeldt te schencken?
By sulcken creatuur! soo kan ick wel bevroen,
Dat hy te laach leyt, en daar niet op sal doen.
Seker die yemants hart met gifte soeckt te stelen,
Die moet niet gierich zijn, maar moet de gilde spelen.
Wel Koentjen, ick wist noyt dat ons Moy-aal soo naar
Woonachtich, noch dat sy ons nae ghebuure waar:
Want ick en hebber noyt in ’t minsten af vernomen,
Hoe nae is sy hier oock eerst metter woon ghekomen?

Koenr. — Sy heefter wel gewoont ontrent een maant oft thien.

Writs. — Wel dat is seker vreemt, ick hebber noyt ghesien:
Maar is sy doch soo schoon ghelijck sy wert ghepresen?

Koenr. — Jase waarlijck! Writs. — Maar niet ten aensien van desen.

Koenr. — Daats wat anders. Writs. — Dats waar mijn aldertrouste vrient,
Ick bid u doet u best dat ghyse my verliendt.

Koenr. — Dat wil ick gaaren doen wt minnelijcker harten,
Ghelieft u oock yets meer? Writs. — Waar heen? Koenr. — ’tHuys om de swarte
Te brengen aan Moy-aal, ghelijck u broer beval.

Writs. — Gheluckige Mooris, die salich wesen sal.

Koenr. — Waarom doch? Writs. — Maar daarom: om dat sy alle daghen
By haar sal zijn in huys, en nae haar wel behaghen
Verklaaren haar ghesicht in d’ooghen van de Son
Die met haar flonckeringh mijn Sieltje soo verwon:
En sal sy niet altijt haar moghen sien en spreken
In kamer en vertreck? en ’s nachts onder de deken
Sacht slapen an haar zy? Koenr. — Wat souwt zijn of ghy waart
Soo salich en so rijck ghy hier verklaart?

Writs. — Wat middel of wat raat soudy hier toe toch vinne?

Koenr. — Maar dat ghy eens aanschoot het kleedt vande swartinne!

Writs. — Hoe, haar kleedt? wel hoe voort? Koenr. — Dan souden wy met roet,
Met lijmswart, of met tuych van eenich ander goet
Besmeeren ’t aengesicht, en uwe hande beyde.

Writs. — En dan? Koenr. — En dan sal ick u in haar plaats ginder leyde.

Writs. — Wel; dat gaat noch seer wel. Koenr. — En zijnde daar geleyt
Sal ick een reden van u broers gheneghenteheyt
Vertoonen aan Moy-aal, met stuypen en met nijghen.
Maar wat ghy hoort en siet gy moet altoos stil-swijghen.

Writs. — En soricht niet ick salt beschicken inder daat.

Koenr. — O wat gheleghentheyt sich voor u mercken laat;
Ghy sult dan vryelijck daar moghen met haar spelen,
En stormen, en kussen, en stoeyen, stroocken, streelen,
En slapen neffens haar, van niemant niet bekent,
Want wie souw dan vermoen yet anders of ghy bent
De Mooris van u broer? Writs. — My is in al mijn leven
Van geenich mensch die leeft soo goeden raat ghegheven!
Komt gae wy al ons best, en vaerdich my anschiet
Haar kleedt. Koenr. — Ick secht in spel, binje mal? ick mient niet.

Writs. — Wat duyvel mueghdy dan de geck met mijn so scheren?

Koenr. — Weetje wel 't is verboon by klock-slach vande Heeren
Dat niemant wie hy sy mach loopen meer voor mom
By nacht nochte by daagh? Writs. — Wat daar geef ick niet om.
Komt gae wy slechts maar duer. Koenr. — Ghy sultet u beklaghen!

Writs. — Dat ben ick wel ghetroost. Koenr. — Oft qualijck quam te slaghen,
Hoe bangh soumen dan sien? Writs. — Laat mijn daar met begaen.

Koenr. — Het spijtmen in mijn hart dat ickt u heb gheraen:
Want soo 't blat ommeslaat, datmen u quam te kennen
Of eenich bordeel-brock zijn handen quam te schennen
Aan u persoon, of goedt, u Vader souw mijn straf
Doen gees'len, om dat ick die snoode raat u gaf:
Oock wroecht my het gemoedt aan dese schelmerije.

Writs. — Wel, is dat schelmerij, datmen die valsche prije
De hoeren eens bedriecht? hoe slechtjes sydy noch,
En siedy niet hoe sy steets omgaan met bedroch?
Wat lief en soet gelaat dat sy aan yeder toonen?
En hoe sy noch in 't lest haar lieve liefjes loonen?
Dat weet en sietmen wel aan Jan rap en zijn maat,
En aande ghene die treck-beenen by de straat.
En an sommighe mans die haer vrouwtjes bedurven,
In voeghen dat sy zijn ellendich noch gesturven!
Wat zijn de hoeren meer als fenijn voor de jeucht
En putten des bederfs, en pesten van de deucht?
Ick ach de man wel groot die haarlie van ghelijcken
Met vuylheyt en bedroch kan schandelijck uytstrijcken.
En oft ten quaatsten quam, dattet heel qualijck voer;
Wat souwmen seggen? niet, men weet wel 'tis een hoer;
Sy moet de Jongman eerst eens hebben uytghestreken
Dat hy rechtvaardelijck hem dus heeft moeten wreken.

Koenr. — Indien ghy so besluyt 'k sal behulpich zijn;
Maar lecht doch naderhant de schult dan niet op mijn.

Writs. — Neen ick verseeckert u, ick wilt, volcht myn ghebieden.

Koenr. — Wel alst u soo ghevalt u wille sal gheschieden.

        Eynde van het tweede bedrijf.


Ingezonden door: J.R. van Wijk, 28 oktober 1997.